7. Sturm und Drang (1770-1786)

Geen periode in de Duitse literatuurgeschiedenis is zo actueel als de tijd van Sturm und Drang. De opstand van zonen tegen hun vaders, de roep om meer democratie door jongeren, de verhouding man en vrouw, de knellende band van een (gearrangeerd) huwelijk, schoonheid van de natuur, twijfel aan het bestaan van god, onbeantwoorde liefde, het zijn de eeuwige thema’s die horen bij een periode van volwassenwording van de mens.

Sturm und Drang zou je als overgangstijd, als een periode van volwassenwording kunnen beschouwen van een jonge generatie dichters en denkers, die in de Duitse geschiedenis gekscherend de jonge wilden worden genoemd. Het is de overgangstijd van de Verlichting, met eenzijdige nadruk op autonomie en ratio, naar een periode van meer evenwicht tussen gevoel en verstand, de periode van de Klassik. Bij de Stürmer und Dränger gaat het vooral om het verwoorden van de persoonlijke ervaring, de emotie en het genie dat naar vrijheid streeft. Goethes dichtregels himmelhoch jauchzend zum Tode betrübt (uit: Freudvoll und leidvoll) zijn illustratief voor de nog wisselende en onevenwichtige gestemdheid van deze generatie.

Waar komt de naam vandaan?

De naam Sturm und Drang is ontleend aan het toneelstuk Wirr-Warr  van Friedrich Maximilian Klinger uit 1776, dat in een latere versie Sturm und Drang genoemd werd.  Kenmerkend waren de – in de voorafgaande literaire periode nog – ongewone, heftige en choquerende uitbarstingen van emotionaliteit op het toneel. Grote bron van inspiratie voor de Stürmer und Dränger was de Franse schrijver Jean-Jacques Rousseau.

Jean Jacques Rousseau (1712 – 1778)

Rousseau

‘Terug naar de natuur’, ‘Het gevoel is belangrijker dan de rede’, dit zijn uitspraken van Rousseau, die het protest tegen de Verlichting reeds aankondigen.

Met ‘terug naar de natuur’ wees Rousseau op de oorsprong van de mens, als een goed, in vrijheid en onderlinge gelijkheid levend wezen. In 1750 had hij meegedaan aan een prijsvraag over de betekenis van de wederopbloei van kunsten en wetenschappen sinds de Renaissance. In zijn betoog Discours sur les sciences et les arts (‘Verhandeling over kunst en wetenschap’ uit 1750) beweert hij, dat er geen sprake is van verbetering of verheffing van kunst en cultuur. In tegendeel, ongelijkheid en onvrijheid zijn alleen maar toegenomen. In een tweede studie Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité (‘Verhandeling over de ongelijkheid’ uit 1755) wijst hij het ontstaan van eigendom aan als oorzaak van het verval ten opzichte van de oorspronkelijke, natuurlijke staat van de mens.

In een verhandeling over opvoeding (Emile, 1762) èn in zijn essay over politieke filosofie (Du contract social, ‘Het maatschappelijk verdrag’ eveneens uit 1762) zocht hij een oplossing. Opvoeding moest zich aanpassen aan het kind en zich verre houden van indoctrinatie. In een staat moesten mensen zich in vrijheid verenigen in de gehoorzaamheid aan een algemene wil. De verlichtingsfilosoof Immanuel Kant zou deze gedachte geheel in de geest van die tijd verder uitwerken tot de Categorische imperatief (een algemeen geldende wet): Handle so, dass die Maxime deines Willens jederzeit zugleich als Prinzip einer allgemeinen Gesetzgebung gelten könne. (vertaling: Handel zo dat de stelregel van uw wil steeds tegelijk als beginsel van een algemene wet zou kunnen gelden.)

Het programma Sturm und Drang is uit het volgende citaat van Rousseau goed af te leiden. Rousseau heeft het hier over de opvoedingsgebruiken van zijn tijd:

Heel onze wijsheid bestaat uit slaafse vooroordelen; al onze gebruiken zijn niet meer dan onderworpenheid, hinder en dwang. De burgerlijke mens (l’homme civil) wordt geboren, leeft en sterft in slavernij: bij zijn geboorte wikkelt men hem in windselen, bij zijn dood nagelt men hem in een kist: zolang hij er uitziet als een mens is hij door onze instituties geketend. Men zegt dat sommige vroedvrouwen menen door het hoofd van de pasgeborenen te kneden er een betere vorm aan geven, en men staat het toe! Onze hoofden zoals de schepper ze heeft gevormd, deugen niet: ze moeten van buiten worden gevormd door vroedvrouwen, en van binnen door de filosofen. De bewoners van het Caraïbisch gebied zijn twee keer zo gelukkig als wij.

