14. Nieuwe Zakelijkheid (1920 – 1933)

 

 

In het Duits: Neue Sachlichkeit

 

 

 

 

 

 

 

Historische achtergrond

 

De Weimarrepubliek (1918 – 1933)

 

Novemberrevolutie

Philipp Scheidemann roept de republiek uit (november 1918).

In november 1918 kwam er een eind aan de Eerste Wereldoorlog. De hoogste legerleiding wilde nog verder strijden, maar het volk wilde vrede. De leiding van de marine was niet bereid zich zonder verzet over te geven. Zij probeerde nog een schip tegen de Engelsen de zee op te sturen. Hiertegen kwamen de matrozen in opstand. Niemand van hen had nog zin om voor volk en vaderland een zinloze dood te sterven. Deze revolutionaire daad had in heel Duitsland een golf van protesten tot gevolg.

Arbeiders en soldaten sloegen de handen ineen en streefden naar een vorm van directe democratie. Sommigen stond daarbij heel concreet een radenrepubliek voor ogen naar het communistische voorbeeld van de Russische Revolutie. De wapenstilstand tussen de strijdende partijen Duitsland, Frankrijk, Engeland en Amerika werd op 11 november 1918 getekend. De situatie in het land was gespannen en overal braken er stakingen en opstanden uit.

Friedrich Ebert met vrouw en kinderen, 1898. (link)

Friedrich Ebert (1871 – 1925) van de SPD, de sociaal democratische partij, werd Rijkspresident. Hij wilde rust en orde herstellen en door onderhandelingen met de verschillende partijen een socialistische regering vormen. Ebert kon niet beschikken over het leger of over een goed juridisch apparaat. Het monopolie op geweld had niet de staat, zoals het hoort te zijn, maar lag op straat.

Radicale groepen en arbeiders bleven actief en eisten de macht voor zich op. Om een revolutie te voorkomen riep Philipp Scheidemann (ook een sociaal democraat), op 9 november snel vanuit een venster van de Reichstag de Duitse Republiek uit. Nog op dezelfde dag deed de links-radicale, communistische Karl Liebknecht (1871 – 1919) hetzelfde vanuit het Stadtschloss.

Liebknecht behoorde met Rosa Luxemburg (1871 – 1919) tot de leiding van de Spartakus-Bund, die in Duitsland een communistisch regime, een dictatuur van het proletariaat, wilden vestigen.

Zie hieronder een foto van beiden met link naar informatie over de Spartakusbund:

 

Deze chaotische situatie, met straatgevechten tussen links en rechts, zou enkele maanden voortduren, totdat Ebert hulp inriep van het leger. Revolutionaire bewegingen, zoals Spartakus en communistische opstanden werden met harde hand tegengewerkt en neergeslagen. Karl Liebknecht en Rosa Luxemburg werden door rechtsradicale soldaten op 15 januari 1919 vermoord. Hun lichamen werden in het Landwehrkanal in Berlijn gegooid. Een gedenkteken herinnert daaraan.

 

Keizer Wilhelm II (1859 – 1941) vluchtte 10 november 1918 naar Nederland, waar hij tot zijn dood op uitnodiging van Koningin Wilhelmina in Doorn bleef wonen. De vrouw van de Keizer, Augusta Victoria, was hem enkele dagen later gevolgd. Zij overleed in 1921 en had bepaald dat zij in Potsdam begraven zou worden. Wilhelm II mocht Duitsland niet meer in, zodat hij bij de grens moest uitstappen toen het lichaam van zijn vrouw Keizerin Augusta naar Potsdam gebracht werd. Op films van de begrafenis (nu honderd jaar geleden) kun je zien hoeveel belangstelling er toen nog voor de monarchie was.

 

Beluister dit interessante radioprogramma over Rosa Luxemburg (19′):

 

 

Van Versailles tot Hitlerputsch

Duitsland in 1920 (lichtgrijs gekleurd).

Vredesverdrag van Versailles 28 juni 1919.

De eerste nationale verkiezingen volgens algemeen kiesrecht (ook voor vrouwen) werden op 19 januari 1919 gehouden. De SPD kwam hier als sterkste partij uit naar voren. Het lukte om met gematigde partijen een centrum-linkse meerderheidsregering te vormen. Ebert werd de rijkspresident en  Philipp Scheidemann premier. De rust na de november-revolutie was daarmee nog niet teruggekeerd. De SPD werd door de communisten verweten verraad aan de arbeiders gepleegd te hebben. Zij had immers geweld gebruikt om de arbeidersopstanden de kop in te drukken.

Behalve deze kwestie speelden de voorwaarden waaronder Duitsland zich over had moeten geven een grote rol bij de onrustige start van de nieuwe republiek. Duitsland had in Versailles de schuld van de Eerste Wereldoorlog gekregen, moest gebieden afstaan en kreeg forse herstelbetalingen opgelegd. Niet alleen bij teruggekeerde frontsoldaten, maar ook bij jongeren werd het verdrag van Versailles aangegrepen om elke regering die hierover wilde onderhandelen met de buurlanden tegen te werken. Versailles werd door hen als een verraad en vernedering ervaren. Deze groepen organiseerden zich in vrijkorpsen en vormden voor de regering een gevaar van rechts. Zij traden naar eigen inzicht op tegen de door communisten georganiseerde opstanden en stakingen.

De nationale vergadering waarin de grondwet van de nieuwe republiek werd aangenomen, vond om praktische redenen op neutraal gebied plaats, in het stadje Weimar. Berlijn was te onrustig vanwege de revolutionaire sfeer, waarin links en rechts elkaar letterlijk op straat te lijf ging. In het landelijke Weimar was nauwelijks proletariaat, bovendien stond er een groot theater waar het nieuwe parlement eenvoudig zitting kon houden. Met de erfenis van Goethe en Schiller had de keuze voor Weimar niets te maken.

 

De Reichswehr, een ‘staat in de staat’, tijdens straatgevechten in maart 1919

 

Op zich was de nieuwe democratie goed verankerd in een nieuwe grondwet, maar het parlementaire bestel werd door links en rechts met argwaan bekeken. Het ontbrak de nieuwe republiek aan echte democraten. Uit frustratie over het verdrag van Versailles kwam het in 1920 tot een eerste grote Putsch onder leiding van generaal Walther von Lüttwitz, met op de achtergrond Wolfgang Kapp, een hoge ambtenaar uit Berlijn.

Deze militaire staatsgreep, de Kapp-Putsch, mislukte door stakingen van arbeiders en ambtenaren. Maar de sfeer werd grimmiger. Links radicaliseerde en organiseerde een opstand in het Ruhrgebiet, het leger dat niet ingegrepen had tijdens de Kapp-Putsch, werd een soort staat in de staat. Intussen verloren de democratische partijen hun meerderheid in het parlement vanaf juni 1920 voorgoed. De Weimarrepubliek was vanaf het begin verdeeld in groepen die voor en tegen de republiek waren. Geweld op straat was aan de orde van de dag.

Walther Rathenau (link)

Walther Rathenau en Gustav Stresemann waren bekwame politici die plannen hadden voor de bestrijding van de hoog oplopende inflatie. Zij wilden een realistische politiek en onderhandelingen over de herstelbetalingen. Rathenau moest dit met de dood bekopen. Op klaarlichte dag werd Rathenau op 24 juni 1924 vlak bij zijn huis op de Königsallee in Berlijn neergeschoten.

Als protest tegen de politiek van Stresemann riep Adolf Hitler in 1923 op tot een nationale revolutie. Zijn demonstratie in de Münchener Feldherrnhalle als voorproefje van de Marsch auf Berlin werd neergeslagen. Hitler werd weliswaar tot vijf jaar celstraf veroordeeld, maar daarvan heeft hij er nog geen twee jaar uitgezeten. Na zijn vrijlating probeerde hij langs legale weg de macht te veroveren.

Spannende radiouitzending (22′) over Der Hitlerputsch: Anfang vom Ende der Demokratie:

1923 was een crisisjaar voor de Weimarrepubliek. Meer daarover vind je in de film, 6 Krisen in einem Jahr (12′):

 

 

Gustav Stresemann

Gustav Stresemann (geb. 1878) stierf op 3 oktober 1929. In binnen- en buitenland werd zijn begrafenis met grote belangstelling gevolgd. Men vreesde dat met de dood van deze grote staatsman de kansen op een democratische orde in Duitsland verkeken zouden zijn.

Stresemann is niet altijd populair geweest. Hij heeft ook veel tegenslagen gekend, maar is trouw gebleven aan zijn idealen, uitgangspunten en politieke ideeën. Tijdens zijn studententijd was hij aanhanger van de revolutionaire idealen van 1848. Hij studeerde economie en sloot zijn studie af met een dissertatie over de handel in flessenbier in Duitsland. Vanwege de groeiende concurrentie van de grote brouwerijen was dit toen een hoogst actueel thema. Zijn vader was overigens kroegbaas. Stresemann had een praktische instelling, maar hij had ook grote belangstelling voor talen en cultuur. Bij de onderhandelingen met Engelsen en Fransen zou hem dit goed van pas komen.

Evenals veel Duitsers stond hem voor de Eerste Wereldoorlog nog een politiek voor ogen die gekenmerkt werd door uitbreiding van de markt, veroveren van nieuwe koloniën en de noodzaak van een sterke vloot. Hij was oorspronkelijk een man van het midden en streefde vreedzame economische samenwerking tussen de grootmachten na. Dat hij toch een voorstander van oorlog is geworden, wordt wel als zijn ‘zondeval’ beschouwd. Aanvankelijk was hij inderdaad monarchist, hetgeen blijkt uit het telegram dat hij de naar Nederland gevluchte Keizer voor zijn verjaardag stuurde. Maar na de oorlog komt hij daarop terug. Stresemann wordt republikein en richt een liberale partij op, de DVP (1918; Deutsche Volkspartei).

De situatie in Weimar was intussen zeer gespannen geworden. Vooral na de moord op Rathenau raakten de ontwikkelingen in een stroomversnelling. Kabinetten volgden elkaar in hoog tempo op, het was lastig om nog meerderheidsregeringen te vormen. Afwisselend was Stresemann oppositieleider of minister. In 1923 werd hem de vorming van een nieuwe regering opgedragen.

De periode van 1923 tot aan zijn dood in 1929 was een periode van relatieve stabiliteit. Politieke rust was er echter niet. Regelmatig waren er politieke opstanden, Beieren wilde onafhankelijkheid, het Ruhrgebied was nog bezet, het land had alleen maar schulden en de munt was verre van stabiel. Ondanks al deze problemen wist Stresemann een verstandige politiek van onderhandelingen met de buurlanden te voeren. Een nieuwe munt, de Rentemark, werd ingevoerd, betalingsverplichtingen konden nu beter nagekomen worden en Duitsland mocht lid worden van de Volkenbond. In 1927 kreeg Stresemann de Nobelprijs voor de vrede.

Maar na de dood van Friedrich Ebert (in 1925) werd de rechts-nationalistische Paul von Hindenburg Reichspräsident. Vanaf 1929, het jaar waarin Stresemann ook stierf, kwam er definitief een eind aan stabiele regeringen bestaande uit een een grote coalitie. De ineenstorting van de beurs in 1929 bracht Duitsland opnieuw in een crisis. Sommigen zeggen, dat Stresemann indien hij niet zo jong gestorven was Duitsland ook hieruit had kunnen redden en Hitler had kunnen voorkomen. Maar dat blijft natuurlijk een kwestie van speculeren.

 

Goldene Jahre (1923 – 1929)

Berlijn, Potsdamer Platz, 1930

Stresemann wilde in de geest van Bismarck door overleg met de buurlanden een politiek machtsevenwicht tot stand brengen. Geleidelijk aan is hem dit ook enigszins gelukt. Met Frankrijk wist hij afspraken te maken over demilitarisering van Rheinland en over de bezetting van het Ruhrgebied. Met Moskau tekende hij een vriendschapsverdrag, waarin de grenzen in Oosten werden vastgelegd. Maar het grootste probleem waar Stresemann voor stond, was een nieuwe regeling voor de herstelbetalingen. Daarmee had hij zoveel succes, dat het hem lukte om bij de verkiezingen voor de rijksdag in 1924 zowel de nationaal-socialisten als de communisten grote verliezen toe te brengen. Beide groepen haalden niet meer dan (respectievelijk) 9% en 3% van de stemmen.

Hoewel de werkloosheid tot 1929 nooit onder 7% zakte, verdubbelde intussen de productie. Economisch en politiek beleefde Duitsland weer voorspoedige jaren. Lonen stegen en de munt bleef enigszins stabiel. De relatieve welvaart was echter voornamelijk op leningen, vooral vanuit de VS, gebaseerd. In 1929, het jaar van de grote ineenstorting van de beurzen, werd dit Duitsland noodlottig.

Otto Dix, Die Großstadt, 1927/28 (link)

Om een indruk te krijgen van het culturele leven in de jaren twintig hoef je maar naar de schilderijen van Otto Dix en George Grosz te kijken. Het levensgevoel veranderde op revolutionaire wijze, alles was in beweging. Amerika werd het grote voorbeeld voor muziek, kunst en mode. Het nachtleven verliep op het ritme van de Jazz en de Charleston. De grote stad werd het toonbeeld van gevoel van vrijheid en emancipatie. Een stad als Berlijn bijvoorbeeld stond voor avant-garde in kunst en wetenschap. Schrijvers, kunstenaars en wetenschappers, iedereen die erbij wilden horen vestigde zich in daar, want daar gebeurde het. Josephine Baker, Buster Keaton en Anna Pawlowa, zij kwamen allemaal naar de Kurfürstendamm of traden op in de theaters op de Potsdamer Platz. De voorstellingen en revues in het Große Schauspielhaus (1919) naast de Schiffbauerdamm, werden druk bezocht. Jazz-musici uit Amerika en beroemde internationale artiesten traden hier op. Radio en grammofoon waren volop in ontwikkeling.  De eerste grammofoonplaten legden de nieuwe trends, zoals de exotisch klinkende jazz uit Amerika, vast.

Beluister hier de beroemde Tiger Rag.

Georg Grosz, Friedrichstraße 1922 -1923.

Maar het was ook een tijd van scherpe tegenstellingen, van onzekerheden en armoede. Men miste oriëntatie en voelde zich vervreemd of ontworteld. Schrijvers als Joseph Roth en Alfred Döblin legden daarvan getuigenis af in hun romans en krantenartikelen. Duitsland danste op een vulkaan.

De monarchist en maarschalk uit de Eerste Wereldoorlog, Paul von Hindenburg (1847 – 1934), was de in 1925 overleden Friedrich Ebert opgevolgd als Rijkspresident. In 1929 stierf de minister-president Stresemann plotseling aan een hersenbloeding.

Op 24 oktober 1929 daalden de koersen op Wall Street in een schrikbarend tempo. De VS kon Duitsland niet langer kredieten verstrekken, iedereen wilde zijn geld terug. Het aantal werklozen schoot omhoog tot bijna drie miljoen (in 1932 zouden dat er zes miljoen zijn).

Omdat men het in 1930 niet eens kon worden over de te voeren sociale politiek, viel de regering. Er stond intussen meer op het spel dan de hoogte van uitkeringen, maar de SPD wilde dit niet zien. Rechtse krachten uit industrie en landbouw waren het parlementaire getouwtrek zat en eisten een nieuwe politieke koers van Hindenburg. Heinrich Brüning (1885 – 1970) werd op 30 maart 1930 de nieuwe Rijkskanselier. Hij zette het parlement buiten spel en voerde een weinig actieve politiek, waarin vooral bezuinigingen centraal stonden. Dit bracht het land verder in een economische crisis, met alle gevolgen van dien. De partijen uiterst links en uiterst rechts, die steeds oppositie gevoerd hadden tegen de Weimarrepubliek, verzamelden nu plotseling samen ongeveer eenderde van de stemmen. Het einde van de Weimarrepubliek zou niet lang meer op zich laten wachten.

 Ontstaan en ondergang van de Weimarrepubliek (Planet Wissen; 59′):

 

 

Hitler Reichskanzler

Geen periode uit de Duitse geschiedenis is zo intensief bestudeerd als die van de Weimarrepubliek. Historici zijn het erover eens dat er vele en complexe oorzaken te noemen zijn voor het mislukken van de republiek:

 

Economisch: de zware last van de inflatie en de herstelbetalingen.

Juridisch: de te grote macht voor de Rijkspresident.

Maatschappelijk: de overgang van een agrarische naar een geïndustrialiseerde maatschappij, met alle sociale onzekerheden die daarmee gepaard gingen.

Politiek: sterke polarisatie en denken in vriend-vijand-tegenstellingen, geen bereidheid tot het sluiten van compromissen; internationaal was Duitsland als verliezer afhankelijk van andere landen.

Militair: de regering had geen zeggenschap over het leger. Het leger was een ‘staat in de staat’. De straat had het monopolie op geweld.

Cultureel: het nationaal-socialisme sloot in bepaalde opzichten goed aan bij een Duitse (culturele) traditie van romantisch nationalisme en utopisch denken. Het nationaal-socialisme kon zich op deze culturele bodem tot massabeweging ontwikkelen. (Daarover meer in het volgende hoofdstuk.)

 

Rijksdagbrand 1933

Vanaf het moment dat Hindenburg Hitler op grond van de grote verkiezingswinsten voor diens partij, de NSDAP, tot Rijkskanselier had gemaakt (30 januari 1933), leek de komst van een dictatuur onafwendbaar. Hindenburg hoopte echter dat er meer rust zou komen door Hitler te benoemen. Maar de Nazi’s wisten de politieke situatie uit te buiten en geleidelijk alle macht naar zich toe te trekken. Aanleiding was de brand in de Rijksdag. Waarschijnlijk werd deze onder andere door de Nederlander Van der Lubbe aangestoken (27 februari 1933). Op 23 maart kondigde Hitler een grondwetswijziging af, waardoor hij per decreet en zonder tussenkomst van de Rijksdag kon regeren (Ermächtigungsgesetz). Hiermee was er een einde aan de Weimarrepubliek gekomen.