Het kind heeft ternauwernood de schoot van de moeder verlaten, en geniet nog maar net de vrijheid de ledematen te bewegen en te strekken, of men geeft het nieuwe banden. Men wikkelt het in, men legt het neer met het hoofd vast, de armen langs het lichaam; het is omwonden door kledingstukken en banden van allerlei soort, die het hem onmogelijk maken zijn positie te veranderen. Het is nog een geluk als het niet zo strak is ingewikkeld dat het verhinderd wordt adem te halen (…).

(Uit: J. J. Rousseau, Oeuvres complètes IV, Pleiade, Emile ou de l’éducation p. 253/254. Hier in vertaling van Anneke Brassinga.)

Beluister hier ter vergelijking met de ideeën van Rousseau een gedicht van de Nederlandse dichter Hieronymus van Alphen (1746-1803), waarin tot uitdrukking komt hoe men in de Verlichting over opvoeding en de omgang met kinderen dacht. Was dit de bedoeling van Rousseau?

 

Invloed op Goethe

De Duitse Stürmer und Dränger Johann Wolfgang von Goethe concretiseerde de ideeën van Rousseau onder andere in zijn Mailied (1771) en in het gedicht Prometheus (1774) (zie verderop op deze pagina.) Sterke gevoelens zijn iets van eeuwige waarde, de nauwe band tussen het lyrische ik en de natuur staat centraal, de mens is vrij en schepper van zijn eigen wereld.

Sturm und Drang in de muziek

De musicus en componist Wolfgang Amadeus Mozart (1756–1791), het enfant terrible van de toenmalige gevestigde orde, verwoordde de ideeën van de Stürmer und Dränger in zijn opera Die Zauberflöte (1791). In deze opera vol komische momenten, laat hij precies in het midden de volgende revolutionaire woorden zingen: …und Sterbliche sind Göttern gleich. (‘… stervelingen zijn goden gelijk.’) Beluister hier een fragment uit Die Zauberflöte

 

Op het gebied van de muziek was Carl Philipp Emanuel Bach (1714 -1788) een toonaangevende vernieuwer. Aan de ene kant trouw aan de muzikale conventies uit de tijd van de Barok – zijn vader was Johann Sebastian Bach – maakte hij anderzijds de weg vrij voor totaal nieuwe opvattingen. Hij geldt als een directe voorloper van de romantische muziek van Beethoven. Wie enigszins thuis is in de muziekgeschiedenis, kan dit aan de hand van dit muziekfragment eenvoudig vaststellen. Beluister de sonate in c-mineur van Carl Philipp Emanuel Bach:

 

 

Literatuur

Herder

De belangrijkste Duitse dichters van de Sturm und Drang zijn Johann Gottfried Herder, Johann Wolfgang von Goethe en Friedrich Schiller. De eerste vooral als inspirator voor de jonge Goethe, de tweede als het gevoelsgenie bij uitstek, terwijl de derde, Schiller, vooral beroemd werd om zijn streven naar vrijheid.

Johann Gottfried Herder (1744–1803) was filosoof, theoloog en dichter. Herder stelde de eenzijdigheid van de Verlichting aan de kaak. Hij vond dat gevoel en emotie, originele en scheppende genialiteit van de dichter en het eigene van de volkscultuur in de literatuur te weinig aan bod kwamen. Herder zag de volkspoëzie als natuurlijke en ongekunstelde uitdrukking van wat de mens ten diepste bewoog. In 1770 leerde Johann Wolfgang von Goethe Herder in Straatsburg kennen. Herder had met zijn ideeën een grote invloed op de jonge Goethe en een aantal van diens toenmalige vrienden.