 

Bekijk deze film over Hitlers Machtergreifung (14′):

 

Meer over de Weimarrepubliek vind je op de site van het Duitsland Instituut.

Tijdlijn 1918 tot 1945 – Duitsland Instituut

 

Wil je meer weten, lees dan deze boeken:

 

 

 

 

Literatuur in de Weimarrepubliek

 

Inleiding

 

Bauhaus is een voorbeeld van een nuchtere en zakelijke bouwstijl.

Het begrip Neue Sachlichkeit is rond 1923 ontstaan. De directeur van de Mannheimer Kunsthalle, Friedrich Hartlaub, wilde een tentoonstelling organiseren over Duitse schilderkunst na het expressionisme. Kenmerk van de tentoongestelde kunst was een zakelijke en objectieve weergave van de moderne tijd. Het ontstaan van de grote stad, de industrialisering, de sociale problematiek, de tegenstellingen tussen rijk en arm waren populaire thema’s.

Helemaal nieuw waren deze onderwerpen niet, want in de tijd van het realisme in de negentiende eeuw en rond de eeuwwisseling kozen kunstenaars en schrijvers ook vaak deze thema’s voor hun werk. Wat er veranderde was de wijze van waarneming en de weergave ervan. Nuchtere registratie zonder een te veel aan pathos werd de trend. Kunst als uitdrukking van een hevig verlangen naar een nog niet bestaande toekomst, zoals gedweep met utopieën, was in deze jaren na de Eerste Wereldoorlog uit de mode. In de literatuur werden journalistieke reportages  als voorbeelden van zakelijke registratie van de werkelijkheid gebruikt. Een manifest waarin het programma van de Nieuwe Zakelijkheid beschreven staat was er echter niet. Maar voor iedereen was duidelijk wat men bedoelde.

Een schilderij van Gustav Klimt (1867 – 1918), Der Kuß (1908) is karakteristiek voor de kunstrichting Jugendstil uit de tijd van de Jahrhundertwende. Het schilderij zit vol versieringen en verborgen symboliek. Een geheel andere sfeer ademt Georg Grosz (1893 – 1959), Selbstbildnis, 1927. De kunst van de Neue Sachlichkeit was kunst uit een crisistijd. Grosz heft zijn hand op en hij wil waarschuwen. Er zijn geen overbodige toevoegingen, of verborgen verwijzingen, de boodschap is direct duidelijk.

 

Jugendstil

Neue Sachlichkeit

 

Kabarett Größenwahn trad hier op. (Nu Kranzler café.)

De invloeden van symbolisten en expressionisten van rond de Jahrhundertwende waren niet direct verdwenen. Dichters die een conservatieve revolutie nastreefden, zoals de kring rond Stefan George, bleven volgelingen trekken. Maar met de nadruk op l’art pour l’art en de dichter als ziener en profeet, als hoeder van hogere waarden en beschaving, kon men steeds minder aanvangen.

De grote stad vroeg om vermaak, het cabaret had Gebrauchslyrik nodig. Het uit Amerika overgewaaide revuetheater, de kleinkunst, was een broedplaats voor nieuwe lyriek. Hierin gingen entertainment en spot, pure verstrooiing en scherpe maatschappijkritiek vaak hand in hand. De burgerman, de overheid en de schijnheilige dubbele moraal werden op de hak genomen.

De dingen werden bij hun naam genoemd, zakelijk, objectief en voor iedereen te begrijpen. Dichters die later beroemd zouden worden, zoals Tucholsky, Kästner en Brecht begonnen in de tijd van het cabaret hun loopbaan. Beroemd waren theaters als Schall und Rauch van Max Reinhardt (1873 – 1943) of Größenwahn, dat aan het begin van de Kurfürstendamm in Café des Westens (nu Kranzler) gevestigd was.

In deze theaters en café’s kon je  Es liegt in der Luft eine Sachlichkeit  op de muziek van de beroemde Russische componist Mischa Spoliansky (1898 – 1985) dagelijks horen.

Beluister het lied hier.   De tekst geeft het programma van Neue Sachlichkeit kernachtig weer en werd voor de tentoonstelling over Neue Sachlichkeit in Mannheim geschreven:

Es liegt in der Luft eine Sachlichkeit,
es liegt in der Luft eine Stachlichkeit,
es liegt in der Luft, es liegt in der Luft, in der Luft!
Es liegt in der Luft was Idiotisches,
es liegt in der Luft was Hypnotisches,
es liegt in der Luft, es liegt in der Luft, in der Luft,
und es geht nicht mehr raus aus der Luft!
Fort mit Schnörkel, Stuck und Schaden!
Glatt baut man die Hausfassaden.
Nächstens baut man Häuser bloß
Ganz und gar fassadenlos.
Krempel sind wir überdrüssig!
Fort die Möbel aus der Wohnung!
Fort mit was nicht hingehört!
Ich behaupte ohne Schonung:
Jeder Mensch, der da ist, stört!

– Auszug aus dem Titellied Es liegt in der Luft (Text: M. Schiffer.)

 

De invloed van de Verenigde Staten was groot, zowel in politiek als in economisch opzicht, in de Weimarrepubliek. De VS waren ook een voorbeeld voor de ontwikkeling van de techniek. De auto- en vliegtuigindustrie en de efficiëntere organisatie van het werk in de fabrieken door de lopende band (Fließband), hebben de Duitse industrie in de Weimarrepubliek een sterke impuls gegeven. Behalve de grote stad als nieuw fenomeen (Berlijn had vier miljoen inwoners), werd ook de techniek een belangrijk thema in het werk van de schrijvers en kunstenaars van de Neue Sachlichkeit.

Informatie over Industrialisierung: Fließband – Gesellschaft met daarin een radio-uitzending over de opening van de Ford-fabrieken vind je bij Planet Wissen.

 

Babylon Berlin is een spannende film die in het Berlijn van de jaren 20 speelt. (regie: Tom Tykwer, 2019) Link

Maar het beeld van Amerika werd toch vooral bepaald door de glamour in de revue-theaters en het optreden van groepen als de Scala Girls. De andere kant van deze Goldener Zwanziger waren de grote politieke en culturele tegenstellingen, de armoede in de ‘woonkazernes’ en de wankele financiële basis waarop de republiek zich bevond. De relatieve welvaart in de jaren twintig was feitelijk een dans op de vulkaan.

De politieke tegenstellingen en de gevechten op straat werden ook in het culturele leven weerspiegeld. Literatuur was koopwaar en onderhevig aan marktwerking. Door persconcentratie en het ontstaan van grote uitgeverijen diende zich de vraag aan in hoeverre men zich door economische belangen moest laten leiden bij literatuur en kunst.

Op dit spannende boek is de film Babylon Berlin gebaseerd.

Schrijvers organiseerden zich in vakbonden. In 1909 werd een schrijversbond opgericht (Schutzverband Deutscher Schriftsteller, SDS) om voor de rechten van schrijvers op te kunnen komen en tegen censuur te strijden. In 1921 ontstond de PEN-club (die nog steeds bestaat) en in 1928 organiseerden linkse schrijvers zich in de Bund Proletarisch-Revolutionärer Schriftsteller (BPRS). Ook de nationaal-socialisten hadden hun eigen vakbond. Van censuur was aanvankelijk nog geen sprake. Na de aanslag op Rathenau (1922) kwamen er vrijheidsbeperkingen en ontstond er controle op publicaties. Vanaf 1931 werd de Pressenotverordnung in het leven geroepen. Kleinere kritische tijdschriften zoals Die Weltbühne en Der Fackel moesten het opnemen tegen het pers-imperium van Alfred Hugenberg. Verder was literatuur in een concurrentiestrijd verwikkeld met andere, nieuwe media, zoals radio en film.

 

 

Samengevat is Neue Sachlichkeit een reactie op het extatische van het expressionisme.

Het is een stroming in de literatuur, de architectuur, kunst en design na de Eerste Wereldoorlog, waarin de nadruk wordt gelegd op de aandacht voor het alledaagse en waarin kunst als gebruikskunst wordt beschouwd.

Kenmerkend zijn nuchtere, zakelijke en soms ook een cynische weergave van de werkelijkheid, het is een nieuw soort realisme. Thema’s zijn bijvoorbeeld het moderne leven in de grote stad, de ontwikkeling van de techniek en de sociale tegenstellingen.

 

Toonaangevend in deze tijd was Bauhaus, een hogeschool voor de kunsten die in 1919 opgericht werd.

 

Bauhaus

Het Bauhaus was een hogeschool voor kunst, architectuur en design, die in 1919 in Weimar opgericht en later naar Dessau verplaatst werd. In 1933 werd de opleiding opgeheven. Eén van de oprichters was Walter Gropius (1883 – 1969). Na alle oorlogsellende wilde Gropius door oefening in kunst, ambacht en techniek de wereld verbeteren. Bauhaus was een echte Werkstatt, een werkplaats voor een modernere en betere wereld.

Gropius legde grote nadruk op het handwerk en de omgang met de materialen en objecten, zoals in de middeleeuwse gilden. Wie zich daarin bekwaamde, leerde de theorie vanzelf. Iedereen kon in principe aan de school studeren, zonder zwaar toelatingsexamen. Kunst mocht niet elitair zijn, maar moest voor iedereen toegankelijk worden, dat was één van zijn principes. Staal, glas en beton waren de materialen waarmee bij voorkeur gewerkt werd.

Architectuur moest nuchter en functioneel zijn, in dienst van de samenleving staan. Typische voorbeelden van Bauhaus zijn kindvriendelijke woningen met praktische inbouwkeukens in woonwijken met sociale woningbouw. Voor het interieur werden doelmatige gebruiksvoorwerpen ontworpen, zoals stoelen, lampen en servies. De Bauhaus-kunstenaars lieten zich niet in de eerste plaats door het principe van schoonheid en ornament leiden, maar door eenvoud en doelmatigheid van de gebruikte materialen. Schoonheid werd bepaald door het principe van doelmatigheid en eenvoud, zo vond men.

Samenwerking in een team werd als essentieel beschouwd. De architect of kunstenaar stond in dienst van de samenleving en hij mocht zich niet puur door zijn subjectieve gevoelens laten leiden. Deze nieuwe vorm van kunstbeoefening beschouwde Gropius tevens als een bijdrage aan een betere en democratische maatschappij.

Bauhaus wilde mensen, bij voorkeur met verschillende denkbeelden, bij elkaar brengen. Woningen waren dan ook meestal complexen van meer huizen bij elkaar, waar je niet om elkaar heen kon. Het aantal zelfstandige woningen dat Gropius ontwierp zijn op één hand te tellen. Maar wel zijn er van hem overal in de wereld talloze woonwijken, fabrieken en voorwerpen in massaproductie gemaakt, te vinden.

Bauhaus-wieg

Later zouden anderen het werk van Gropius voortzetten, zoals Hannes Meyer en Ludwig Mies van der Rohe. Ook de de Zwitser Paul Klee (1879 – 1940) heeft geruime tijd als docent voor Bauhaus gewerkt. Hij heeft een grote bijdrage geleverd aan de vormen- en kleurenleer van Bauhaus.

Hij vond dat je om de wereld te kunnen begrijpen en te veranderen nieuwe uitdrukkingsvormen nodig had. Als kunstenaar had je niet zozeer de taak om het zichtbare weer te geven (denk aan een simpele foto), maar om achter de verschijnselen te kijken en het wezenlijke ervan te verbeelden en zichtbaar te maken.

Bauhaus heeft altijd sterk de nadruk gelegd op het verbinden van vorm en doel waarvoor iets gemaakt is. Het handwerk moest steeds weer vervolmaakt worden. Een conflict ontstond er toen sommige kunstenaars en architecten vergaten de krant te lezen en zich vervreemdden van de maatschappij waarvan zij in dienst stonden.

Sinds de opkomst van het nationaal-socialisme werd de school gesloten, ook al hebben de Nazi’s wel ideeën van Bauhaus overgenomen. Sommige aanhangers van Bauhaus verlieten Duitsland uit overtuiging, andere omdat ze geen opdrachten meer kregen.

Tijdens en na de oorlog heeft Bauhaus zich vooral in de Verenigde Staten en Israel verder ontwikkeld en, toen dat weer kon, ook in Duitsland. In 1955 werd in Ulm de Hochschule für Gestaltung opgericht, als voortzetting van Bauhaus.

In Berlijn kun je verschillende heel bijzondere wijken vinden die volgens het principe van Bauhaus gebouwd zijn. In 2022 is het nieuwe Bauhaus-museum in Berlijn gereed.

Een film over Bauhaus vind je onder andere bij Arte.

 

Bekijk deze film voor een kort overzicht van Neue Sachlichkeit in de literatuur:

 

 

Neue Sachlichkeit: Beroemde schrijvers

 

Bertolt Brecht

 

Bertolt Brecht (1898 – 1956) werd in Augsburg geboren. Zijn vader was directeur van een papierfabriek. In 1917 vertrok  Brecht naar München en vanaf 1924 verhuisde hij naar Berlijn. In 1922 ontving hij de Kleist-Preis voor zijn werk Trommeln in der Nacht. Dit stuk gaat over de Spartakus-opstand.

In 1928 werd in Berlijn de Dreigroschenoper voor het eerst opgevoerd. Hiermee is Brecht in de hele wereld beroemd geworden. In 1933 verliet hij Duitsland en kwam hij via omwegen uiteindelijk in 1941 in de Verenigde Staten terecht. Na de oorlog keerde hij terug naar Duitsland, waar hij vanaf 1949 tot zijn dood aan het Theater am Schiffbauerdamm in Oost-Berlijn (DDR) verbonden is geweest.

 

Over zijn jeugd schrijft Brecht:

… ich bin aufgewachsen als Sohn wohlhabender Leute. Meine Eltern haben mir einen Kragen umgebunden und mich erzogen in den Gewohnheiten des Bedientwerdens und unterrichtet in der Kunst des Befehlens. Aber als ich erwachsen war und um mich sah gefielen mir die Leute um mich nicht.

 

Brecht staat vooral te boek als dichter en toneelschrijver van marxistische stukken. In zijn kleding probeerde hij zich ook heel bewust het uiterlijk van een proletariër te geven. Maar welbeschouwd lukte het hem niet altijd zijn burgerlijke en chique komaf te verbergen. De typische Brecht-look bestond uit op maat gesneden kleding en had weinig gemeen met het vaak armoedige uiterlijk van de gemiddelde arbeider in Berlijn van de jaren twintig.

Brechts verhuizing naar Berlijn in 1924 betekende een keerpunt in zijn leven. Hij is dan nog maar 26 jaar, maar heeft dan al een tamelijk woest en enigszins burgerlijk leven met verschillende zogenaamde open relaties met vrouwen achter de rug. Helene Weigel, met wie hij heel zijn verdere leven samen is, was toen inmiddels zwanger van hem. Brecht had drie kinderen. De zoon van Helene Weigel zou zijn tweede zoon en derde (jongste) kind worden.

Berlijn betekende kennismaking met de nieuwe onoverzichtelijke wereld van de grote stad. Het woord ‘vervreemding’ was niet van de lucht. De lopende band, de massaproductie van waren in serie en de groeiende klasse van industriearbeiders opende hem de ogen voor de maatschappelijke nood.

Twee vrouwen die een belangrijke rol zouden blijven spelen in het leven van Brecht:

Helene Weigel (1900 – 1971)

Elisabeth Hauptmann (1897 – 1973)

De onrust in hemzelf beschouwde Brecht als deel van de onrust en instabiliteit van de nieuwe tijd. Hier zocht hij een antwoord op. De nostalgische sfeer in sommige (revue-)theaters, vaak met de Verenigde Staten als ideaalbeeld, beviel hem niet. Brecht zocht een andere oplossing voor de maatschappelijke problemen dan de vlucht in pure entertainment. Die oplossing vond hij pas echt toen hij Marx en Lenin ging lezen.

Theater moest iets anders worden dan expressionistisch of absurd vermaak. Theater moest het publiek opvoeden en het de ogen openen voor hoe het in de wereld toegaat, zakelijk en objectief. Brecht formuleerde het zo:

 

Ich bin für das epische Theater. (Schriften zum Theater, Bd. 2, 267 e.v.)

 

Brecht neemt van Karl Marx (1818 – 1883) het begrip ‘denken in tegenspraken’ over, hij noemt dat dialectiek. Marx heeft dit begrip weer van zijn leermeester G.W.F. Hegel (1770 – 1831) overgenomen. Hierbij gaat het om een wijze van redeneren die gangbare denkbeelden en zekerheden ter discussie stelt. Om dit duidelijk te maken wordt vaak verwezen naar Brechts Geschichten vom Herrn Keuner.

 

Das Wiedersehen

Ein Mann, der Herrn K. lange nicht gesehen hatte, begrüßte ihn mit den Worten: “Sie haben sich gar nicht verändert.” “Oh!” sagte Herr K. und erbleichte.

 

U bent helemaal niet veranderd, zegt de man, misschien als compliment bedoeld, maar Herr K. vat dit anders op. Zijn opmerking verandert in zijn tegendeel en wordt kritiek op starheid en onveranderlijkheid. Dialectiek is een proces van voortdurend in beweging zijn, zoals de maatschappij (volgens Marx) een voortdurende geschiedenis is van strijd tussen heer en knecht (kapitalist en arbeider). Deze strijd brengt de geschiedenis op een steeds hoger plan, van these, via antithese tot synthese, enzovoort. Tot de klassenloze maatschappij is bereikt.

Het gedicht Der Radwechsel wordt wel genoemd als voorbeeld van denken in tegenstellingen en voortdurende beweging:

 

Der Radwechsel (1953):

Ich sitze am Straßenhang.
Der Fahrer wechselt das Rad.
Ich bin nicht gern, wo ich herkomme.
Ich bin nicht gern, wo ich hinfahre.
Warum sehe ich den Radwechsel
mit Ungeduld?

 

Een ander aspect van episch theater zijn de V-Effekte, het publiek wakker en op afstand houden door ze te verrassen, te vervreemden. Theater moet immers onderwijzen. Een theater waarbij het publiek zich kan vereenzelvigen met de rollen van de spelers wil Brecht daarom vermijden. Er moet afstand, distantie geschapen worden, zodat het publiek gaat nadenken over het op toneel voorgestelde probleem. Het publiek moet tot inzicht komen. Dit wordt bereikt door montage: het spel wordt onderbroken door songs, filmfragmenten of het tonen van spandoeken met tekst. Of een verteller treedt op en geeft commentaar op wat er gespeeld wordt.

De vervreemding die zo ontstaat zorgt voor het vermijden van identificatie en illusie. Theater wordt op deze manier een Lehrtheater, er moet iets getoond en onderwezen worden, het publiek moet tot nadenken aangezet worden.

 

Dreigroschenoper

Een goed voorbeeld van episch theater is Die Dreigroschenoper (1928). De opera is wereldberoemd en ook verfilmd. Hierin komt het bekende Brechtcitaat voor:

Erst komt das Fressen dann die Moral.

Brecht heeft The Beggar’s Opera (1728) van John Gay als uitgangspunt genomen en grondig bewerkt. Elisabeth Hauptmann, die beter Engels kende dan Brecht, heeft hem hierbij geholpen. Het stuk wordt gekenmerkt door songs die Kurt Weill van moderne jazz-muziek heeft voorzien.

De opera opent met de beroemde Moritat van Mackie Messer:

De muziek kun je hier beluisteren in een klassieke uitvoering door Lotte Lenya.

Louis Armstrong zingt Mack the Knife.

 

Die Dreigroschenoper
Ouvertüre
Sie werden jetzt eine Oper für Bettler hören. Und weil diese
Oper so prunkvoll gedacht war, wie nur Bettler sie erträu-
men – und weil sie doch so billig sein sollte, ‘ dass nur Bett-
ler sie bezahlen können, heisst sie die Dreigroschenoper.
Zuerst hören Sie eine Moritat über den Räuber Macheath,
genannt Mackie Messer.

 

1. AKT
Jahrmarkt in Soho. Die Bettler betteln, die Diebe stehlen,
die Huren huren. Ein Moritatensänger singt eine Moritat.

 

Die Moritat von Mackie Messer
Und der Haifisch, der hat Zähne,
Und die trägt er im Gesicht,
Und Macheath, der hat ein Messer,
Doch das Messer sieht man nicht.
Ach, es sind des Haifischs Flossen
Rot, wenn dieser Blut vergiesst.
Mackie Messer trägt ‘nen Handschuh,
Drauf man keine Untat liest.
An ‘nem schönen blauen Sonntag
Liegt ein toter Mann am Strand,
Und ein Mensch geht um die Ecke,
Den man Mackie Messer nennt.
Und Schmul Meier bleibt verschwunden
Und so mancher reiche Mann,
Und sein Geld hat Mackie Messer,
Dem man nichts beweisen kann.

 

Von links nach rechts geht Peachum mit Frau und Tochter
über die Bühne spazieren.

 

Jenny Towler ward gefunden
Mit ‘nem Messer in der Brust,
Und am Kai geht Mackie Messer,
Der von allem nichts gewusst.
Und das grosse Feuer in Soho:
Sieben Kinder und ein Greis –
In der Menge Mackie Messer, den
Man nicht fragt, und der nichts weiss.
Und die minderjährige Witwe,
Deren Namen jeder weiss,
Wachte auf und war geschändet –
Mackie, welches war dein Preis?
Wachte auf und war geschändet –
Mackie, welches war dein Preis?

 

Unter den Huren ein Gelächter, und aus ihrer Mitte löst
sich ein Mensch und geht rasch über den ganzen Platz weg

 

Het verhaal

Het verhaal speelt zich af in London in de negentiende eeuw. Twee koopmannen, criminelen zijn met elkaar in concurrentie. Eén van hen is Jonathan Peachum. Hij weet de Londonse onderwereld naar zijn hand te zetten. De ander is de misdadiger Macheath, die het op een akkoordje weet te gooien met de corrupte politie. De dochter van Peachum, Polly, is verliefd op Macheath en trouwt met hem. Peachum zit dit allemaal niet lekker, bovendien vreest hij dat zijn zaak met Macheath als schoonzoon ten onder gaat. Hij wil daarom dat de politiechef, Tiger Brown, ingrijpt en Macheath arresteert. Maar hij weet eerst te ontkomen en vlucht. Als hij later toch gegrepen wordt, wordt hij ter dood veroordeeld. Hij zal opgehangen worden. Dan neemt het stuk plotseling een geheel andere loop. Een toevallig langsrijdende bode te paard verleent in naam van de koningin gratie aan Macheath en hij wordt zelfs in de adelstand verheven.

 

Waar draait het om?

 

Criminele praktijken worden goedgepraat.

Er is niet veel verschil tussen burgers en misdadigers.

Gangster sind beinahe harmlos, verglichen mit den Geschäften des Bürgertums. Was ist ein Einbruch in eine Bank gegen die Gründung einer Bank? (B. Brecht.)

Misdadigers zijn bijna onschuldig in vergelijking met de zaken van de gewone burger. Waarin verschilt een bankkraak van de oprichting van een bank?

 

Brecht wil vooroordelen ontmaskeren en doorbreken. Hij wijst in dit stuk op de overeenkomsten tussen ideeën en gevoelens van de gewone burger en de straatbandieten. De crimineel Macheath wordt daarom als een burgermannetje voorgesteld en Polly is behalve de bruid van een crimineel tevens de dochter van een koopman. Het stuk wil Lehren und Aufklären, het wil ophelderen en verduidelijken, alles in de vorm van een provocatie, zodat het publiek gaat nadenken.

 

Die Vorliebe des Bürgertums für Räuber erklärt sich aus dem Irrtum: ein Räuber sei kein Bürger. Dieser Irrtum hat als Vater einen anderen Irrtum: ein Bürger sei kein Räuber.

Waarom burgers zo graag naar bandieten kijken? Dat is omdat zij denken dat zij anders zijn. Hieraan ligt deze denkfout van de burger ten grondslag, namelijk dat burgers werkelijk andere mensen zouden zijn dan bandieten. (vert. JK)

 

Een andere beroemde song uit de Dreigroschenoper is de Ballade von der Unzulänglichkeit menschlichen Planens. Je kunt hem hier lezen en beluisteren in een uitvoering van 1929.

Andere voorbeelden van populaire Lehrstücke van Brecht zijn Der gute Mensch von Sezuan (1938), Das Leben des Galilei (1939) en Der Kaukasische Kreidekreis (1949). Als hij aan deze stukken werkt, heeft hij Duitsland allang moeten verlaten.

 

Meer over Brecht en de Dreigroschenoper vind je bij Planet Schule.

Radiouitzending over Kurt Weill en de première van de Dreigroschenoper (13′):

 

 

Hauspostille

 

 

Behalve van zijn maatschappijkritische kant, heeft Brecht zich ook van een heel andere kant laten zien. Toen hij naar Berlijn kwam had hij al veel gedichten geschreven en verzameld. In 1927 werd de bundel Hauspostille uitgegeven. (Een Hauspostille is oorspronkelijk een verzameling preken voor huiselijk gebruik geschreven. Van Luther o.a. is ook een Hauspostille bekend.) Het dichten heeft hij zijn hele leven vrijwel dagelijks volgehouden. Je komt in zijn bundels heel subjectieve ontboezemingen of romantische natuurbeschrijvingen tegen.

Een beroemd expressionistisch gedicht uit 1920 is Erinnerung an die Marie A. Het is een soort liefdeslied ter herinnering aan een jeugdliefde.

Een geheel andere sfeer ademt het autobiografische gedicht Vom armen BB uit 1926, dat als typerend voor de Neue Sachlichkeit beschouwd kan worden.

 

Beluister het gedicht Erinnerung an die Marie A. :

 

Erinnerung an die Marie A.

1
An jenem Tag im blauen Mond September
Still unter einem jungen Pflaumenbaum
Da hielt ich sie, die stille bleiche Liebe
In meinem Arm wie einen holden Traum.
Und über uns im schönen Sommerhimmel
War eine Wolke, die ich lange sah
Sie war sehr weiß und ungeheuer oben
Und als ich aufsah, war sie nimmer da.

2
Seit jenem Tag sind viele, viele Monde
Geschwommen still hinunter und vorbei
Die Pflaumenbäume sind wohl abgehauen
Und fragst du mich, was mit der Liebe sei?
So sag ich dir: Ich kann mich nicht erinnern.
Und doch, gewiß, ich weiß schon, was du meinst
Doch ihr Gesicht, das weiß ich wirklich nimmer
Ich weiß nur mehr: Ich küsste es dereinst.

 

 

 

3
Und auch den Kuss, ich hätt’ ihn längst vergessen
Wenn nicht die Wolke da gewesen wär
Die weiß ich noch und werd ich immer wissen
Sie war sehr weiß und kam von oben her.
Die Pflaumenbäume blühn vielleicht noch immer
Und jene Frau hat jetzt vielleicht das siebte Kind
Doch jene Wolke blühte nur Minuten
Und als ich aufsah, schwand sie schon im Wind.

 

Vom armen BB

Het gedicht Vom armen BB is een zelfportret van de jonge dichter BB. Het is karakteristiek voor Neue Sachlichkeit.

De woorden schwarz, Kälte en Absterben vallen direct op. In de tweede strofe is sprake van de grote stad als Asphaltstadt, waarin het zwart en de koude terug te vinden zijn. Maar kranten, tabak en brandewijn maken veel goed, ook al kondigen ze het einde van het leven reeds aan: Sterbsakrament. Een zekere arrogantie en afstandelijke omgang met vrouwen steekt hij niet onder stoelen of banken. De typische Brecht-Look wordt gecultiveerd, de gentleman met hoed voelt zich wel thuis in de stad. Amerika gold als ideaal of voorbeeld voor het achtergebleven Duitsland in de jaren twintig. Maar Brecht is hier ook kritisch. Wat blijft er over van Manhattan? Wind en nichts Nennenswertes. Brecht kende het boek Prediker uit de bijbel goed, hij had een calvinistische opvoeding gehad. Alles is ijdelheid, ook de nieuwe wereld van de Großstadt met zijn vertier zal vergaan.

Het wordt hier allemaal zonder pathos, koel en zakelijk vastgesteld. Hooguit blijft er een vage emotionele herinnering aan vroegere tijden in den Wäldern (Brechts ouders kwamen oorspronkelijk uit het Schwarzwald).

 

Vom armen BB

1 Ich, Bertolt Brecht, bin aus den schwarzen Wäldern.
Meine Mutter trug mich in die Städte hinein,
Als ich in ihrem Leibe lag.
Und die Kälte der Wälder Wird in mir bis zu meinem Absterben sein.

2 In der Asphaltstadt bin ich daheim.
Von allem Anfang Versehen mit jedem Sterbsakrament:
Mit Zeitungen. Und Tabak. Und Branntwein.
Misstrauisch und faul und zufrieden am Ende.

3 Ich bin zu den Leuten freundlich.
Ich setze Einen steifen Hut auf nach ihrem Brauch.
Ich sage: es sind ganz besonders riechende Tiere,
Und ich sage: es macht nichts, ich bin es auch.

4 In meine leeren Schaukelstühle vormittags
Setze ich mir mitunter ein paar Frauen,
Und ich betrachte sie sorglos und sage ihnen:
In mir habt ihr einen, auf den könnt ihr nicht bauen.

5 Gegen Abend versammle ich um mich Männer,
Wir reden uns da mit “Gentleman” an.
Sie haben ihre Füße auf meinen Tischen
Und sagen: Es wird besser mit uns. Und ich frage nicht: Wann?

 

6 Gegen Morgen in der grauen Frühe pissen die Tannen,
Und ihr Ungeziefer, die Vögel, fängt an zu schreien.
Um die Stunde trink ich mein Glas in der Stadt aus und schmeiße
Den Tabakstummel weg und schlafe beunruhigt ein.

7 Wir sind gesessen ein leichtes Geschlecht
In Häusern, die für unzerstörbare galten
(So haben wir gebaut die langen Gehäuse des Eilands Manhattan
Und die dünnen Antennen, die das Atlantische Meer unterhalten).

8 Von diesen Städten wird bleiben: der durch sie hindurchging, er Wind!
Fröhlich macht das Haus den Esser; er leert es.
Wir wissen, daß wir Vorläufige sind,
Und nach uns wird kommen: nichts Nennenswertes.

9 Bei den Erdbeben, die kommen werden, werde ich hoffentlich
Meine Virginia nicht ausgehen lassen durch Bitterkeit,
Ich Bertolt Brecht, in die Asphaltstädte verschlagen
Aus den schwarzen Wäldern, in meiner Mutter, in früher Zeit.

 

Lutz Görner over de Hauspostille en Vom armen BB:

 

Meer over Brecht vind je in de volgende hoofdstukken over de tijd na de Tweede Wereldoorlog.

 

Kurt Tucholsky

 

De grootste criticus van het Duitsland tussen de beide wereldoorlogen was de schrijver-journalist Kurt Tucholsky (1890 – 1935).

Onder verschillende pseudoniemen – o.a. Kaspar Hauser, Theobald Tiger en Peter Panther – schreef hij over de wereld om hem heen in kranten en tijdschriften.

Hij was een groot satiricus die met ironie en Wortwitz (woordgrappen) velen belachelijk maakte.

Sprache ist eine Waffe. Haltet sie scharf!

Voorbeeld hiervan is het Lied vom Kompromiss, dat de periode na de Novemberrevolutie in 1919 beschrijft. Hierin sluiten politieke tegenstanders – ‘Schwarz’ zijn de rechtse, burgelijke partijen en ‘Rot’ de linkse sociaaldemocraten – met elkaar een compromis om de communisten niet aan de macht te laten komen. De sociaaldemocraat Friedrich Ebert speelde daarbij een belangrijke rol.

Net als veel andere liederen van Tucholsky werd dit op muziek gezet door Hanns Eisler, een bekende componist uit die dagen, die ook voor Brecht werkte.

 

Das Lied van Kompromiss  kun je hier lezen en beluisteren.

 

Das Lied vom Kompromiss

Beluister het gedicht.

Manche tanzen manchmal wohl ein Tänzchen
immer um den heißen Brei herum,
kleine Schweine mit dem Ringelschwänzchen,
Bullen mit erschrecklichem Gebrumm.
Freundlich schaun die Schwarzen und die Roten,
die sich früher feindlich oft bedrohten.
Jeder wartet, wer zuerst es wagt,
bis der eine zu dem andern sagt:
„Schließen wir nen kleine Kompromiß!
Davon hat man keine Kümmernis.
Einerseits – und andrerseits –
so ein Ding hat manchen Reiz …
Sein Erfolg in Deutschland ist gewiß:
Schließen wir nen kleinen Kompromiß!“

Seit November klingt nun dies Gavottchen.
Früher tanzte man die Carmagnole.
Doch Germania, das Erzkokottchen,
wünscht, das diesen Tanz der Teufel hol.
Rechts wird ganz wie früher lang gefackelt,
links kommt Papa Ebert angewackelt.
Wasch den Pelz, doch mach mich bloß nicht naß!
Und man sagt: „Du, Ebert, weißt du was:
„Schließen wir nen kleine Kompromiß!
Davon hat man keine Kümmernis.
Einerseits – und andrerseits –
so ein Ding hat manchen Reiz …
Sein Erfolg in Deutschland ist gewiß:
Schließen wir nen kleinen Kompromiß!“

 

Seit November tanzt man Menuettchen,
wo man schlagen, brennen, stürzen sollt.
Heiter liegt der Bürger in dem Bettchen,
die Regierung säuselt gar so hold.
Sind die alten Herren auch rot bebändert,
deshalb hat sich nichts bei uns geändert.
Kommts, daß Ebert hin nach Holland geht,
spricht er dort zu einer Majestät:
„Schließen wir nen kleine Kompromiß!
Davon hat man keine Kümmernis.
Einerseits – und andrerseits –
so ein Ding hat manchen Reiz …“
Und durch Deutschland geht ein tiefer Riß.
Dafür gibt es keinen Kompromiß!

 

De Eerste Wereldoorlog was een thema dat in de literatuur van de Neue Sachlichkeit steeds weer opdook. Tucholsky was één van de schrijvers die om zijn scherpe antimilitarisme bekend stond. Ook zijn kritiek op het opkomende fascisme stak hij niet onder stoelen of banken. Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij als één van de eersten na de machtsovername door Hitler, Duitsland moest verlaten. Depressief en uitgeput stierf hij op jonge leeftijd in Zweden.

 

Beluister de gedichten Der Graben (1926) en Das dritte Reich (1930):

 

Der Graben

Mutter, wozu hast du deinen aufgezogen?
Hast dich zwanzig Jahr mit ihm gequält?
Wozu ist er dir in deinen Arm geflogen,
und du hast ihm leise was erzählt?
Bis sie ihn dir weggenommen haben.
Für den Graben, Mutter, für den Graben.

Junge, kannst du noch an Vater denken?
Vater nahm dich oft auf seinen Arm.
Und er wollt dir einen Groschen schenken,
und er spielte mit dir Räuber und Gendarm.
Bis sie ihn dir weggenommen haben.
Für den Graben, Junge, für den Graben.

Drüben die französischen Genossen
lagen dicht bei Englands Arbeitsmann.
Alle haben sie ihr Blut vergossen,
und zerschossen ruht heut Mann bei Mann.
Alte Leute, Männer, mancher Knabe
in dem einen großen Massengrabe.

Seid nicht stolz auf Orden und Geklunker!
Seid nicht stolz auf Narben und die Zeit!
In die Gräben schickten euch die Junker,
Staatswahn und der Fabrikantenneid.
Ihr wart gut genug zum Fraß für Raben,
für das Grab, Kameraden, für den Graben!

Werft die Fahnen fort! Die Militärkapellen
spielen auf zu euerm Todestanz.
Seid ihr hin: ein Kranz von Immortellen –
das ist dann der Dank des Vaterlands.

Denkt an Todesröcheln und Gestöhne.
Drüben stehen Väter, Mütter, Söhne,
schuften schwer, wie ihr, ums bißchen Leben.
Wollt ihr denen nicht die Hände geben?
Reicht die Bruderhand als schönste aller Gaben
übern Graben, Leute, übern Graben -!