In zijn colleges maakte hij zijn studenten enthousiast voor het bijzondere van de Griekse schrijver Homerus – dichter van de Ilias en de Odyssee -, van de Engelse schrijver Shakespeare – o.a. Romeo and Julia, Hamlet en Macbeth – en van de volkspoëzie. Herder noemde Shakespeare ‘een sterveling met goddelijke kracht’ en Goethe sprak in 1771, na zijn kennismaking met Shakespeare, over zichzelf als over een ‘blindgeborene’ die eindelijk zijn gezichtsvermogen kreeg. In deze toespraak Zum Shakespeares Tag pleitte Goethe voor een open en epische vorm van theater. Elke binding aan de klassieke vorm van de Franse tragedie, zoals in de Verlichting gangbaar was, wees hij in navolging van Shakespeare van de hand. Zo brak hij met de regel van eenheid van tijd, plaats en handeling. Ook de standenclausule liet hij definitief achter zich.

Sturm und Drang als maatschappijkritiek

Hoewel de Franse Revolutie (1789) nog meer dan een decennium op zich zou laten wachten, kondigde zich in deze beweging van ‘jonge wilden’ het verval van de oude hofcultuur, die in Duitsland gekenmerkt werd door een star en extreem absolutisme, reeds aan. Een nieuwe klasse burgers beheerste steeds meer het economische leven en dat ging aan het theater zeker niet ongemerkt voorbij.

Sturm und Drang was niet alleen emotionele expressie van hoogst persoonlijke ervaringen op het gebied van natuur en liefde (‘Erlebnislyrik’), maar bovenal onvervalste maatschappijkritiek. Dit komt duidelijk tot uitdrukking in de toneelstukken van Johann Christoph Friedrich Schiller (1759–1805) en van Jakob Michael Lenz (1751–1792). Lenz is vooral later, in de negentiende en in de twintigste eeuw, bekend geworden door bewerkingen van zijn maatschappijkritische stukken door Georg Büchner (1813–1837) en door Bertolt Brecht (1898–1956).

Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832)

Goethe in Italië

Goethe behoort samen met Schiller tot de grootste onder de Duitse dichters. Goethe werd in 1749 in Frankfurt am Main geboren. Hij studeerde rechten in Leipzig. Op zoek naar het ware hartstochtelijke leven en naar integere (ongerepte) natuur, vond hij tijdens deze studie geen rust. Hij werd als het ware heen en weer geslingerd tussen de wereld van het verstand aan de ene kant en zijn emoties van een zoekende jongeling aan de andere kant.

Deze situatie maakte hem lichamelijk ziek. Daarom keerde hij eind juli 1768 voor langere tijd terug naar zijn ouderlijk huis in Frankfurt am Main. Na twee jaar was Goethe weer geheel hersteld. In 1770 maakte hij zijn studie in Straatsburg af. Hij maakte er kennis met Johann Gottfried Herder, met wie hij Homerus en Shakespeare las. Door zijn studie bij hem komt Goethe tot de overtuiging, dat het echte kunstenaarschap niet bestaat in het volgen en toepassen van tradities en regels, maar in een authentieke ontwikkeling van de natuurlijke gave van een dichter, van het creatieve genie.

In deze periode wordt Goethe drie keer hartstochtelijk verliefd – eerst op Friederike Brion, daarna op de reeds verloofde Charlotte Buff en op Lilli Schönemann. Met Lilli komt het tot een verloving, maar deze verbreekt hij uiteindelijk. In 1775 wordt hij namelijk door hertog Carl August, met wie hij persoonlijk bevriend was, uitgenodigd om naar de stad Weimar te komen. Deze stap betekende een beslissende wending in het leven van Goethe. Hier zou hij zich naast de officiële functies die hij in het bestuur bekleedde tot een groot dichter ontwikkelen. In Weimar verloor Goethe geleidelijk aan zijn wilde haren uit de Sturm und Drang-tijd. Machthebbers hebben doorgaans geen belang bij snelle revoluties. Zo komt Goethe door zijn binding aan en afhankelijkheid van het hof van Carl August langzaam in rustiger en evenwichtiger vaarwater. Hier kondigt zich het begin van de periode die later de Klassik ging heten reeds aan.

Uit de Sturm und Drang-tijd stammen onder andere zijn gedichten Mailied, Willkommen und Abschied, Prometheus en zijn beroemde briefroman over een niet beantwoorde liefde Die Leiden des jungen Werther (1774). Hierin zijn de ideeën van Rousseau duidelijk terug te vinden. Sterke gevoelens worden benadrukt als iets van eeuwige waarde, de nauwe band tussen het lyrische ik en de natuur staat in Goethes gedichten centraal, de mens is vrij en wordt als schepper van zijn eigen wereld beschouwd.