Das dritte Reich

„Es braucht ein hohes Ideal
der nationale Mann,
daran er morgens allemal
ein wenig turnen kann.

Da hat die deutsche Manneskraft
in segensreichen Stunden
als neueste Errungenschaft
ein neues Ideal erfunden:

Es soll nicht sein das erste Reich
es soll nicht sein das zweite Reich…
das dritte Reich?
Bitte sehr, bitte gleich!

Wir dürfen nicht mehr massisch sein
wir müssen durchaus rassisch sein
und freideutsch, jungdeutsch, heimatwolkig
und bündig, völkisch, volkisch, volkig…

Und das sind wir:
ein Blick in die Statistik:
Wir fabrizieren viel.
Am meisten nationale Mistik.“

 

K. Tucholsky: Soldaten sind Mörder. (Beluister de radiouitzending; 4′).

Tucholsky werd in zijn tijd veel gelezen. Hij publiceerde onder andere in de pacifistische krant Das Andere Deutschland. Maar degenen die hij wilde bereiken met zijn kritische gedichten lazen andere kranten. De vaders en moeders die Tucholsky op het oog had in zijn gedicht Der Graben hadden andere ideeën. Zij geloofden juist in sterven voor het vaderland als een heilig offer. Over zichzelf heeft Tucholsky dan ook gezegd dat hij misschien wel enig succes had, maar dat hij met zijn werk zonder enige invloed is gebleven.

Een geslaagde liefdesroman, die Tucholsky schreef om snel aan geld te komen, heet Schloss Gripsholm (1931). Hierin geeft hij tevens een analyse en een beeld van een land, dat in zijn ogen niet meer te redden was.

Ein Pyrenäenbuch (1927) neemt een aparte plaats in het werk van Tucholsky in. Onder het pseudoniem Peter Panter schreef Tucholsky korte reisverslagen voor de Vossiche Zeitung en de Weltbühne. Hierin schreef hij met veel waardering voor de Fransen bijvoorbeeld over stierengevechten, het bedevaartsoord Lourdes en over de schilder Henri Toulouse-Lautrec, die in de stad Albi geboren is.

Lang voordat Mitterand en Kohl elkaar in Verdun eindelijk de hand reikten (22 september 1984), maakte Tucholsky zich sterk voor Völkerverständigung. Een Pyreneeënboek besluit hij met de woorden:

Ich habe mich nicht in dir verloren – ich habe mich wiedergefunden, wenn ich mich verloren hatte. Du hast gegeben und gegeben, geliehen und verschenkt – ich war so arm. Ich bin so reich. Und nun gibt es keine Vorbehalte mehr, keine Kritik und keine Betrachtungsweisen –: da stehe ich auf der Brücke und bin wieder mitten in Paris, in unser aller Heimat. Da fließt das Wasser, da liegst du, und ich werfe mein Herz in den Fluß und tauche in dich ein und liebe dich.

 

 Beluister deze radiouitzending Lerne lachen, ohne zu weinen, over het leven van Kurt Tucholsky (22′):

 

De werken van Tucholsky vind je online bij Projekt Gutenberg.

Een klein Tucholsky-museum bevindt zich in het prachtige Schloss Rheinsberg.

 

 

Erich Maria Remarque

 

 

Remarque (1898 – 1970) is vooral bekend vanwege zijn grote anti-oorlogsroman Im Westen nichts Neues (1929). Het boek verscheen eerst in afleveringen in de Vossische Zeitung. Als boek verscheen het in hetzelfde jaar als Ernest Hemingways A Farewell to Arms. In 1930 werd de roman verfilmd. Goebbels (toen verantwoordelijk voor propaganda) organiseerde de protesten tegen de film. In 1933 eindigde het boek op de brandstapel met de woorden:

Gegen den literarischen Verrat am Soldaten des Weltkrieges, für Erziehung des Volkes im Geiste der Wahrhaftigkeit! Ich übergebe der Flamme die Schriften von Erich Remarque. (Neuköllner Tageblatt, 12.5.1933.)

 

Link naar film over boekverbranding op 10 mei 1933 (3′).

Boekverbranding 1933, Berlijn.

Gedenkteken op de Bebelplatz (Berlijn) ter herinnering aan boekverbranding.

Het boek opent met de zinnen:

Dieses Buch soll weder eine Anklage noch ein Bekenntnis sein. Es soll nur den Versuch machen, über eine Generation zu berichten, die vom Kriege zerstört wurde – auch wenn sie seinen Granaten entkam. (p. 5)

Het slot beschrijft de dood van de hoofdpersoon, Paul Bäumer. Bäumer is als laatste van zijn schoolklas nog in leven. Over zijn dood in oktober 1918 staat het volgende bericht in het verslag van de legerleiding:

Er fiel im Oktober 1918, an einem Tage, der so ruhig und still war an der ganzen Front, dass der Heeresbericht sich nur auf den Satz beschränkte, im Westen sei nichts Neues zu melden.
Er war vorübergesunken und lag wie schlafend an der Erde. Als man ihn umdrehte, sah man, dass er sich nicht lange gequält haben konnte; – sein Gesicht hatte einen so gefassten Ausdruck, als wäre er beinahe zufrieden damit, dass es so gekommen war. (p. 263)

Im Westen nichts Neues is in een zakelijke stijl van een reportage geschreven. Je vindt nergens emotionele verontwaardiging of verheerlijking van het leven van de soldaten aan het front in de beschrijvingen. Vanuit het standpunt van Paul Bäumer wordt verslag gedaan van hoe een groep schoolkameraden met enthousiasme de oorlog in gaat. Geleidelijk aan ebt het enthousiasme weg en worden ze onverschillig. Ook van hun kameraadschap blijft niets over. Gaandeweg treedt er een verdere verruwing op.

Wären wir 1916 heimgekommen, wir hätten aus dem Schmerz und der Stärke unserer Erlebnisse einen Sturm entfesselt. Wenn wir jetzt zurückkehren, sind wir müde, zerfallen, ausgebrannt, wurzellos und ohne Hoffnung. Wir werden uns nicht mehr zurechtfinden können. (p. 261)

Een ander spannend boek van Remarque is Der schwarze Obelisk (1956). Dit speelt in de jaren twintig in de Weimarrepubliek. Het zit vol symboliek en bevat verwijzingen naar het het leven van Remarque.

 

Biografie van Erich Maria Remarque.

Een museum, het Erich Maria Remarque-Friedeszentrum, bevindt zich in Osnabrück.

Interessante radiouitzending over Im Westen nichts Neues (br2, 22′):

 

 

Joseph Roth

 

 

 

 

 

 

Es handelt sich nicht mehr darum, zu dichten. Das wichtigste ist das Beobachtete. (Joseph Roth in: Flucht ohne Ende.)

 

Biografie

Joseph Roth (1894 – 1939) werd geboren in Brody, een kleine stad op de grens met het toen nog tsaristische Rusland. Brody lag in de provincie Galicië, in het uiterste oosten van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie. Evenals Kafka was Roth een Oostenrijkse schrijver. Keizer Franz Joseph (1848 – 1916), voor wie Roth beslist een zwak had, regeerde nog, maar zijn rijk was langzamerhand in verval aan het raken. Van de glans die de stad Brody vroeger had, was in Roths tijd al weinig meer over.

Bevolkingsgroepen in Oostenrijk-Hongarije, 1910.

Hoofdstraat in Brody rond 1900.

Vroeger was Brody een zeer belangrijke handelsstad, een tussenstation voor de handel tussen Oost en West. Je vond er opslagplaatsen en markten. Er was in dit knooppunt van routes in alle windrichtingen een levendige handel in producten als thee, wol, suiker en verder stoffen, edelstenen en zijde. Paarden en dierenhuiden uit Rusland werden hier verhandeld. In zijn bloeitijd telde de stad diverse banken, consulaten en natuurlijk restaurants en hotels met zangers en muzikanten. Het aantal Joodse inwoners van Galicië was zeer groot. Op straat werd  veel jiddisch, Pools en natuurlijk ook Duits gesproken.

Oude Joodse begraafplaats van Brody.

Aan het eind van de negentiende eeuw kwam er een einde aan de bloei van de stad. Joseph Roth – van Joodse huize – kon nog net de laatste Duitstalige klas van het Gymnasium in Brody bezoeken. Er werd steeds meer Pools gesproken. Aan het supranationale en aan het in zekere zin multiculturele karakter van de Dubbelmonarchie kwam in de tijd van Joseph Roth langzaam een einde. Later zou Roth in zijn boeken en artikelen zijn heimwee naar deze verdwenen wereld regelmatig laten blijken. Behalve de ondergang van het Habsburgse rijk, is de Eerste Wereldoorlog een belangrijk thema in de boeken van Joseph Roth.

In 1924 maakte Roth een reis naar Galicië. In zijn essay Juden auf Wanderschaft (1927) schreef hij over het kleine stadje (in het jiddisch: shtetl) Brody:

Die kleine Stadt liegt mitten im Flachland, von keinem Berg, von keinem Wald, keinem Fluß begrenzt. Sie läuft in die Ebene aus. Sie fängt mit kleinen Hütten an und hört mit ihnen auf. Die Häuser lösen die Hütten ab. Da beginnen die Straßen. Eine läuft von Süden nach Norden, die andere von Osten nach Westen. Im Kreuzungspunkt liegt der Marktplatz. Am äußersten Ende der Nord-Süd-Straße liegt der Bahnhof. Einmal im Tag kommt ein Personenzug. Einmal im Tag fährt ein Personenzug ab. Dennoch haben viele Leute den ganzen Tag am Bahnhof zu tun.

[…] Die Stadt hat 18000 Einwohner, von denen 15000 Juden sind.

[…] Die Stadt hat zwei Kirchen, eine Synagoge und etwa 40 kleine Bethäuser. Die Juden beten täglich dreimal. Sie müssten sechsmal den Weg zur Synagoge und nach Hause oder in den Laden zurücklegen, wenn sie nicht so viele Bethäuser hätten, in denen man übrigens nicht nur betet, sondern auch jüdische Wissenschaft lernt.

 

Roth groeide op in een Joodse familie. Zijn vader raakte op een reis in geestelijke verwarring en keerde niet meer huis terug. Roth werd door zijn moeder en oom opgevoed. Met geen van beiden had hij een goede relatie. Na het gymnasium studeerde Roth korte tijd in Lemberg (Lviv, nu Oekraïne) en  daarna in Wenen de vakken Duitse literatuur en filosofie. Hij diende kort als soldaat in het leger tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Joseph Roth in Wenen

Friedl Roth (De vrouw van Joseph Roth)

Vanaf 1919 werkte hij als journalist in Wenen en Berlijn. In 1925 trad hij in dienst van de Frankfurter Allgemeine Zeitung. Op zijn vele reizen voor de krant, onder andere naar Rusland en Frankrijk, was hij een echte waarnemer van zijn tijd. Hij leefde meestal in hotels en schreef bij voorkeur in cafés. Hoewel hij aanvankelijk gelukkig getrouwd was, raakte hij mede door de (psychische) ziekte van zijn vrouw, steeds meer aan de drank. Zijn leven werd gekenmerkt door rusteloosheid en een gebrek aan oriëntatie. Misschien hebben de omstandigheden waarin hij opgroeide of de tijd waarin hij leefde, het uiteenvallen van de Dubbelmonarchie, hierbij een rol gespeeld.

In 1933 vluchtte hij naar Parijs. Hij kwam tijdens zijn emigratie ook regelmatig in Amsterdam. Daar werden zijn boeken uitgegeven door de Nederlandse uitgevers Emmanuel Querido en Allert de Lange. Als hij in Amsterdam was, bezocht hij graag café Reynders en verbleef hij in hotel Eden tegenover het Centraal station. Roth stierf in 1939 in Parijs.

Liefhebbers kunnen op internet verschillende films over het leven van Joseph Roth vinden. Hier vind je de uitzending: Das bin ich wirklich, böse besoffen aber gescheit (3sat, 33′):

 

Radiouitzending over Joseph Roth: Vom Untergang der alten Welt (5′).

 

Weimarer Trilogie

Aanvankelijk was Roth pacifist. Hij werd voor de dienst afgekeurd. Maar naarmate de oorlog langer duurde, veranderde hij van mening. Lees hier waarom hij vrijwillig in dienst ging:

Je länger der Krieg dauerte je mehr Freunde an den Fronten fielen, desto überdrüssiger wurden wir des sinnlosen Geredes gegen den Krieg in den Kaffeehäusern. Voller Verachtung sahen wir auf die verschiedenen Kindermann*-Typen herab, die, gesund wie die Bullen, vom Krieg unberührt, in ihrer Laufbahn blieben, während bei Isonzo und Piave unsere hauptsächlich aus Galizien, aus der Bukowina, aus Kroatien, Dalmatien und Böhmen stammenden Kommilitonen ihr Leben ließen. (*Kindermann een antisemitische docent van Joseph Roth in Wenen.)

Uiteindelijk heeft Roth twee jaar tijdens de oorlog in het leger doorgebracht. Over zijn rol heeft hij verschillende verhalen opgehangen. De heldenrol die hij aan het front vervuld zou hebben, is echter voor een groot deel fantasie. Het grootste deel van zijn diensttijd heeft hij namelijk bij de persdienst voor het leger in Galicië gewerkt. In de tijd van de Weimarrepubliek komt hij regelmatig op het thema oorlog terug. Roth behoorde beslist niet tot de generatie van oud-soldaten die zich na de oorlog in de vrijkorpsen organiseerden om tegen de revolutie en de nieuwe democratie te strijden. Van de verheerlijking van de oorlog moest hij niets hebben. In wezen bleef Roth een fel tegenstander van oorlog.

Het gedicht Die Invaliden grüssen den General (1924) spreekt wat dit betreft duidelijke taal:

 

Die Invaliden Grüssen den General

Zehn Jahr sind um, zehn Jahr sind um,
es faulen unsre Knochen,
das Auge blind, das Rückgrat krumm
und Bauch und Brust zerstochen:
es hat die Milz ein großes Loch,
es brennt in Herz und Niere
Noch leben wir! Wir leben noch!
Und sind nicht Mensch noch Tiere
Wer aber blieb von allen heil
trotz Bombenwurf und Donnerkeil?
Wer aber kam gesund nach Haus
zu Weib, Pension und warmem Haus?
Es war der Herr, der uns befahl:
Herr General! Herr General!

Wir gratulieren, General,
Du hast den Krieg gewonnen!
Durch Ehrenfeld und Heldental
ist unser Blut geronnen
es rötete das Blut den Stahl
Erinnerst du dich, General?!
es kommandierten schwerlich
die Herren Offiziere,
wir krochen durch den Dreck für dich,
in uns den Schrei: Krepiere!
Wer blieb denn von uns allen heil,
Wer zahlte keine Spesen,
Wen traf kein Stich, wen traf kein Pfeil,
Wer brauchte nicht Prothesen?
Es war der Herr, der uns befahl:
der General! Der General!

 

 

Heut hinken wir, heut kriechen wir,
es kracht in den Scharnieren,
wir können dir, wir können dir
nicht stramm mehr salutieren
Wir bieten Streichholzschachteln feil,
weil du uns feilgeboten,
wir wimmern und wir stöhnen: Heil
dem tiefen Tod der Toten!
Erinnerst du dich General?!

Schläfst du auch gut, und melden,
sich dir im Traum nicht manches Mal
noch deine toten Helden?
Verwüstet ist ihr Angesicht,
wir suchen ihre Knochen
Der findet seine Nase nicht
und kommt zu dir gekrochen
Und hockt auf deines Bettes Rand
und fragt: Wer kam ins Vaterland
zurück und blieb an Gliedern heil,
trotz Bombenwurf und Donnerkeil?
Wen traf kein Stich, wen traf kein Pfeil?
War es der Herr, der uns befahl?
Bist du gesund, Herr General?

In: Lachen links, 1.8.1924

 

Roth nam zijn gedichten niet erg serieus. Hij beschouwde zichzelf in de eerste plaats als journalist en romancier. Op jonge leeftijd werd hij bekend door zijn journalistieke werk voor diverse tijdschriften. Direct na de oorlog begon hij ook met het schrijven van romans. Eén van de mooiste uit deze tijd is Die Rebellion. Dit boek verscheen eerst als vervolgverhaal in het blad Vorwärts van de SPD (de sociaaldemocraten).

De hoofdpersoon is Andreas Pum die op het slachtveld één been verloren heeft. Hij klaagt niet, want hij heeft dit voor god en keizer allemaal wel over gehad. Bovendien heeft hij een medaille verdiend. Hij krijgt vergunning om als draaiorgel-man in zijn onderhoud te voorzien. Hij komt later een weduwe tegen met wie hij trouwt. Het gaat Andreas uiteindelijk erg goed.

Maar plotseling neemt zijn leven een wending en slaat het noodlot toe. Toevallig komt een rijke ontevreden zakenman, die invaliden en bedelaars maar lastig vindt, op zijn weg. Door een onbenullig en onbewezen voorval raakt hij in de problemen. Ten onrechte wordt hij ervan beschuldigd, dat hij zijn plaats in de tram niet aan de rijke man wilde afstaan. Hierop volgt een ruzie. Andreas wordt van van alles beschuldigd:

Ein Simulant! Ein Bolschewik! Ein Russe! Ein Spion! […] Es wird ein Jude sein!

Pum raakt verder in de problemen. Echtscheiding, intrekking van zijn vergunning, verlies van werk. Gevangenisstraf. Dan komt hij in opstand tegen alles en iedereen, de staat, de wet, de regering en ook tegen god.

Wohnte Gott hinter den Sternen? Sah er den Jammer eines Menschen und rührte sich nicht? […] Thronte ein Tyrann über der Welt, und seine Ungerechtigkeit war unermesslich wie sein Himmel?

Uiteindelijk sterft Andreas, maar er volgt nog een dialoog met god, die hem ter verantwoording roept.  Zoals in Goethes Faust speelt de dialoog zich af in de hemel. Maar Andreas weet niet of hij nu in de hemel of de hel terechtgekomen is.

 

Lees hier hoofdstuk I van Die Rebellion

 

Die Baracken des Kriegsspitals Numero XXIV lagen am Rande der Stadt. Von der Endstation der Straßenbahn bis zum Krankenhaus hätte ein Gesunder eine halbe Stunde rüstig wandern müssen. Die Straßenbahn führte in die Welt, in die große Stadt, in das Leben. Aber die Insassen des Kriegsspitals Numero XXIV konnten die Endstation der Straßenbahn nicht erreichen.

Sie waren blind oder lahm. Sie hinkten. Sie hatten ein zerschossenes Rückgrat. Sie erwarteten eine Amputation oder waren bereits amputiert. Weit hinter ihnen lag der Krieg. Vergessen hatten sie die Abrichtung; den Feldwebel; den Herrn Hauptmann; die Marschkompanie; den Feldprediger; Kaisers Geburtstag; die Menage; den Schützengraben; den Sturm. Ihr Frieden mit dem Feind war besiegelt. Sie rüsteten schon zu einem neuen Krieg; gegen die Schmerzen; gegen die Prothesen; gegen die lahmen Gliedmaßen; gegen die krummen Rücken; gegen die Nächte ohne Schlaf; und gegen die Gesunden.

Nur Andreas Pum war mit dem Lauf der Dinge zufrieden. Er hatte ein Bein verloren und eine Auszeichnung bekommen. Viele besaßen keine Auszeichnung, obwohl sie mehr als nur ein Bein verloren hatten. Sie waren arm- und beinlos. Oder sie mußten immer im Bett liegen, weil ihr Rückenmark kaputt war. Andreas Pum freute sich, wenn er die anderen leiden sah.

Er glaubte an einen gerechten Gott. Dieser verteilte Rückenmarkschüsse, Amputationen, aber auch Auszeichnungen nach Verdienst. Bedachte man es recht, so war der Verlust eines Beines nicht sehr schlimm und das Glück, eine Auszeichnung erhalten zu haben, ein großes. Ein Invalider durfte auf die Achtung der Welt rechnen. Ein ausgezeichneter Invalider auf die der Regierung.

Die Regierung ist etwas, das über den Menschen liegt, wie der Himmel über der Erde. Was von ihr kommt, kann gut oder böse sein, aber immer ist es groß und übermächtig, unerforscht und unerforschbar, wenn auch manchmal für gewöhnliche Menschen verständlich.

Es gibt Kameraden, die auf die Regierung schimpfen. Ihrer Meinung nach geschieht ihnen immer Unrecht. Als ob der Krieg nicht eine Notwendigkeit wäre! Als ob seine Folgen nicht selbstverständlich Schmerzen, Amputationen, Hunger und Not sein müßten! Was wollten sie? Sie hatten keinen Gott, keinen Kaiser, kein Vaterland. Sie waren wohl Heiden. »Heiden« ist der beste Ausdruck für Leute, die sich gegen alles wehren, was von der Regierung kommt.

Es war ein warmer Sonntag im April, Andreas Pum saß auf einer der rohgezimmerten weißen Holzbänke, die mitten im Rasen vor den Baracken des Spitals aufgestellt waren. Fast auf jeder Bank saßen zwei und drei Rekonvaleszente zusammen und sprachen. Nur Andreas saß allein und freute sich über die Bezeichnung, die er für seine Kameraden gefunden hatte.

Sie waren Heiden, wie zum Beispiel Leute, die wegen falscher Eide und wegen Diebstahls, Totschlags, Mordes oder gar Raubmordes im Zuchthaus saßen. Warum stahlen die Leute, töteten, raubten, desertierten sie? Weil sie Heiden waren.

Wenn jemand in diesem Augenblick Andreas gefragt hätte, was die Heiden sind, so hätte er geantwortet: zum Beispiel Menschen, die im Gefängnis sitzen, oder auch jene, die man zufällig noch nicht erwischt hat. Andreas Pum war sehr froh, daß ihm die »Heiden« eingefallen waren. Das Wort genügte ihm, es befriedigte seine kreisenden Fragen und gab Antwort auf viele Rätsel. Es enthob ihn der Verpflichtung, weiter nachdenken und sich mit der Erforschung der anderen abquälen zu müssen. Andreas freute sich über das Wort. Zugleich verlieh es ihm das Gefühl der Überlegenheit über die Kameraden, die auf den Bänken saßen und schwatzten. Sie hatten zum Teil schwerere Wunden und keine Auszeichnungen. Geschah ihnen nicht recht? Weshalb schimpften sie? Warum waren sie unzufrieden? Fürchteten sie um ihre Zukunft? Wenn sie weiter in ihrem Trotz verharrten, dann hatten sie wohl recht, um ihre Zukunft bang zu sein. Sie schaufelten sich ja selbst ihre Gräber! Wie sollte sich die Regierung ihrer Feinde annehmen? Ihn, Andreas Pum dagegen, wird sie schon versorgen.

Und während die Sonne schnell und sicher am wolkenlosen Himmel ihrem Höhepunkt zustrebte und immer glühender und fast schon sommerlich wurde, dachte Andreas Pum an die nächsten Jahre seines Lebens. Die Regierung hat ihm einen kleinen Briefmarkenverschleiß übergeben oder eine Wächterstelle in einem schattigen Park, oder in einem kühlen Museum. Da sitzt er nun mit seinem Kreuz auf der Brust, Soldaten grüßen ihn, ein etwa vorbeigehender General klopft ihm auf die Schulter, und die Kinder fürchten sich vor ihm. Er aber tut ihnen nichts zuleide, er gibt nur acht, daß sie nicht auf den Rasen springen. Oder die Leute, die ins Museum kommen, kaufen bei ihm Kataloge und Künstlerkarten und betrachten ihn dennoch nicht als einen gewöhnlichen Händler, sondern als eine Amtsperson. Vielleicht findet sich auch noch eine Witwe, kinderlos oder mit einem Kind, oder ein älteres Mädchen. Ein gutversorgter Invalider mit einer Pension ist keine schlechte Partie, und Männer sind nach dem Krieg sehr gesucht.

Der helle Klang einer Glocke hüpfte über den Rasen vor den Baracken und verkündete das Mittagessen. Die Invaliden erhoben sich schwer und wankten, aufeinander gestützt, der großen, langgestreckten hölzernen Speisebaracke entgegen. Andreas hob mit eiliger Beflissenheit seine heruntergefallene Krücke auf und humpelte munter hinter den Kameraden, um sie zu überholen. Er glaubte nicht recht an ihre Schmerzen. Auch er mußte leiden. Und dennoch – seht – wie flink er sein kann, wenn ihn die Glocke ruft!

Selbstverständlich überholt er die Lahmen, die Blinden, die Männer mit den krummen Wirbelsäulen, deren Rücken so gebückt ist, daß er einen parallelen Strich zur Erde bildet, auf der sie gehen. Hinter Andreas Pum rufen sie her, aber er wird sie nicht hören.

Es gab wieder Hafergrütze, wie jeden Sonntag. Die Kranken wiederholten, was sie alle Sonntage zu sagen gewohnt waren: Hafergrütze ist langweilig. Andreas aber fand sie gar nicht langweilig. Er hob den Teller an die Lippen und trank den Rest, nach dem er ein paarmal mit dem Löffel vergeblich gefischt hatte. Die anderen sahen ihm zu und folgten zaghaft seinem Beispiel. Er hielt den Teller lange vor dem Mund und schielte über den Rand nach den Kameraden. Er stellte fest, daß ihnen die Suppe schmeckte und daß ihre Reden Prahlerei und Übermut gewesen waren. Sie sind Heiden! – frohlockte Andreas und setzte den Teller ab.

Das Dörrgemüse, das die anderen »Drahtverhau« nannten, schmeckte ihm weniger. Dennoch leerte er den Teller. Er hatte dann das befriedigende Gefühl, eine Pflicht erfüllt zu haben, wie wenn er ein rostiges Gewehr blank geputzt hätte. Er bedauerte, daß kein Unteroffizier kam, um die Geschirre zu kontrollieren. Sein Teller war sauber, wie sein Gewissen. Ein Sonnenstrahl fiel auf das Porzellan, und es glänzte. Das nahm sich aus wie ein offizielles Lob des Himmels.

Am Nachmittag kam die längst angekündigte Prinzessin Mathilde in einer Krankenschwestertracht. Andreas, der in seiner Abteilung das Zimmerkommando führte, stand stramm an der Tür. Die Prinzessin gab ihm die Hand, und er verneigte sich, wider Willen, obwohl er sich vorgenommen hatte, stramm zu bleiben. Seine Krücke fiel zu Boden, die Begleiterin der Prinzessin Mathilde bückte sich und hob sie auf.

Die Prinzessin ging, hinter ihr die Oberschwester, der Oberarzt und der Priester. »Alte Nutte!« sagte ein Mann von der zweiten Bettreihe. »Unverschämt!« schrie Andreas. Die anderen lachten. Andreas wurde zornig. Er befahl: Betten in Ordnung bringen, obwohl alle Decken sauber und vorschriftsmäßig dreimal gefaltet waren. Niemand rührte sich. Einige begannen, ihre Pfeifen zu stopfen.

Da kam der Gefreite Lang, ein Ingenieur, dem der rechte Arm fehlte und vor dem auch Andreas Respekt hatte, und sagte: »Reg dich nicht auf, Andreas, wir sind ja alle arme Teufel!«

Es wurde sehr still in der Baracke; alle sahen den Ingenieur an, Lang stand vor Andreas und sprach. Man wußte nicht, ob er zu Andreas oder zu den anderen oder auch nur für sich selbst sprach. Er blickte zum Fenster hinaus und sagte: »Die Prinzessin Mathilde wird jetzt sehr zufrieden sein. Auch sie hat einen schweren Tag hinter sich. Sie besucht jeden Sonntag vier Krankenhäuser. Denn es gibt, müßt ihr wissen, schon mehr Krankenhäuser als Prinzessinnen und mehr Kranke als Gesunde. Auch die scheinbar Gesunden sind krank, viele wissen es nur nicht. Vielleicht machen sie bald Frieden.«

Einige räusperten sich. Der Mann in der zweiten Bettreihe, der vorher »alte Nutte« gesagt hatte, hustete laut. Andreas humpelte zu seinem Bett, nahm vom Kopfbrett eine Schachtel Zigaretten und rief den Ingenieur herbei. »Gute Zigarette, Herr Doktor!« sagte Andreas. Er nannte den Ingenieur »Doktor«.

Lang sprach wie ein Heide, aber auch wie ein Geistlicher. Vielleicht, weil er so gebildet war. Aber immer hatte er recht. Man hatte Lust, ihm zu widersprechen, und fand keine Argumente. Er mußte recht haben, wenn man ihm nicht widersprechen konnte.

Am Abend lag der Ingenieur auf dem Bett in Kleidern und sagte: »Wenn die Grenzen wieder offen sind, fahre ich weit weg. Es wird nichts mehr zu holen sein in Europa.«

»Wenn wir nur den Krieg gewinnen«, sagte Andreas.

»Alle werden ihn verlieren«, erwiderte der Ingenieur. Andreas Pum verstand es nicht, aber er nickte achtungsvoll, als müßte er dem Lang recht geben.

Indessen nahm er sich vor, im Lande zu bleiben und künstlerische Postkarten in einem Museum zu verkaufen. Er sah ja ein, daß für Gebildete vielleicht kein Platz war. Sollte der Ingenieur etwa Parkwächter werden?

Andreas hatte keine Angehörigen. Wenn andere Besuche empfingen, ging er hinaus und las ein Buch aus der Spitalsbibliothek. Er war oft nahe daran gewesen zu heiraten. Aber die Furcht, daß er zu wenig verdiente, um eine Familie zu erhalten, hatte ihn gehindert, um Anny, die Köchin, die Näherin Amalie, das Kindermädchen Poldi anzuhalten.

Er war mit allen drei nur »gegangen«. Sein Beruf war allerdings auch nicht für junge Frauen. Andreas war Nachtwächter in einem Holzlager außerhalb der Stadt und nur einmal in der Woche frei. Seine eifersüchtige Natur hätte ihm die ruhige Freude am gewissenhaft ausgeführten Dienst gestört oder diesen ganz unmöglich gemacht.

Einige schliefen und schnarchten. Der Ingenieur Lang las. »Soll ich abdrehen?« fragte Andreas.

»Ja«, sagte der Ingenieur und legte das Buch weg.

»Gute Nacht, Doktor«, erwiderte Andreas. Er knipste das Licht ab. Er zog sich im Dunkeln aus. Seine Krücke lehnte an der Wand zur rechten Seite.

Andreas denkt, ehe er einschläft, an die Prothese, die ihm der Oberarzt versprochen hat. Es wird eine tadellose Prothese sein, wie sie der Hauptmann Hainigl trägt. Man merkt gar nicht, daß ihm ein Bein fehlt. Der Hauptmann geht frei, ohne Stock durchs Zimmer, als hätte er nur ein kürzeres Bein. Die Prothesen sind eine großartige Erfindung der hohen Herren, der Regierung, die es sich wirklich etwas kosten läßt. Das muß man sagen.

Die Rebellion kan je hier in zijn geheel lezen.

 

 

Die Rebellion is de laatste van drie romans die wel als een trilogie beschouwd worden, de Weimarer Trilogie. De eerste is het spannende verhaal Das Spinnennetz, waarin de hoofdpersoon (tegen zijn wil) verstrikt raakt in het ondoorzichtige web van een geheime politieke organisatie, waarvoor hij als spion gaat werken. Het verhaal speelt zich af tegen de achtergrond van de Spartacusopstand, de Hitlerputsch en de onrustige maanden van stakingen, revoluties en straatgevechten tussen rechts en links in de Weimarrepubliek.

Hotel Savoy is de tweede roman van de trilogie. Het verhaal speelt in de tijd direct na de Eerste Wereldoorlog. De hoofdpersoon Gabriel Dan keert uit Russische krijgsgevangenschap terug. Op zijn lange tocht naar het Westen heeft hij zich met allerlei baantjes in leven weten te houden. Onderweg verblijft hij in een tamelijk troosteloze stad ergens in Oost-Europa. Misschien moet je denken aan de stad Lodz (Polen), maar de steden en plaatsnamen zijn bij Roth meestal fictief of hebben symbolische betekenis.

Gabriel Dan denkt bij zijn intrek in het hotel aan beschaving en veiligheid nu hij aan oorlog en krijgsgevangenschap eindelijk ontsnapt is. Maar al spoedig ontdekt hij via zijn ontmoetingen met de hotelbewoners en tijdens zijn wandelingen door de stad, dat beschaving ver te zoeken is. Bovendien is iedereen arm en een betere toekomst dient zich nog niet aan. De industrie die langzaam weer op gang komt, veroorzaakt meer ellende en armoede dan welvaart.

Roth kritiseert het industriële kapitalisme. Het verhaal speelt zich voornamelijk in een hotel af, niemand is er thuis. Men bevindt zich er als het ware in een soort wachtruimte. Iedereen wacht op iets dat komen gaat. De oude wereld gaat intussen ten onder. Maar de nieuwe, met Amerika als voorbeeld van nieuwe beschaving, maakt onzeker. Daarom blijft iedereen in het hotel en wacht af.

Roth schetst in deze trilogie als scherp waarnemer van zijn tijd het levensgevoel van veel mensen. De oude keizerrijken zijn definitief voorbij, een nieuwe samenleving is volop in ontwikkeling, maar niemand weet precies waar het op uit zal draaien in de tijd van de Weimarrepubliek.

 

De meeste romans van Roth verschenen eerst in afleveringen in kranten. Ze zijn daarom goed toegankelijk en niet moeilijk. De verhalen zijn spannend en je krijgt een goed beeld van het tragische lot van veel mensen ten tijde van het uiteenvallen van de Oostenrijks-Hongaarse Dubbelmonarchie.

Er zijn mooie moderne vertalingen van zijn boeken in het Nederlands verschenen.

De werken van Joseph Roth zijn ook in het Duits bij Projekt Gutenberg te vinden.

Van zijn korte verhalen en novellen zou je Stationschef Fallremayer kunnen lezen om een indruk van zijn werk te krijgen.

 

 

Roths meesterwerken: Hiob en Radetzkymarsch

 

 

Hiob

Hiob (Job; 1930) is de literaire verwerking van het essay Juden auf Wanderschaft (1927). Totdat het boek verboden werd door de Nazi’s had het een oplage van meer dan 30000 exemplaren bereikt. Hiob. Roman eines einfachen Mannes is het meest populaire boek van Joseph Roth geworden. Het boek is een soort sprookje over de wereld van het Ost-Judentum, een wereld die aan het begin van de vorige eeuw snel aan het verdwijnen was.

Het heeft ook autobiografische trekken, voor zover het over de hoop en vertwijfeling van eenvoudige mensen gaat in een onoverzichtelijke en snel veranderende wereld. Wellicht grijpt Roth bewust of onbewust vooruit op de vervolging van de Joden die in de jaren dertig en veertig werkelijkheid zou worden. Hoe dit ook zij, met Hiob is Roth meer de verteller van een joods sprookje dan de zakelijke waarnemer van zijn tijd. Het boek is ‘een existentiële sprong in het geloof’, zegt David Bronsen, de biograaf van Roth. Ondanks alle ellende en tragiek die de familie in het verhaal doormaakt, eindigt het boek namelijk optimistisch en vol vertrouwen met een godswonder, waardoor kreupelen weer gaan lopen. Niet voor niets verwijst de titel naar het bijbelboek Job.

Hoofdpersonen zijn Mendel Singer, een eenvoudige leraar op een Joodse school en zijn vrouw Deborah. Met drie kinderen leiden zij een eenvoudig, maar rustig leven in een klein dorpje. Denk aan een shtetl in Galicië. De rust wordt echter verstoord door de geboorte van de zwakzinnige en epileptische zoon Menuchim. Maar ondanks het feit dat een wonderrabbi voorspelt dat deze zoon een buitengewoon mens zal worden, neemt de ontevredenheid in de familie toe, omdat het wonder uitblijft. Intussen wordt het leven in Oost-Europa er niet beter op. De familie besluit om zich voor te bereiden op emigratie. Hoewel het een moeilijk besluit is, blijft de zieke Menuchim in een pleeggezin achter. Eenmaal in Amerika gaat het de familie eerst beter. Maar geleidelijk aan overkomt Mendel – zoals de bijbelse Job – steeds meer rampen, vrouw en kinderen sterven of worden ziek. Mendel begint aan god te twijfelen en komt in opstand. Op dit dieptepunt in zijn leven komt er een wending in het verhaal.