Bekijk hier de SPECIAL over het leven van Goethe, de bekendste Duitse dichter aller tijden  [opent in nieuw tabblad]

De bekendste werken van Goethe

SPECIAL: Die Leiden des jungen Werther (1774)

Die Leiden des jungen Werther is Goethes beroemdste roman. Eind van de 18e eeuw werd deze roman een heuse bestseller. Het boek ging snel van hand tot hand en werd door elke burger die het maar even kon bemachtigen, desnoods in de vorm van een ordinaire roofdruk, verslonden. Het eindigt met de zelfmoord van Werther. Een verbod en censuur bleven dan ook niet uit, maar dit heeft aan de populariteit van het boek nooit iets kunnen afdoen. Het boek eindigde met de zelfmoord van de hoofdpersoon. Goethe zag zich zelf gedwongen om een waarschuwing in zijn boek op te nemen, omdat mensen het na gingen doen: “Wees een man, en doe mij niet na”! Naar de SPECIAL [opent in nieuw scherm]

Gedichten: Klik hier om de gedichten Mailied  en Prometheus te bekijken  [opent in nieuw scherm]

Friedrich Schiller

Schiller en Goethe moeten in één adem genoemd worden als literaire en politieke vernieuwers. Friedrich Schiller (1759-1805) werd in 1759 in Marbach am Neckar geboren. Zijn jeugd stond in het teken van dwang en onvrijheid. Zo stuurden zijn ouders hem tegen zijn wil naar een militaire academie, de Hohe Karlsschule. Hier viel hij onder het regime van de absolutistische vorst, hertog Karl Eugen von Württtemberg. Terugblikkend op deze tijd zegt hij later, dat hij zich wereldburger voelt en dat hij nooit een vorst zal kunnen dienen. De acht jaren dwang en tucht hebben zijn hartstocht voor de literatuur echter nooit kunnen uitdoven, zoals een eerste vurige liefde nooit verdwijnt. Schiller studeert dan eerst nog tegen zijn zin rechten en medicijnen en hij is enige tijd regimentsarts. Maar in het geheim schrijft hij ’s nachts bij kaarslicht aan zijn voor die tijd uiterst revolutionaire stuk Die Räuber, wachtend op het moment waarop hij de vrijheidsidealen uit dit stuk in zijn eigen leven zal kunnen verwerkelijken.

Scène uit Die Räuber door het Theater der Stadt Heidelberg (Großes Haus) uit het jaar 2000.

Die Räuber (1782)

‘Die Räuber’ is bij uitstek een Sturm und Drang-stuk. Het thema is verzet tegen onderdrukking en onvrijheid bij de opvoeding. In de jaren ‘60 en ’70 (20e eeuw), in de tijd van de grote studentenprotesten in Duitsland, hadden veel studenten dit stuk van Schiller dan ook op zak.
Toen het op 13 januari 1782 in Mannheim in première ging, brak het publiek ook de zaal van enthousiasme af. Maar de hertog (Karl Eugen) was er natuurlijk minder van gecharmeerd. Het verlangen naar vrijheid en de indirecte kritiek op de willekeur van de Duitse vorsten, waren hem in dit stuk een doorn in het oog.

Don Carlos (1787)

Don Carlos is de zoon van de Spaanse vorst Philips II. Samen met markies De Posa kiest hij partij voor de Nederlandse opstandelingen tegen de Spaanse overheersing. In een spannend toneelstuk, vol intriges met dubieuze rollen voor vrouwen, levert Schiller kritiek op onrecht en op het absolutisme. In het tweede bedrijf roept markies De Posa tegen Philips uit: ‘Ik kan geen vorstendienaar zijn.’ En verderop in het stuk als het Philips allemaal te machtig wordt en hij begrijpt, dat hij op niemand meer kan rekenen, barst hij openlijk in tranen uit. ‘De koning huilt.’ Maar de koning herstelt zich spoedig en met behulp van de inquisitie weet hij zijn macht op hardhandige wijze te handhaven. De Posa en Don Carlos delven het onderspit tegen Philips en Alva. Schiller koos vaak historische thema’s voor zijn toneelstukken, waarin hij zijn revolutionaire idealen kon verwoorden. Het verhaal is later ook bekend geworden van de gelijknamige populaire opera van Guiseppe Verdi (1813 – 1901).