 

Lees hier hoofdstuk XIII over Mendels’ rebellie:

 

Sieben runde Tage saß Mendel Singer auf einem Schemel neben dem Kleiderschrank und schaute auf das Fenster, an dessen Scheibe zum Zeichen der Trauer ein weißes Stückchen Leinwand hing und in dem Tag und Nacht eine der beiden blauen Lampen brannte. Sieben runde Tage rollten nacheinander ab, wie große, schwarze, langsame Reifen, ohne Anfang und ohne Ende, rund wie die Trauer. Der Reihe nach kamen die Nachbarn: Menkes, Skowronnek, Rottenberg und Groschel, brachten harte Eier und Eierbeugel für Mendel Singer, runde Speisen, ohne Anfang und ohne Ende, rund wie die sieben Tage der Trauer.

Mendel sprach wenig mit seinen Besuchern. Er bemerkte kaum, daß sie kamen und gingen. Tag und Nacht stand seine Tür offen, mit zurückgeschobenem, zwecklosem Riegel. Wer kommen wollte, kam, wer gehen wollte, ging. Der und jener versuchte, ein Gespräch anzufangen. Aber Mendel Singer wich ihm aus. Er sprach, während die andern lebendige Dinge erzählten, mit seiner toten Frau. »Du hast es gut, Deborah!« sagte er zu ihr. »Es ist nur schade, daß du keinen Sohn hinterlassen hast, ich selbst muß das Totengebet sagen, ich werde aber bald sterben, und niemand wird uns beweinen. Wie zwei kleine Stäubchen wurden wir verweht. Wie zwei kleine Fünkchen sind wir erloschen. Ich habe Kinder gezeugt, dein Schoß hat sie geboren, der Tod hat sie genommen. Voller Not und ohne Sinn war dein Leben. In jungen Jahren habe ich dein Fleisch genossen, in spätern Jahren habe ich es verschmäht. Vielleicht war das unsere Sünde. Weil nicht die Wärme der Liebe in uns war, sondern zwischen uns der Frost der Gewohnheit, starb alles rings um uns, verkümmerte alles und wurde verdorben. Du hast es gut, Deborah. Der Herr hat Mitleid mit dir gehabt. Du bist eine Tote und begraben. Mit mir hat Er kein Mitleid. Denn ich bin ein Toter und lebe. Er ist der Herr, Er weiß, was Er tut. Wenn du kannst, bete für mich, daß man mich auslösche aus dem Buch der Lebendigen. Sieh, Deborah, die Nachbarn kommen zu mir, um mich zu trösten. Aber obwohl es viele sind und sie alle ihre Köpfe anstrengen, finden sie doch keinen Trost für meine Lage. Noch schlägt mein Herz, noch schauen meine Augen, noch bewegen sich meine Glieder, noch gehen meine Füße. Ich esse und trinke, bete und atme. Aber mein Blut stockt, meine Hände sind welk, mein Herz ist leer. Ich bin nicht Mendel Singer mehr, ich bin der Rest von Mendel Singer. Amerika hat uns getötet. Amerika ist ein Vaterland, aber ein tödliches Vaterland. Was bei uns Tag war, ist hier Nacht. Was bei uns Leben war, ist hier Tod. Der Sohn, der bei uns Schemarjah hieß, hat hier Sam geheißen. In Amerika bist du begraben, Deborah, auch mich, Mendel Singer, wird man in Amerika begraben.«

Am Morgen des achten Tages, als Mendel von seiner Trauer aufstand, kam seine Schwiegertochter Vega, in Begleitung des Mister Glück.

»Mister Singer«, sagte Mister Glück, »unten ist der Wagen. Sie müssen sofort mit uns kommen, mit Mirjam ist etwas passiert.«

»Gut«, erwiderte Mendel gleichgültig – als hätte man ihm mitgeteilt, daß man sein Zimmer tapezieren müsse. »Gut, gebt mir meinen Mantel.«

Mendel kroch mit schwachen Armen in den Mantel und ging die Stiegen hinunter. Mister Glück drängte ihn in den Wagen. Sie fuhren und sprachen kein Wort. Mendel fragte nicht, was mit Mirjam geschehen sei. Wahrscheinlich ist sie auch tot, dachte er ruhig. Mac hat sie aus Eifersucht getötet.

Zum erstenmal betrat er die Wohnung seines toten Sohnes. Man schob ihn in ein Zimmer. Da lag Mirjam in einem breiten, weißen Bett. Ihre Haare flossen lose, in einer funkelnden, blauen Schwärze, über die weißen Kissen. Ihr Angesicht glühte rot, und ihre schwarzen Augen hatten breite, runde, rote Ränder; umkreist von Ringen aus Brand waren Mirjams Augen. Eine Krankenschwester saß neben ihr, Mac stand in einer Ecke, groß und ohne sich zu rühren, wie ein Möbelstück.

»Da ist Mendel Singer«, rief Mirjam. Sie streckte eine Hand gegen den Vater aus und begann zu lachen. Ihr Lachen dauerte ein paar Minuten. Es klang wie das Klingeln der hellen, ununterbrochenen Signale auf Bahnhöfen und als schlüge man mit tausend Klöppeln aus Messing auf tausend dünne Kristallgläser. Plötzlich brach das Lachen ab. Eine Sekunde war es still. Dann begann Mirjam zu schluchzen. Sie schob die Decke zurück, ihre nackten Beine zappelten, ihre Füße schlugen in schneller Regelmäßigkeit auf das weiche Lager, immer schneller, immer regelmäßiger, während ihre geballten Fäuste im gleichen Rhythmus durch die Luft schwangen. Die Krankenschwester hielt Mirjam mit Gewalt fest. Sie wurde ruhiger. »Guten Tag, Mendel Singer!« sagte Mirjam. »Du bist mein Vater, ich kann es dir erzählen. Ich liebe Mac, der da steht, aber ich habe ihn betrogen. Mit Mister Glück habe ich geschlafen, ja, mit Mister Glück! Glück ist mein Glück, Mac ist mein Mac. Mendel Singer gefällt mir auch, und wenn du willst – – –« Da hielt die Krankenschwester Mirjam die Hand vor den Mund, und Mirjam verstummte.

Mendel Singer stand noch immer an der Tür, Mac stand immer noch in der Ecke. Beide Männer sahen einander fortwährend an. Da sie sich nicht mit Worten verständigen konnten, redeten sie mit den Augen. »Sie ist verrückt«, sagten Mendel Singers Augen zu denen Macs. »Sie hat ohne Männer nicht leben können, sie ist verrückt.«

Vega trat ein und sagte: »Wir haben den Arzt kommen lassen. Jeden Augenblick muß er dasein. Seit gestern spricht Mirjam wirr. Sie war mit Mac spazierengegangen, und als sie zurückkam, begann sie, sich so unverständlich zu benehmen. Jeden Augenblick muß der Arzt dasein.« Der Doktor kam. Es war ein Deutscher, er konnte sich mit Mendel verstehn. »Wir werden sie in die Anstalt bringen«, sagte der Doktor. »Ihre Tochter muß leider in eine Anstalt. Warten Sie einen Moment, ich werde sie betäuben.«

Mac stand noch immer im Zimmer. »Wollen Sie sie festhalten?« fragte der Doktor. Mac hielt mit seinen großen Händen Mirjam fest. Der Doktor stieß ihr eine Spritze in den Schenkel. »Bald wird sie ruhig sein!« sagte er.

Der Krankenwagen kam, zwei Träger mit einer Bahre traten ins Zimmer. Mirjam schlief. Man band sie auf die Bahre. Mendel, Mac und Vega fuhren hinter dem Krankenwagen.

»Das hast du nicht erlebt«, sprach Mendel zu seiner Frau Deborah, während sie fuhren. »Ich erlebe es noch, aber ich habe es gewußt. Seit jenem Abend, an dem ich Mirjam mit dem Kosaken im Felde sah, habe ich es gewußt. Der Teufel ist in sie gefahren. Bete für uns, Deborah, daß er sie wieder verlasse.«

Nun saß Mendel im Wartezimmer der Anstalt, umgeben von andern Wartenden, vor kleinen Tischchen, auf denen Vasen voll gelber, sommerlicher Blumen standen, und dünnen Gestellen, beladen mit bunten illustrierten Zeitschriften. Aber keiner von den Wartenden roch an den Blumen, keiner der Wartenden blätterte in den Zeitschriften. Zuerst glaubte Mendel, alle Menschen, die hier mit ihm saßen, wären verrückt und er selbst ein Verrückter wie alle. Dann sah er durch die breite Tür aus spiegelndem Glas, die diesen Warteraum von dem weißgetünchten Korridor trennte, wie draußen Menschen in blaugestreiften Kitteln paarweise vorbeigeführt wurden. Zuerst Frauen, dann Männer, und manchmal warf einer von den Kranken sein wildes, verkniffenes, zerrissenes, böses Gesicht durch die Scheibe der Tür in den Wartesaal. Alle Wartenden erschauerten, nur Mendel blieb ruhig. Ja, es erschien ihm merkwürdig, daß nicht auch die Wartenden blaugestreifte Kittel trugen und er selbst auch nicht.

Er saß in einem breiten, ledernen Lehnstuhl, die Mütze aus schwarzem Seidenrips hatte er über die Knie gestülpt, sein Regenschirm lehnte, ein treuer Gefährte, neben dem Sessel. Mendel blickte abwechselnd auf die Menschen, die gläserne Tür, die Zeitschriften, die Verrückten, die draußen immer noch vorbeizogen – man führte sie zum Bad –, und auf die goldenen Blumen in den Vasen. Es waren gelbe Schlüsselblumen, Mendel erinnerte sich, daß er sie daheim auf den grünen Wiesen oft gesehen hatte. Die Blumen kamen aus der Heimat. Er gedachte ihrer gern. Diese Wiesen hatte es dort gegeben und diese Blumen! Der Friede war dort heimisch gewesen, die Jugend war dort heimisch gewesen und die vertraute Armut. Im Sommer war der Himmel ganz blau gewesen, die Sonne ganz heiß, das Getreide ganz gelb, die Fliegen hatten grün geschillert und warme Liedchen gesummt, und hoch unter den blauen Himmeln hatten die Lerchen getrillert, ohne Aufhören. Mendel Singer vergaß, während er die Schlüsselblumen ansah, daß Deborah gestorben, Sam gefallen, Mirjam verrückt und Jonas verschollen war. Es war, als hätte er soeben erst die Heimat verloren und in ihr Menuchim, den treuesten aller Toten, den weitesten aller Toten, den nächsten aller Toten. Wären wir dort geblieben, dachte Mendel, gar nichts wäre geschehen! Jonas hat recht gehabt, Jonas, das dümmste meiner Kinder! Die Pferde hat er geliebt, den Schnaps hat er geliebt, die Mädchen hat er geliebt, jetzt ist er verschollen! Jonas, ich werde dich nie mehr wiedersehen, ich werde dir nicht sagen können, daß du recht hattest, ein Kosak zu werden. »Was geht ihr nur immer in der Welt herum?« hatte Sameschkin gesagt. »Der Teufel schickt euch!« Er war ein Bauer, Sameschkin, ein kluger Bauer. Mendel hatte nicht fahren wollen. Deborah, Mirjam, Schemarjah – sie hatten fahren wollen, in der Welt herumfahren. Man hätte bleiben sollen, die Pferde lieben, Schnaps trinken, in den Wiesen schlafen, Mirjam mit Kosaken gehn lassen und Menuchim lieben.

Bin ich verrückt geworden, dachte Mendel weiter, daß ich so denke? Denkt ein alter Jude solche Sachen? Gott hat meine Gedanken verwirrt, der Teufel denkt aus mir, wie er aus meiner Tochter Mirjam redet.

Der Doktor kam, zog Mendel in eine Ecke und sagte leise: »Fassen Sie sich, Ihre Tochter ist sehr krank. Es gibt jetzt viele solcher Fälle, der Krieg, verstehn Sie, und das Unglück in der Welt, es ist eine schlimme Zeit. Die Medizin weiß noch nicht, wie man die Krankheit heilt. Einer Ihrer Söhne ist Epileptiker, wie ich höre, entschuldigen Sie, so was ist in der Familie. Wir Ärzte nennen das degenerative Psychose. Es kann sich geben. Es kann sich aber auch als eine Krankheit erweisen, die wir Ärzte Dementia nennen, Dementia praecox, aber sogar die Namen sind unsicher. Das ist einer von den seltenen Fällen, die wir nicht heilen können. Sie sind doch ein frommer Mann, Mister Singer? Der liebe Gott kann helfen. Beten Sie nur fleißig zum lieben Gott. Übrigens, wollen Sie noch einmal Ihre Tochter sehen? Kommen Sie!«

Ein Schlüsselbund rasselte, eine Tür fiel mit hartem Knall zu, und Mendel ging durch einen langen Korridor, vorbei an weißen Türen mit schwarzen Nummern, wie an vertikal aufgestellten Särgen. Noch einmal rasselte der Schlüsselbund der Wärterin, und einer der Särge ward aufgetan, drin lag Mirjam und schlief, Mac und Vega standen neben ihr.

»Jetzt müssen wir gehn«, sagte der Doktor.

»Führt mich direkt nach Hause in meine Gasse«, befahl Mendel.

Seine Stimme klang so hart, daß alle erschraken. Sie sahen ihn an. Sein Aussehn schien sich nicht verändert zu haben, dennoch war es ein anderer Mendel. Genau wie in Zuchnow und wie die ganze Zeit in Amerika war er angezogen. In hohen Stiefeln, im halblangen Kaftan, in der Mütze aus schwarzem Seidenrips. Was also hatte ihn so verändert? Warum erschien er allen größer und stattlicher? Warum ging so ein weißer und furchtbarer Glanz von seinem Angesicht aus? Fast schien er den großen Mac zu überragen. Seine Majestät, der Schmerz, dachte der Doktor, ist in den alten Juden gefahren.

»Einmal«, begann Mendel im Wagen, »hat mir Sam gesagt, daß die Medizin in Amerika die beste der Welt ist. Jetzt kann sie nicht helfen. Gott kann helfen! sagt der Doktor. Sag, Vega, hast du schon gesehn, daß Gott einem Mendel Singer geholfen hätte? Gott kann helfen!«

»Du wirst jetzt bei uns wohnen«, sagte Vega schluchzend.

»Ich werde nicht bei euch wohnen, mein Kind«, antwortete Mendel, »du wirst einen Mann nehmen, du sollst nicht ohne Mann sein, dein Kind soll nicht ohne Vater sein. Ich bin ein alter Jude, Vega, bald werde ich sterben. Hör zu, Vega! Mac war Schemarjahs Freund, Mirjam hat er geliebt, ich weiß, er ist kein Jude, aber ihn sollst du heiraten, nicht den Mister Glück! Hörst du, Vega? Wundert es dich, daß ich so rede, Vega? Wundere dich nicht, ich bin nicht verrückt. Alt bin ich geworden, ein paar Welten habe ich zugrunde gehn sehn, endlich bin ich klug geworden. Alle die Jahre war ich ein törichter Lehrer. Nun weiß ich, was ich sage.«

Sie kamen an, sie luden Mendel ab, führten ihn ins Zimmer, Mac und Vega standen noch eine Weile und wußten nicht, was tun.

Mendel setzte sich auf den Schemel neben den Schrank und sagte zu Vega: »Vergiß nicht, was ich dir gesagt habe. Jetzt geht, meine Kinder.«

Sie verließen ihn. Mendel trat ans Fenster und sah zu, wie sie in den Wagen stiegen. Es schien ihm, daß er sie segnen müsse, wie Kinder, die einen sehr schweren oder einen sehr glücklichen Weg antreten. Ich werde sie nie mehr sehen, dachte er dann, ich werde sie auch nicht segnen. Mein Segen könnte ihnen zum Fluch werden, ihre Begegnung mit mir ein Nachteil. Er fühlte sich leicht, ja, leichter als jemals in all seinen Jahren. Er hatte alle Beziehungen gelöst. Es fiel ihm ein, daß er schon seit Jahren einsam war. Einsam war er seit dem Augenblick gewesen, an dem die Lust zwischen seinem Weib und ihm aufgehört hatte. Allein war er, allein. Frau und Kinder waren um ihn gewesen und hatten ihn verhindert, seinen Schmerz zu tragen. Wie unnütze Pflaster, die nicht heilen, waren sie auf seinen Wunden gelegen und hatten sie nur verdeckt. Jetzt, endlich, genoß er sein Weh mit Triumph. Es galt, nur noch eine Beziehung zu kündigen. Er machte sich an die Arbeit.

Er ging in die Küche, raffte Zeitungspapier und Kienspäne zusammen und machte ein Feuer auf der offenen Herdplatte. Als das Feuer eine ansehnliche Höhe und Weite erreichte, ging Mendel mit starken Schritten zum Schrank und entnahm ihm das rotsamtene Säckchen, in dem seine Gebetriemen lagen, sein Gebetmantel und seine Gebetbücher. Er stellte sich vor, wie diese Gegenstände brennen würden. Die Flammen werden den gelblich getönten Stoff des Mantels aus reiner Schafwolle ergreifen und mit spitzen, bläulichen, gefräßigen Zungen vernichten. Der glitzernde Rand aus silbernen Fäden wird langsam verkohlen, in kleinen, rotglühenden Spiralen. Das Feuer wird die Blätter der Bücher sachte zusammenrollen, in silbergraue Asche verwandeln, und die schwarzen Buchstaben für ein paar Augenblicke blutig färben. Die ledernen Ecken der Einbände werden emporgerollt, stellen sich auf wie seltsame Ohren, mit denen die Bücher zuhören, was ihnen Mendel in den heißen Tod nachruft. Ein schreckliches Lied ruft er ihnen nach. »Aus, aus, aus ist es mit Mendel Singer!« ruft er, und mit den Stiefeln stampft er den Takt dazu, daß die Dielenbretter dröhnen und die Töpfe an der Wand zu klappern beginnen. »Er hat keinen Sohn, er hat keine Tochter, er hat kein Weib, er hat keine Heimat, er hat kein Geld. Gott sagt: Ich habe Mendel Singer gestraft. Wofür straft er, Gott? Warum nicht Lemmel, den Fleischer? Warum straft er nicht Skowronnek? Warum straft er nicht Menkes? Nur Mendel straft er! Mendel hat den Tod, Mendel hat den Wahnsinn, Mendel hat den Hunger, alle Gaben Gottes hat Mendel. Aus, aus, aus ist es mit Mendel Singer!«

So stand Mendel vor dem offenen Feuer und brüllte und stampfte mit den Füßen. Er hielt das rotsamtene Säckchen in den Armen, aber er warf es nicht hinein. Ein paarmal hob er es in die Höhe, aber seine Arme ließen es wieder sinken. Sein Herz war böse auf Gott, aber in seinen Muskeln wohnte noch die Furcht vor Gott. Fünfzig Jahre, Tag für Tag, hatten diese Hände den Gebetmantel ausgebreitet und wieder zusammengefaltet, die Gebetriemen aufgerollt und um den Kopf geschlungen und um den linken Arm, dieses Gebetbuch aufgeschlagen, um und um geblättert und wieder zugeklappt. Nun weigerten sich die Hände, Mendels Zorn zu gehorchen. Nur der Mund, der so oft gebetet hatte, weigerte sich nicht. Nur die Füße, die oft zu Ehren Gottes beim Halleluja gehüpft hatten, stampften den Takt zu Mendels Zorngesang. Da die Nachbarn Mendel also schreien und poltern hörten und da sie den graublauen Rauch durch die Ritzen und Spalten seiner Tür in den Treppenflur dringen sahen, klopften sie bei Singer an und riefen, daß er ihnen öffne. Er aber hörte sie nicht. Seine Augen erfüllte der Dunst des Feuers, und in seinen Ohren dröhnte sein großer, schmerzlicher Jubel. Schon waren die Nachbarn bereit, die Polizei zu holen, als einer von ihnen sagte: »Rufen wir doch seine Freunde! Sie sitzen bei Skowronnek. Vielleicht bringen sie den Armen wieder zur Vernunft.«

Als die Freunde kamen, beruhigte sich Mendel wirklich. Er schob den Riegel zurück und ließ sie eintreten, der Reihe nach, wie sie immer gewohnt waren, in Mendels Stube zu treten, Menkes, Skowronnek, Rottenberg und Groschel. Sie zwangen Mendel, sich aufs Bett zu setzen, setzten sich selbst neben ihn und vor ihn hin, und Menkes sagte: »Was ist mit dir, Mendel? Warum machst du Feuer, warum willst du das Haus anzünden?«

»Ich will mehr verbrennen als nur ein Haus und mehr als einen Menschen. Ihr werdet staunen, wenn ich euch sage, was ich wirklich zu verbrennen im Sinn hatte. Ihr werdet staunen und sagen: Auch Mendel ist verrückt, wie seine Tochter. Aber ich versichere euch: Ich bin nicht verrückt. Ich war verrückt. Mehr als sechzig Jahre war ich verrückt, heute bin ich es nicht.«

»Also sag uns, was du verbrennen willst!«

»Gott will ich verbrennen.«

Allen vier Zuhörern entrang sich gleichzeitig ein Schrei. Sie waren nicht alle fromm und gottesfürchtig, wie Mendel immer gewesen war. Alle vier lebten schon lange genug in Amerika, sie arbeiteten am Sabbat, ihr Sinn stand nach Geld, und der Staub der Welt lag schon dicht, hoch und grau auf ihrem alten Glauben. Viele Bräuche hatten sie vergessen, gegen manche Gesetze hatten sie verstoßen, mit ihren Köpfen und Gliedern hatten sie gesündigt. Aber Gott wohnte noch in ihren Herzen. Und als Mendel Gott lästerte, war es ihnen, als hätte er mit scharfen Fingern an ihre nackten Herzen gegriffen.

»Lästere nicht, Mendel«, sagte nach einem längeren Schweigen Skowronnek. »Du weißt besser als ich, denn du hast viel mehr gelernt, daß Gottes Schläge einen verborgenen Sinn haben. Wir wissen nicht, wofür wir gestraft werden.«

»Ich aber weiß es, Skowronnek«, erwiderte Mendel. »Gott ist grausam, und je mehr man ihm gehorcht, desto strenger geht er mit uns um. Er ist mächtiger als die Mächtigen, mit dem Nagel seines kleinen Fingers kann er ihnen den Garaus machen, aber er tut es nicht. Nur die Schwachen vernichtet er gerne. Die Schwäche eines Menschen reizt seine Stärke, und der Gehorsam weckt seinen Zorn. Er ist ein großer, grausamer Isprawnik. Befolgst du die Gesetze, so sagt er, du habest sie nur zu deinem Vorteil befolgt. Und verstößt du nur gegen ein einziges Gebot, so verfolgt er dich mit hundert Strafen. Willst du ihn bestechen, so macht er dir einen Prozeß. Und gehst du redlich mit ihm um, so lauert er auf die Bestechung. In ganz Rußland gibt es keinen böseren Isprawnik!«

»Erinnere dich, Mendel«, begann Rottenberg, »erinnere dich an Hiob. Ihm ist ähnliches geschehen wie dir. Er saß auf der nackten Erde, Asche auf dem Haupt, und seine Wunden taten ihm so weh, daß er sich wie ein Tier auf dem Boden wälzte. Auch er lästerte Gott. Und doch war es nur eine Prüfung gewesen. Was wissen wir, Mendel, was oben vorgeht? Vielleicht kam der Böse vor Gott und sagte wie damals: Man muß einen Gerechten verführen. Und der Herr sagte: Versuch es nur mit Mendel, meinem Knecht.«

»Und da siehst du auch«, fiel Groschel ein, »daß dein Vorwurf ungerecht ist. Denn Hiob war kein Schwacher, als Gott ihn zu prüfen begann, sondern ein Mächtiger. Und auch du warst kein Schwacher, Mendel! Dein Sohn hatte ein Kaufhaus, ein Warenhaus, er wurde reicher von Jahr zu Jahr. Dein Sohn Menuchim wurde beinahe gesund, und fast wäre er auch nach Amerika gekommen. Du warst gesund, dein Weib war gesund, deine Tochter war schön, und bald hättest du einen Mann für sie gefunden!«

»Warum zerreißt du mir das Herz, Groschel?« entgegnete Mendel. »Warum zählst du mir auf, was alles gewesen ist, jetzt, da nichts mehr ist? Meine Wunden sind noch nicht vernarbt, und schon reißt du sie auf.«

»Er hat recht«, sagten die übrigen drei wie aus einem Munde.

Und Rottenberg begann: »Dein Herz ist zerrissen, Mendel, ich weiß es. Weil wir aber über alles mit dir sprechen dürfen und weil du weißt, daß wir deine Schmerzen tragen, als wären wir deine Brüder, wirst du uns da zürnen, wenn ich dich bitte, an Menuchim zu denken? Vielleicht, lieber Mendel, hast du Gottes Pläne zu stören versucht, weil du Menuchim zurückgelassen hast? Ein kranker Sohn war dir beschieden, und ihr habt getan, als wäre es ein böser Sohn.«

Es wurde still. Lange antwortete Mendel gar nichts. Als er wieder zu reden anfing, war es, als hätte er Rottenbergs Worte nicht gehört; denn er wandte sich an Groschel und sagte:

»Und was willst du mit dem Beispiel Hiobs? Habt ihr schon wirkliche Wunder gesehen mit euren Augen? Wunder, wie sie am Schluß von ›Hiob‹ berichtet werden? Soll mein Sohn Schemarjah aus dem Massengrab in Frankreich auferstehn? Soll mein Sohn Jonas aus seiner Verschollenheit lebendig werden? Soll meine Tochter Mirjam plötzlich gesund aus der Irrenanstalt heimkehren? Und wenn sie heimkehrt, wird sie da noch einen Mann finden und ruhig weiterleben können wie eine, die niemals verrückt gewesen ist? Soll mein Weib Deborah sich aus dem Grab erheben, noch ist es feucht? Soll mein Sohn Menuchim mitten im Krieg aus Rußland hierherkommen, gesetzt den Fall, daß er noch lebt? Denn es ist nicht richtig«, und hier wandte sich Mendel wieder Rottenberg zu, »daß ich Menuchim böswillig zurückgelassen habe und um ihn zu strafen. Aus andern Gründen, meiner Tochter wegen, die angefangen hatte, sich mit Kosaken abzugeben – mit Kosaken! –, mußten wir fort. Und warum war Menuchim krank? Schon seine Krankheit war ein Zeichen, daß Gott mir zürnt – und der erste der Schläge, die ich nicht verdient habe.«

»Obwohl Gott alles kann«, begann der Bedächtigste von allen, Menkes, »so ist doch anzunehmen, daß er die ganz großen Wunder nicht mehr tut, weil die Welt ihrer nicht mehr wert ist. Und wollte Gott sogar bei dir eine Ausnahme machen, so stünden dem die Sünden der andern entgegen. Denn die andern sind nicht würdig, ein Wunder bei einem Gerechten zu sehn, und deshalb mußte Lot auswandern, und Sodom und Gomorra gingen zugrunde und sahen nicht das Wunder an Lot. Heute aber ist die Welt überall bewohnt – und selbst, wenn du auswanderst, werden die Zeitungen berichten, was mit dir geschehen ist. Also muß Gott heutzutage nur mäßige Wunder vollbringen. Aber sie sind groß genug, gelobt sei sein Name! Deine Frau Deborah kann nicht lebendig werden, dein Sohn Schemarjah kann nicht lebendig werden. Aber Menuchim lebt wahrscheinlich, und nach dem Krieg kannst du ihn sehn. Dein Sohn Jonas ist vielleicht in Kriegsgefangenschaft, und nach dem Krieg kannst du ihn sehn. Deine Tochter kann gesund werden, die Verwirrung wird von ihr genommen werden, schöner kann sie sein als zuvor, und einen Mann wird sie bekommen, und sie wird dir Enkel gebären. Und einen Enkel hast du, den Sohn Schemarjahs. Nimm deine Liebe zusammen, die du bis jetzt für alle Kinder hattest, für diesen einen Enkel! Und du wirst getröstet werden.«

»Zwischen mir und meinem Enkel«, erwiderte Mendel, »ist das Band zerrissen, denn Schemarjah ist tot, mein Sohn und der Vater meines Enkels. Meine Schwiegertochter Vega wird einen andern Mann heiraten, mein Enkel wird einen neuen Vater haben, dessen Vater ich nicht bin. Das Haus meines Sohnes ist nicht mein Haus. Ich habe dort nichts zu suchen. Meine Anwesenheit bringt Unglück, und meine Liebe zieht den Fluch herab wie ein einsamer Baum im flachen Felde den Blitz. Was aber Mirjam betrifft, so hat mir der Doktor selbst gesagt, daß die Medizin ihre Krankheit nicht heilen kann. Jonas ist wahrscheinlich gestorben, und Menuchim war krank, auch wenn es ihm besserging. Mitten in Rußland, in einem so gefährlichen Krieg, wird er bestimmt zugrunde gegangen sein. Nein, meine Freunde! Ich bin allein, und ich will allein sein. Alle Jahre habe ich Gott geliebt, und er hat mich gehaßt. Alle Jahre hab’ ich ihn gefürchtet, jetzt kann er mir nichts mehr machen. Alle Pfeile aus seinem Köcher haben mich schon getroffen. Er kann mich nur noch töten. Aber dazu ist er zu grausam. Ich werde leben, leben, leben.«

»Aber seine Macht«, wandte Groschel ein, »ist in dieser Welt und in der andern. Wehe dir, Mendel, wenn du tot bist!«

Da lachte Mendel aus voller Brust und sagte: »Ich habe keine Angst vor der Hölle, meine Haut ist schon verbrannt, meine Glieder sind schon gelähmt, und die bösen Geister sind meine Freunde. Alle Qualen der Hölle habe ich schon gelitten. Gütiger als Gott ist der Teufel. Da er nicht so mächtig ist, kann er nicht so grausam sein. Ich habe keine Angst, meine Freunde!«

Da verstummten die Freunde. Aber sie wollten Mendel nicht allein lassen, und also blieben sie schweigend sitzen. Groschel, der jüngste, ging hinunter, die Frauen der andern und seine eigene zu verständigen, daß die Männer heute abend nicht nach Hause kommen würden. Er holte noch fünf Juden in Mendel Singers Wohnung, damit sie zehn seien und das Abendgebet sagen können. Sie begannen zu beten. Aber Mendel Singer beteiligte sich nicht am Gebet. Er saß auf dem Bett und rührte sich nicht. Selbst das Totengebet sagte er nicht – und Menkes sagte es für ihn. Die fremden fünf Männer verließen das Haus. Aber die vier Freunde blieben die ganze Nacht. Eine der beiden blauen Lampen brannte noch mit dem letzten Dochtrest und dem letzten Tropfen Öl auf dem flachen Grunde. Es war still. Der und jener schlief auf seinem Sitz ein, schnarchte und erwachte, von seinen eigenen Geräuschen gestört, und nickte wieder ein.

Nur Mendel schlief nicht. Die Augen weit offen, sah er auf das Fenster, hinter dem die dichte Schwärze der Nacht endlich schütter zu werden begann, dann grau, dann weißlich. Sechs Schläge erklangen aus dem Innern der Uhr. Da erwachten die Freunde, einer nach dem andern. Und ohne daß sie sich verabredet hätten, ergriffen sie Mendel bei den Armen und führten ihn hinunter. Sie brachten ihn in die Hinterstube der Skowronneks und betteten ihn auf ein Sofa.

Hier schlief er ein.

Hiob Hoofdstuk XIII

 

De bijzondere ontknoping van de roman Hiob kan je hier lezen.

 

Radetzkymarsch

Radetzkymarsch (1932) is het enige boek waar Roth uitgebreider onderzoek voor gedaan heeft. Het is niet minder journalistiek van karakter dan zijn vroegere werk. Het verscheen in afleveringen in de Frankfurter Zeitung. Het wordt wel als zijn beste en mooiste roman beschouwd. Hierin wordt het lot van de familie Trotta en de gelijktijdige ondergang van de Dubbelmonarchie beschreven. Het leven van drie generaties in de periode 1859 tot 1916 komt aan de orde.

Roth schreef met dit werk een lofzang op het oude keizerrijk. Hij verlangde enigszins terug naar dit rijk, omdat het beantwoordde aan zijn ideaal van een multi-etnische staat, waarin de vele nationaliteiten aanvankelijk in vrede met elkaar leefden. Roth gaf ook hoog op van de Dubbelmonarchie tegen de achtergrond van het opkomende nationalistische  Nazisme, waar hij niets goeds van verwachtte.

De slag bij Solferino (link).

Luitenant Trotta heeft in 1859 het leven van de toen nog jonge keizer gered in de slag bij Solferino. Daarvoor is hij beloond met bevordering en een adellijke titel. Trotta heeft zich hiermee weten te emanciperen uit het milieu van boeren en landbouwers waarin hij opgroeide. Later windt hij zich op over een verkeerde weergave van zijn heldendaad in een schoolboek. Niemand wil naar hem luisteren als hij de zaak aan de orde stelt, alleen de keizer verleent hem audiëntie, maar kan weinig uitrichten.

De zoon van Trotta kiest een ander beroep. Hij wordt ambtenaar en hoofd van een kleine provincie. Hij werkt extreem hard uit plichtsbesef voor de keizer. Hij kleedt zich ook als de keizer en probeert in alles op hem te lijken. De zoon van de luitenant is de eigenlijke hoofdpersoon van de roman.

De derde generatie Trotta wordt vertegenwoordigd door Carl Joseph. Hij treedt wel in dienst, bij de cavalerie. Zijn bedje leek gespreid, omdat de keizer hem beschermde. Maar hij lijkt zijn status niet waar te kunnen maken en moet zijn vader teleurstellen. Het gaat bergafwaarts met de familie en ook het einde van de Dubbelmonarchie lijkt zich aan te kondigen.