Schiller over het toneel

Schiller beschouwde het toneel als middel bij uitstek om de burgerij te onderwijzen, te ‘genezen’. Eén van zijn lezingen had als titel: Die Schaubühne als eine moralische Anstalt betrachtet (‘Het theater als opvoedkundig instituut.’) Op het toneel konden actuele problemen, die samenhingen met het ontwaken van het gevoel van eigenwaarde bij de burgerij goed aan de orde worden gesteld. Hoewel Schiller door de vorst nauwlettend in de gaten werd gehouden, lukte het hem om tijdens zijn verblijf in Mannheim (1783–1784) nog enkele toneelstukken, waaronder Kabale und Liebe (1784) op het toneel te brengen. Ook hierin staat het generatieconflict centraal.

In 1785 wordt hij door vrienden uitgenodigd om naar Leipzig en Dresden te komen. Daar krijgt Schiller onder de invloedssfeer van de verlichte hertog Karl August met een totaal ander en liberaal regime te maken. Dan volgt er, ondanks zijn slechte gezondheid, een gelukkiger periode in zijn leven. In 1787 brengt hij een bezoek aan de stad Weimar en maakt hij kennis met Goethe. Later wordt hij met hem bevriend en begint de tijd van de Klassik.

An die Freude

De hymne An die Freude (1786) van Schiller is beroemd geworden door het slot van de negende symphonie van Ludwig van Beethoven (1770–1827) en omdat het later tot volkslied van het Verenigde Europa is gemaakt. Het heeft minstens vijfentwintig jaar geduurd, voordat Schiller zijn welbevinden in de hooggestemde hymne tot uitdrukking durfde te brengen. Tot 1785 leefde Schiller namelijk door ziekte en geldgebrek gekweld en voortdurend op de vlucht, onder moeizame en ongelukkige omstandigheden.

Beluister het slotkoor van de negende symphonie van Beethoven waarin het An die Freude gezongen wordt:

Freude schöner Götterfunken,
Tochter aus Elysium,
Wir betreten Feuertrunken,
Himmlische, dein Heiligtum!
Deine Zauber binden wieder,
Was die Mode streng geteilt.
Alle Menschen werden Brüder,
Wo dein sanfter Flügel weilt.

 

Jakob Michael Reinhold Lenz

Lenz

Goethe en Schiller zijn de ‘Titanen’ van de Sturm und Drang en de daarop volgende periode, de Klassik. Zij overvleugelen vele andere schrijvers. Voor één van hen, voor Jakob Michael Reinhold Lenz (1751-1792) was dat niet alleen bijzonder pijnlijk, maar leidde dat waarschijnlijk zelfs tot een grote crisis in zijn leven.

Op een reis naar Straatsburg in 1771 leerde Lenz Goethe kennen die hij zeer bewonderde. Na de publicatie van zijn eerste toneelstukken volgt hij Goethe in 1776 naar Weimar. Om onbekende reden – Goethe noemde het Lenzens Eseley – moest hij Weimar echter al snel verlaten. Het contact met Goethe werd vanaf dat moment geheel verbroken. Een jaar later werd Lenz het slachtoffer van een geestelijke inzinking die hij nooit meer echt te boven zou komen. Hij leed nadien een zwervend bestaan dat hem uiteindelijk naar Moskou zou brengen. Daar werkte hij als privé-docent. Hij stierf er op tamelijk jonge leeftijd.

Twee stukken van Lenz zijn erg bekend geworden. Der Hofmeister (1774) gaat over de leraar Läuffer die aan een hof een meisje zwanger maakt en daaraan ten onder gaat. Min of meer onder dwang castreert hij zich. Klik op deze link om deze scène hieronder te lezen. Een ander stuk, Die Soldaten (1776), is een variant op hetzelfde thema en gaat over het gevaar voor onschuldige burgermeisjes door (verplicht) ongehuwde soldaten te worden onteerd.

Het leven en de literatuur van Lenz hebben grote invloed gehad op schrijvers na hem. Zo inspireerde hij de schrijver Georg Büchner (1813-1837) tot de vertelling Lenz (posthuum gepubliceerd in 1839), waarin deze een zoektocht onderneemt naar de oorzaken van de waanzin van Lenz. Büchner gebruikte voor zijn vertelling Lenz’ dagboeken en die van een dominee bij wie Lenz enige tijd had geleefd. Daarnaast bewerkte de schrijver en regisseur Bertolt Brecht Der Hofmeister en baarde daarmee in 1950 veel opzien. Pas in de tweede helft van de twintigste eeuw werd daardoor het stuk regelmatiger opgevoerd.