De vader van Carl Joseph komt zijn zoon opzoeken in het regiment waar hij gelegerd is. Hier ontspint zich een gesprek met de Poolse graaf Chojnicki over de monarchie:

 

Der Bezirkshauptmann rückte wieder näher an den Tisch und fragte: »Und warum – Pardon! – wäre es genauso überflüssig, dem Vaterland zu dienen, wie Gold zu machen?«
»Weil das Vaterland nicht mehr da ist.«
»Ich verstehe nicht!« sagte Herr von Trotta.
»Ich hab’ mir’s gedacht, daß Sie mich nicht verstehen!« sagte Chojnicki. »Wir alle leben nicht mehr!«
Es war sehr still. Der letzte Dämmer des Tages war längst erloschen. Man hätte durch die schmalen Sparren der grünen Jalousien schon ein paar Sterne am Himmel sehen können. Den breiten und schmetternden Gesang der Frösche hatte der leise, metallische der nächtlichen Feldgrillen abgelöst. Von Zeit zu Zeit hörte man den harten Ruf des Kuckucks. Der Bezirkshauptmann, vom Alkohol, von der sonderlichen Umgebung und von den ungewöhnlichen Reden des Grafen in einen nie gekannten, beinahe verzauberten Zustand versetzt, blickte verstohlen auf seinen Sohn, lediglich, um einen vertrauten und nahen Menschen zu sehn. Aber auch Carl Joseph schien ihm gar nicht mehr vertraut und nahe! Vielleicht hatte Chojnicki richtig gesprochen, und sie waren in der Tat alle nicht mehr da: das Vaterland nicht und nicht der Bezirkshauptmann und nicht der Sohn! Mit großer Anstrengung brachte Herr von Trotta noch die Frage zustande: »Ich verstehe nicht! Wie sollte die Monarchie nicht mehr dasein?«
»Natürlich!« erwiderte Chojnicki, »wörtlich genommen, besteht sie noch. Wir haben noch eine Armee« – der Graf wies auf den Leutnant – »und Beamte« – der Graf zeigte auf den Bezirkshauptmann. »Aber sie zerfällt bei lebendigem Leibe. Sie zerfällt, sie ist schon verfallen! Ein Greis, dem Tode geweiht, von jedem Schnupfen gefährdet, hält den alten Thron, einfach durch das Wunder, daß er auf ihm noch sitzen kann. Wie lange noch, wie lange noch? Die Zeit will uns nicht mehr! Diese Zeit will sich erst selbständige Nationalstaaten schaffen! Man glaubt nicht mehr an Gott. Die neue Religion ist der Nationalismus. Die Völker gehn nicht mehr in die Kirchen. Sie gehn in nationale Vereine. Die Monarchie, unsere Monarchie, ist gegründet auf der Frömmigkeit: auf dem Glauben, daß Gott die Habsburger erwählt hat, über soundso viel christliche Völker zu regieren. Unser Kaiser ist ein weltlicher Bruder des Papstes, es ist Seine K. u. K. Apostolische Majestät, keine andere wie er apostolisch, keine andere Majestät in Europa so abhängig von der Gnade Gottes und vom Glauben der Völker an die Gnade Gottes. Der deutsche Kaiser regiert, wenn Gott ihn verläßt, immer noch; eventuell von der Gnade der Nation. Der Kaiser von Österreich-Ungarn darf nicht von Gott verlassen werden. Nun aber hat ihn Gott verlassen!«

Radetzkymarsch, XI, p. 203.   Het hele boek vind je bij Gutenberg Projekt.

 

 

De beroemde Radetzkymarsch gespeeld door André Rieu.

Radetzkymarsch to go, het hele boek in een notendop (11′):

 

 

 Erich Kästner en Hans Fallada

 

 

In de roman Fabian geeft Erich Kästner (1899 – 1974) een beeld van het leven in de grote stad ten tijde van de wereldwijde economische crises in de jaren dertig. Hij doet dat met groot gevoel voor humor en oefent tevens stevige kritiek op de kleinburgelijke moraal, het militarisme en het fascisme. Fabian is een roman over het leven in Berlijn van de jaren twintig (vorige eeuw). Je kunt het boek vergelijken met Döblins Berlin Alexanderplatz, maar het is makkelijker te lezen en compacter.

 

Kästner is in Dresden geboren. Hij is bij velen bekend als schrijver van kinderboeken, zoals Emil und die Detektive (1929) en Das droppelde Lottchen (1949). Hij schreef voor kranten en tijdschriften kritische artikelen over zijn tijd in een stijl vol humor en ironie. Hij schreef graag brieven. Met zijn moeder had hij als enige zoon een zeer goede verstandhouding. In de brieven aan haar deelt hij veel mee over zijn dagelijks leven. Verder is hij bekend als schrijver van liedteksten, gedichten, theaterstukken en romans.

Na zijn opleiding tot leraar moet hij het leger in om te vechten tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dit maakt hem voor de rest van zijn leven tot pacifist. Na zijn studie Duits, geschiedenis en filosofie gaat hij voor de krant werken. In 1927 verhuist hij naar Berlijn. Hij is onder de indruk van het leven in de grote stad. Met grote belangstelling volgt hij de nieuwe uit Amerika overgewaaide ontwikkelingen op het gebied van radio, film en grammofoon. Veel van zijn boeken en gedichten bewerkt hij voor de nieuwe media.

Na de boekverbranding in 1933 verlaat hij Duitsland niet. Hij krijgt een publicatieverbod opgelegd. Om aan geld te komen werkt hij een enkele keer onder pseudoniem voor het Nazi-regime. Zijn boek Drei Männer im Schnee (1933) wordt in Hollywood verfilmd. Na de oorlog woont hij in München. Hij is kritisch over de herbewapening van Duitsland in de jaren vijftig en protesteert tegen de oorlog in Vietnam. Elf jaar lang is hij voorzitter van de schrijversvakbond P.E.N. Verder leidt hij tot zijn dood in 1974 een tamelijk losbandig leven.

Film bij Planet Schule over Erich Kästner (10′).

Zijn mooiste boek dat een goed beeld geeft van het leven in een Großstadt is Fabian. Het verhaal lijkt op een filmscript, heeft veel vaart en humor. Bovendien is het helder in mooie stijl geschreven.

Hoofdpersonen zijn Fabian en zijn vriend Labude. Zij storten zich in het beroeps- en uitgaansleven van de toenmalige grote stad Berlijn, tegen de achtergrond van de gespannen politieke en economische situatie. Fabian en Labude maken van alles mee en stellen intussen kritische vragen bij de industrialisering en modernisering van Duitsland. Na de zelfmoord van Labude keert Fabian naar Dresden terug, waar hijzelf bij een poging iemand uit het water te redden omkomt.

Kästner is een goed waarnemer van zijn tijd. Hij kijkt en beschrijft. Het boek is niet voor niets vol met woorden die met glas, etalages en kijken te maken hebben. Het is hierdoor een typisch voorbeeld van Neue Sachlichkeit.

Het eerste hoofdstuk uit Fabian kan je hier lezen.

Hier zijn twee voorbeelden van gedichten van Kästner:

Besuch vom Lande (1929)

Sie stehen verstört am Potsdamer Platz.
Und finden Berlin zu laut.
Die Nacht glüht auf in Kilowatts.
Ein Fräulein sagt heiser: “Komm mit, mein Schatz!”
Und zeigt entsetzlich viel Haut.

Sie wissen vor Staunen nicht aus und nicht ein.
Sie stehen und wundern sich bloß.
Die Bahnen rasseln. Die Autos schrein.
Sie möchten am liebsten zu Hause sein.
Und finden Berlin zu groß.

Es klingt, als ob die Großstadt stöhnt,
weil irgendwer sie schilt.
Die Häuser funkeln. Die U-Bahn dröhnt.
Sie sind alles so gar nicht gewöhnt.
Und finden Berlin zu wild.

Sie machen vor Angst die Beine krumm.
Sie machen alles verkehrt.
Sie lächeln bestürzt. Und sie warten dumm.
Und stehn auf dem Potsdamer Platz herum,
bis man sie überfährt.

Beluister het gedicht Besuch vom Lande.

Sachliche Romanze (1928)

Als sie einander acht Jahre kannten
(und man darf sagen: sie kannten sich gut)
kam ihre Liebe plötzlich abhanden.
Wie andern Leuten ein Stock oder Hut.

Sie waren traurig, betrugen sich heiter,
versuchten Küsse, als ob nichts sei,
und sahen sich an und wussten nicht weiter.
Da weinte sie schließlich. Und er stand dabei.

Vom Fenster aus konnte man Schiffen winken.
Er sagte, es wäre schon Viertel nach vier
und Zeit, irgendwo Kaffee zu trinken.
Nebenan übte ein Mensch Klavier.

Sie gingen ins kleinste Café am Ort
und rührten in ihren Tassen.
Am Abend saßen sie immer noch dort.
Sie saßen allein, und sie sprachen kein Wort
und konnten es einfach nicht fassen.

Beluister het gedicht Sachliche Romanze.

 

Er is een Erich Kästner-museum in Dresden.

 

Als geen ander heeft Hans Fallada (pseudoniem voor Rudolf Ditzens, 1893 – 1947) de gevolgen van de economische crises voor de gewone man beschreven in de realistische romans Kleiner Mann – was nun? (1932) en Bauern, Bonzen und Bomben (1931).

Fallada sloot toen hij achttien was een weddenschap met een vriend over wie het mooiste toneelstuk kon schrijven. Deze weddenschap liep uit op een duel, waarbij zijn vriend om het leven kwam. Fallada werd in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen. Van geen van beiden is overigens ooit een toneelstuk gevonden. Het leven van Fallada is door opnames in inrichtingen getekend. Dat betekende niet dat hij niet kon schrijven.

Kleiner Mann – was nun? wordt wel tot zijn beste werk gerekend, maar ook met Wolf unter Wölfen (1937) is hij bekend geworden. Postuum zijn er enkele werken van hem verschenen, zoals het onlangs gevonden Jeder stirbt für sich allein, dat een groot succes is geworden in de Verenigde Staten.

Toen Hitler aan de macht kwam heeft hij getwijfeld of hij het land verlaten moest. Uiteindelijk besloot hij te blijven, maar tot publicaties onder het Nazi-regime kwam het niet. Fallada koos voor de innere Emigration. Hij trok zich terug in een huis in Carwitz, waar hij ondanks zijn problemen (depressies, alcoholgebruik en verslaving) in relatieve rust heeft kunnen werken.


Woonhuis van Fallada, nu Fallada-museum in Carwitz (link).

Zijn woonhuis ligt in een prachtig landschap en is nu een museum dat de moeite van een bezoek zeker waard is (ook als je helemaal geen fan van Fallada bent).

Hier vind je een goede samenvatting van Kleiner Mann – was nun?

 

 

Alfred Döblin

 

 

Eén van de beroemdste boeken over de stad Berlijn is Berlin Alexanderplatz (1928) van Alfred Döblin (1878 – 1957). Het boek neemt een geheel eigen plaats in de Duitse literatuurgeschiedenis in. Je kunt het misschien expressionistisch noemen, misschien hoort het bij de Neue Sachlichkeit, geen van beide is helemaal juist. Maar eigenlijk doet dat er niet zoveel toe. Het is een kunstwerk over het leven van Franz Biberkopf. Een kunstwerk, dat wil zeggen het is een montage, zoals een film gemonteerd wordt. Maar er wordt niets glad gestreken. Het laat de lezer juist mee kijken naar waar de fragmenten aan elkaar gelast worden. Zo ontstaat er een collage van fragmenten, dat enerzijds bestaat uit het eigenlijke verhaal over de ex-delinquent Franz Biberkopf en anderzijds afgewisseld wordt door liedteksten, actualiteiten uit kranten, weerberichten of bekende citaten, onder andere bijbelteksten.

Het boek is een provocatie, het beschrijft het milieu van randfiguren, zoals louche handelaars, dieven, bordeelbezoekers en souteneurs. Het staat bewust haaks op de goede smaak van de bourgeoisie en er komt heel wat geweld in voor. Het boek is verschillende keren verfilmd. De laatste verfilming is van Burhan Qurbani (2020). Het verhaal is in deze film verplaatst naar het moderne Berlijn met een immigrant uit Guinee-Bissau in de hoofdrol.

In 1930 werkte Döblin zelf mee aan de verfilming van zijn roman. Net als Kästner was Döblin gefascineerd door het nieuwe medium film. Eind jaren zeventig maakte Rainer Werner Fassbinder een 14 delige versie van dit boek, met Hanna Schygulla en Günter Lamprecht in de hoofdrollen. De film maakt de bedoeling van Döblin met zijn boek goed duidelijk. Of liever er is geen bedoeling en al helemaal geen doel in dit leven van Franz Biberkopf. Franz moet gewoon de volgende dag zien te halen – het is 1927 in Berlijn! – en hoe hij dat klaar speelt of hoe dat steeds weer op een mislukking uitloopt, dat wordt vrij zakelijk ‘getoond’, meer is het eigenlijk niet. Misschien maakt de film duidelijk hoe het nationaal-socialisme zo eenvoudig voet aan de grond kreeg in het Duitsland uit de jaren twintig. De films van Fassbinder en Qurbani zijn in elk geval zeer de moeite waard.

Energiek en actueel, wordt de film genoemd. (Filmtrailer van de film uit 2020).

Döblin is in 1878 in Stettin (tegenwoordig Polen) in een joodse familie geboren. Hij studeerde medicijnen en specialiseerde zich in de psychiatrie. Hij was lid van de radicale afsplitsing van de SPD, de USPD. Hij werkte onder andere als journalist onder het pseudoniem Linke Pfote. Hij had veel contacten in het buitenland. Hij had belangstelling voor oosterse godsdiensten en heeft zich later (in 1941) merkwaardigerwijs tot het Rooms-Katholicisme bekeerd. In 1933 moest hij vluchten. Döblin woonde in Frankrijk en de Verenigde Staten. Na de oorlog is hij naar Duitsland teruggekeerd, maar hij heeft zich er nooit meer echt thuis gevoeld.

Döblin heeft meer geschreven dan Berlin Alexanderplatz. Beroemd en ook weer heel actueel is zijn sociaalkritische satire Die Ermordung einer Butterblume (1910). Dit boek gaat over het schuldgevoel van de koopman Michael Fischer. Met zijn wandelstok had hij namelijk de natuur (in dit geval een boterbloem) vernietigd. De natuur verschijnt aan hem daarna als een rechtbank en veroorzaakt een schuldgevoel dat in angsten en een soort psychose eindigt. De natuur neemt als het ware wraak voor een ondoordachte daad. De buitenwereld, de natuur, is de mens vreemd geworden, wil Döblin zeggen. De verhouding mens en natuur is verstoord, dat veroorzaakt irrationele reacties bij de mens, die moeite heeft zijn plaats in de wereld te hervinden.

Het verhaal van Franz Biberkopf is snel verteld. Döblin zegt er dit over:

Von einem einfachen Mann wird hier erzählt, der in Berlin am Alexanderplatz als Strassenhändler steht. Der Mann hat vor anständig zu sein, da stellt ihm das Leben hinterlistig ein Bein. Er wird betrogen, er wird in Verbrechen reingezogen, zuletzt wird ihm seine Braut genommen und auf rohe Weise umgebracht. Ganz aus ist es mit dem Mann Franz Biberkopf.

Am Schluss aber erhält er eine sehr klare Belehrung:

Mann fängt nicht sein Leben mit guten Worten und Vorsätzen an, mit erkennen und verstehen fängt man es an und mit dem richtigen Nebenmann.

Ramponiert steht er zuletzt wieder am Alexanderplatz, das Leben hat ihn mächtig angefasst.

 

Fernand Leger, Les joueurs de cartes; Kubisme

De verteltechniek van Döblin wordt weleens vergeleken met het Kubisme in de kunst. Een schilderij van Picasso of van Leger is soms ook net een collage. Bovendien maakt het niet zoveel uit hoe je zo’n schilderij houdt, je kunt het ook op de kop zetten, dan blijft het een mooi schilderij. Het centrale perspectief, zoals je dat in de Renaissancekunst tegenkomt, is hier afwezig. (De roman is ook niet auctoriaal.)

Het boek lijkt op de film van Walter Ruttmann Berlin, die Symphonie der Großstadt (1927). Het leven in de grote stad is het thema van deze zwijgende film. De beelden werden in een snel tempo en op associatieve wijze verbonden en laten het verloop van een etmaal in Berlijn zien. Er gebeurt van alles gelijktijdig. Ruttmanns symphonie is een van de eerste documentaires. De nadruk op het ritme van de montage was in die dagen revolutionair. Döblin was onder de indruk van de nieuwe filmtechniek.

Er bestaat een hele goede Nederlandse vertaling van de schrijver Nico Rost (1896 – 1967). Rost was bevriend met Döblin. Döblin sprak goed Nederlands en heeft de vertaling van Rost ook zelf gecontroleerd. Het is zeer aan te bevelen om deze vertaling naast de Duitse versie vol straattaal, slang en bargoens te leggen. Start bijvoorbeeld met hoofdstuk 1 en lees daarna eens hoofdstuk 6, het kan. Maar dan zal het boek je niet meer loslaten.

Het begin van Berlin Alexanderplatz:

Dieses Buch berichtet von einem ehemaligen Zement- und Transportarbeiter Franz  Biberkopf in Berlin. Er ist aus dem Gefängnis, wo er wegen älterer Vorfälle saß, entlassen und steht nun wieder in Berlin und will anständig sein.
Das gelingt ihm auch anfangs. Dann aber wird er, obwohl es ihm wirtschaftlich leidlich geht, in einen regelrechten Kampf verwickelt mit etwas, was von außen kommt, das unberechenbar ist und wie ein Schicksal aussieht.
Dreimal fährt dies gegen den Mann und stört ihn in seinem Lebensplan. Er rennt gegen ihn mit einem Schwindel und Betrug. Der Mann kann sich wieder aufrappeln, er steht noch fest.
Es stößt und schlägt ihn mit einer Gemeinheit. Er kann sich schon schwer erheben, er wird schon fast ausgezählt.
Zuletzt torpediert es ihn mir einer ungeheuerlichen äußersten Rohheit.
Damit ist unser guter Mann, der sich bis zuletzt stramm gehalten hat, zur Strecke gebracht. Er gibt die Partie verloren, er weiß nicht weiter und scheint erledigt.
Bevor er aber ein radikales Ende mit sich macht, wird ihm auf eine Weise, die ich hier nicht bezeichne, der Star gestochen. Es wird ihm aufs deutlichste klargemacht, woran alles lag. Und zwar an ihm selbst, man sieht es schon, an seinem Lebensplan, der wie nichts aussah, aber jetzt plötzlich ganz anders aussieht, nicht einfach und nicht fast selbstverständlich, sondern hochmütig und ahnungslos, frech, dabei feige und voller Schwäche.
Das furchtbare Ding, das sein Leben war, bekommt einen Sinn. Es ist eine Gewaltkur mit Franz Biberkopf vollzogen. Wir sehen am Schluss den Mann wieder am Alexanderplatz stehen, sehr verändert, ramponiert, aber doch zurechtgebogen.
Dies zu betrachten und zu hören wird sich für viele lohnen, die wie Franz Biberkopf in einer Menschenhaut wohnen und denen es passiert wie diesem Franz Biberkopf, nämlich vom Leben mehr zu verlangen als das Butterbrot.(p. 7)

 

Zeer goede Radiouitzending over Alfred Döblin, waarin hij zelf te beluisteren is (wdr, 14′).

Alexanderplatz to go in 12 minuten.

Levensloop van Döblin vind je bij de Internationale Döblin-Gesellschaft.

 

 

 

 

Na Neue Sachlichkeit komt literatuur in de tijd van het Derde Rijk: