17. Naoorlogse literatuur in het Westen (1947 – 1968)

 

 

 

In het Duits: Nachkriegsliteratur im Westen.

 

 

Historische achtergrond

 

 

Reichsparteitagsgelände in Nürnberg, Sprengung des Hakenkreuzes (bekijk de film)

 

Trümmer

Na de verwoestingen door twaalf jaar Nazi-dictatuur en een verloren wereldoorlog kwam het normale leven in Duitsland maar moeizaam op gang. Steden, infrastructuur en economie lagen in puin en de wederopbouw vergde ieders inzet.

In een beroemde rede 40 jaar na de Tweede Wereldoorlog zei de oud-president Richard von Weizsäcker (1920 – 2015) over deze tijd:

 

Der 8. Mai ist für uns Deutsche kein Tag zum Feiern. Die Menschen, die ihn bewusst erlebt haben, denken an ganz persönliche und damit ganz unterschiedliche Erfahrungen zurück. Der eine kehrte heim, der andere wurde heimatlos. Dieser wurde befreit, für jenen begann die Gefangenschaft. Viele waren einfach nur dafür dankbar, dass Bombennächte und Angst vorüber und sie mit dem Leben davongekommen waren.

De achtste mei is voor ons Duitsers geen feestdag. Degenen die deze dag bewust hebben meegemaakt, denken aan heel persoonlijke en daarmee aan heel verschillende ervaringen terug. De één keerde naar zijn huis terug, de ander werd dakloos. Sommigen werden bevrijd, voor anderen begon een periode van gevangenschap. Velen waren er eenvoudigweg dankbaar voor, dat bombardementen en angst voorbij waren en zij het er levend vanaf hadden gebracht.

Rede van Richard von Weizsäcker op 8 mei 1985 (44′)

 

Direct na de bevrijding overheerste onder de bevolking vooral het gevoel van onzekerheid. De desillusie was groot en er ontstond in de strijd om te overleven te midden van erbarmelijke omstandigheden een behoefte aan nieuwe oriëntatie, aan troost en rust. Ook al is 1945 een groot keerpunt in de Duitse geschiedenis, van een echte Wende, een algemeen gedeeld besef van bevrijding en van een Neubeginn was direct na de oorlog in elk geval nog weinig te bespeuren. Er was eerder sprake van een levensbeschouwelijke crisis.

De dichter Gottfried Benn verwoordt dit levensgevoel in zijn gedicht Nur zwei Dinge uit 1953:

Beluister het gedicht.

Gottfried Benn

Nur zwei Dinge (1953)

Durch so viel Formen geschritten,
durch Ich und Wir und Du,
doch alles blieb erlitten
durch die ewige Frage: wozu?

Das ist eine Kinderfrage.
Dir wurde erst spät bewusst,
es gibt nur eines: ertrage
– ob Sinn, ob Sucht, ob Sage –
dein fernbestimmtes: Du musst.

Ob Rosen, ob Schnee, ob Meere,
was alles erblühte, verblich,
es gibt nur zwei Dinge: die Leere
und das gezeichnete Ich.

 

Heimkehrer

Met de verwijzing naar de eeuwige vraag wozu? brengt dit gedicht in een notendop het literaire klimaat van de jaren vijftig in Duitsland onder woorden. Sommigen wilden de vraag het liefst verdringen. Zij zochten aansluiting bij de traditionele vormen van dichtkunst en droomden van een ongeschonden natuur en een heile Welt. Velen van hen hadden Duitsland niet verlaten en zich als eenzamen in hun werk teruggetrokken. Zij hadden de Innere Emigration opgezocht. Voor zover zij schreven, belandde hun werk tijdens de oorlog in de Schublade, de bureaula, waar het pas na 1945 uitkwam. Anderen, meestal de schrijvers die voor het fascisme gevlucht waren of verplicht aan het front gevochten hadden, wilden bij hun terugkeer een echt nieuw begin maken. Dit was veruit de kleinste groep, de generatie van de Stunde Null.

Van een echt nieuw begin was er in Duitsland toen nog geen sprake. Allen zochten aansluiting bij tradities van voor de Tweede Wereldoorlog. De emigranten wilden modern zijn en aansluiten bij het expressionisme en de literatuur van de jaren dertig. Anderen zetten zich daar juist tegen af en schreven in de traditie van de meer conservatieve Naturlyrik, met een vleugje nieuwe religiositeit of subjectiviteit als vlucht uit en reactie op de harde werkelijkheid.

Günter Eich

Vergelijk bijvoorbeeld het gedicht Februarmond van Wilhelm Lehmann (1882 – 1968) uit 1954 met de gedichten Inventur van Günter Eich uit 1945 en Heimkehr van Hans Bender uit 1949. Bij Lehmann springt de traditionele vorm met rijm en een romantische, bijna magische sfeer, direct in het oog. Daartegenover staat de zakelijk nuchtere toon en de moderne dichtvorm bij schrijvers als Eich en Bender.

 

 Februarmond (Wilhelm Lehmann)

Ich seh den Mond des Februar sich lagern
Auf reinen Himmel, türkisblauen.
In wintergelben Gräsern, magern,
Gehen Schafe, ruhen, kauen.

Dem schönsten folgt der Widder, hingerissen.
Die Wolle glänzt, gebadete Koralle.
Ich weiß das Wort, den Mond zu hissen.
Ich bin im Paradiese, vor dem Falle.

Heimkehr (Hans Bender)

Im Rock des Feindes,
in zu großen Schuhen,
im Herbst,
auf blattgefleckten Wegen
gehst du heim.

Die Hähne krähen
deine Freude in den Wind,
und zögernd pocht
dein Knöchel
an die stumme,
neue Tür.

 

Beluister hier Inventur

Lees hier Inventur

 

Inventur

Inventur (1947- Günter Eich)

Dies ist meine Mütze,
dies ist mein Mantel,
hier mein Rasierzeug
im Beutel aus Leinen.

Konservenbüchse:
Mein Teller, mein Becher,
ich hab in das Weißblech
den Namen geritzt.

Geritzt hier mit diesem
kostbaren Nagel,
den vor begehrlichen
Augen ich berge.

Im Brotbeutel sind
ein Paar wollene Socken
und einiges, was ich
niemand verrate,

 

so dient es als Kissen
nachts meinem Kopf.
Die Pappe hier liegt
zwischen mir und der Erde.

Die Bleistiftmine
lieb ich am meisten:
Tags schreibt sie mir Verse,
die nachts ich erdacht.

Dies ist mein Notizbuch,
dies meine Zeltbahn,
dies ist mein Handtuch,
dies ist mein Zwirn.

Als je in Eichs gedicht Inventur steeds twee regels naast elkaar zet, ontstaat er een sonnet. Je ziet dat Eich kennelijk bewust breekt met deze traditionele vorm van dichtkunst. De schokkende inhoud van zijn realistische boodschap wordt door de breuk met de sonnetvorm extra onderstreept.

 

Erich Gerlach, Heimkehr (1947)

Van een Vergangenheitsbewältigung, een kritische bezinning op alles wat er onder de Hitler-dictatuur is gebeurd, was beslist nog geen sprake. Hooguit kun je spreken van een bestandsopname, een Inventur. Het schilderij van Erich Gerlach illustreert dit. Het geeft de half surrealistische sfeer van de mentale gesteldheid uit die tijd goed weer. De kunstenaar zoekt er aarzelend zijn weg. De met sneeuw bedekte achtergrond is symbolisch voor het toedekken, maar ook voor de gewenste reinheid en onschuld. Het plantje staat voor het nieuwe zaad, de hoop op een nieuw begin. Maar zover was het na de oorlog nog niet direct.

Sommigen, waaronder de in 1933 gevluchte schrijver Alfred Döblin, oordeelden hard over de schrijvers van de Innere Emigration en over het zogenaamde nieuwe begin na de oorlog.

 

man hat nichts gelernt und es ist alles bis auf die Vertreibung Hitlers gleich geblieben …

men heeft niets geleerd en alles is, op de verdrijving van Hitler na, hetzelfde gebleven … (Alfred Döblin)

 

Duitsland in het teken van Umerziehung (reeducation) en denazificatie

De vier bezettingsmachten voerden in hun zones elk een eigen cultuurpolitiek. Over één punt waren ze het in elk geval eens: in Duitsland moest een reeducation, een Umerziehung, een heropvoeding en een denazificatie plaatsvinden. Voor het centrum daarvan werd door de westerse bezettingsmachten de stad München in de Amerikaanse sector gekozen. Hier werden de Duitse krijgsgevangenen voor heropvoeding bijeengebracht. Hier werden tevens de lijnen voor een de nieuwe cultuurpolitiek door de bezetters uitgezet.

Met de oprichting van kranten en tijdschriften probeerden jonge schrijvers de Duitse cultuur weer nieuw leven in te blazen. Hier was ook de bakermat van de Gruppe 47, een soort vereniging van schrijvers, die tot ver in de jaren zestig toonaangevend was voor het naoorlogse literaire leven in Duitsland. Van begin af aan waren hier de later beroemde schrijvers zoals Hans Werner Richter en Alfred Andersch actief.

Het Amerikaanse bureau voor cultuur was in de Schellingstraße in München gevestigd. Walter Kolbenhoff was tot 1949 redacteur van de onder toezicht van de Amerikanen uitgegeven krant die Neue Zeitung. Hij schreef over deze jaren in zijn autobiografie Schellingstraße 48, Erfahrungen mit Deutschland.

Ich muss ihnen erzählen, wie es dem geht, der wieder nach Hause kommt. Ich muss mich selber schildern, denn ich bin einer von Hunderttausenden. Ich muss meine Träume schildern, meinen Hunger und meine Sehnsüchte. Sie werden sich vielleicht in mir wiedererkennen, und ich muss ihnen sagen, dass sie nicht verzweifeln sollen, dass sie wieder von vorn anfangen müssen. (Walter Kolbenhoff)

 

Over de Nürnberger Prozesse en Entnazifizierung vind je hier meer informatie.

 

Deling van Duitsland

Economische hulp voor heel Europa

Een reeks politieke ontwikkelingen dreef West- en Oost-Duitsland intussen steeds verder uit elkaar. Dit had ook gevolgen voor de cultuurpolitiek. Na de invoering van de D-Mark (Währungsreform) in juni 1948 in de Amerikaanse, Britse en Franse bezettingszones besloot de Sovjet-Unie, de bezettingsmacht van het oostelijk deel van Duitsland, om West-Berlijn nog in dezelfde maand van de buitenwereld af te sluiten. Tijdens deze elf maanden durende Blockade tot mei 1949 kon het door de westerse geallieerden bezette West-Berlijn, dat als een eilandje midden in de Sovjetzone lag, alleen door de lucht worden bevoorraad, de zogenaamde Luftbrücke.

Dit was het begin van een Koude Oorlog, die gekenmerkt werd door gespannen diplomatieke verhoudingen tussen Oost en West, door de oprichting van twee Duitse staten in 1949, het begin van een wapenwedloop en uiteindelijk de bouw van de muur in 1961.

 


Bekijk hier een video over de Luftbrücke (4′).

 

In 1949 werd de deling van Duitsland officieel een feit toen op 23 mei de grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland van kracht werd. Officieel gold die wet voor heel Duitsland, maar feitelijk gold deze alleen voor het gebied dat bestond uit de Amerikaanse, de Britse en de Franse bezettingszones inclusief West-Berlijn.

Op 7 oktober 1949 werd in de oostelijke bezettingszone een eigen grondwet aangenomen. Vanaf toen was de deling van Duitsland (in BRD en DDR) tot 3 oktober 1990 – de Tag der deutschen Einheit – een feit.

Konrad Adenauer ondertekent de grondwet 23 mei 1949. (Link onder foto: Gründung der BRD; 4′)

Oprichting van de DDR in oktober 1949

 

 

  • Meer informatie over de Nachkriegszeit (bij Planet Wissen).
  • Deutschland in Trümmern (film 13′):

Wil je meer weten over de naoorlogse tijd in Duitsland? Lees dan Wolfstijd. Zeer goede mentaliteitsgeschiedenis. 

 

Meer over Literatuurgeschiedenis vanaf 1945 (met leesopdrachten) vind je op de onderwijssite van het DIA/UvA.

 

 

Ontwikkelingen in de literatuur

realistisch – asketisch – nur Tatsachen

In het westen ondergingen de schrijvers invloeden van de moderne Amerikaanse en Engelse literatuur. Zij sloten aan bij de traditie van de short story, het korte verhaal met de niets verbloemende, nuchtere, niet-sentimentele en harde schrijfwijze. Meestal was de teneur pessimistisch. Men sprak van de ‘reinigende Kraft’ van het Amerikaanse proza (Alfred Andersch).

In het Oosten was de literatuur verplicht optimistisch. Niet de moderne westerse roman, de short story of montageroman, maar het socialistisch realisme, de voor iedereen eenvoudig te begrijpen realistische schrijfwijze gaf er de toon aan. Van begin af aan stonden de schrijvers uit Oost en West wat hun oriëntatie betreft tamelijk ver van elkaar af, geleidelijk aan groeiden ze naar elkaar toe en werd het verschil tussen de literatuur uit beide Duitslanden steeds kleiner. (Meer over de geschiedenis van de literatuur in de DDR vind je in een volgend hoofdstuk.)

In de literatuur van de jaren vijftig werd in het Westen aarzelend naar een nieuw begin gezocht. Enerzijds stond zij nog in het teken van de onwerkelijke sfeer van de Trümmer, de verwoestingen en puinhopen. Anderzijds zocht men aansluiting bij de tradities die voorhanden waren, het expressionisme uit de jaren twintig of de conservatieve reactie daarop, de Naturlyrik.

De literatuur van de jaren zestig geeft een ander beeld te zien. Er komt dan een felle discussie op gang over de politieke ontwikkelingen tegen de achtergrond van het Wirtschaftswunder, de snelle economische vooruitgang.

Pas vanaf de jaren zestig zal er een begin gemaakt worden met een serieuze verwerking van het recente verleden, de Vergangenheitsbewältigung. Literatuur krijgt dan een uitgesproken politiek karakter.

Op deze pagina vind je de volgende paragrafen. (Je kunt direct naar de betreffende paragraaf door op de link te klikken.)

 

(Trümmerliteratur in 13 Minuten.)

 

 

Literatuur in de jaren vijftig

 

Anthologie met het begrip ‘Kahlschlagliteratur’

De Trümmerliteratur kon niet veel anders zijn dan allereerst een inventarisatie van de nieuw ontstane situatie. De werkelijkheid dwong tot een heroriëntatie op nieuwe waarden en tot een discussie over de toekomst. Er viel ook niets te verbloemen. Aan de Alleinschuld van Duitsland twijfelde, anders dan in de periode na de Eerste Wereldoorlog, niemand. De taal was door de Nazi’s misbruikt en verontreinigd. Er was behoefte aan een schoonmaak en een bezinning op taal, aan een nuchtere literatuur: een Kahlschlag. Alleen maar ‘opschrijven wat is’, zo typeerde Wolfgang Weyrauch (1907 – 1980) de Kahlschlagliteratur.

Zijn in 1949 uitgegeven anthologie kreeg de veelzeggende titel Tausend Gramm. Duizend gram woog het rantsoen, waar je destijds de dag mee door moest zien te komen. Deze bundel bestond vooral uit korte verhalen, hoorspelen en gedichten. De inhoud werd gekenmerkt door het onomwonden uitspreken van de waarheid, eventueel ten koste van de schoonheid:

‘Wahrheit erfolgt aber auf Kosten der Poesie. Schönheit ohne Wahrheit ist unmöglich, aber Wahrheit ohne Schönheit ist notwendig.’

Het gedicht Inventur van Günther Eich is een goed voorbeeld van de Trümmerliteratur, evenals Christa Reinigs gedicht Mein Besitz.

 

Mein Besitz

Christa Reinig

Ich habe einen mantel in die jackentasche zu stecken
einen taschenmantel
ich habe ein radio in die jackentasche zu stecken
ein taschenradio
ich habe eine bibel in die jackentasche zu stecken
eine taschenbibel
ich habe gar keine solche jacke mit taschen
gar keine taschenjacke

ich habe eine schnapspflasche mit zwölf gläsern für mich
und alle meine onkels und tanten
ich habe eine kaffeekanne mit vier tassen für mich
und meine drei besten freundinnen
ich habe ein schachbrett mit schwarzen und weißen steinen für mich
und einen freund
ich habe gar keine freunde einzuladen
niemanden
ich habe einen himmel endlos über mir
darunter mich wiederzufinden
ich habe eine stadt voll straßen endlos
darin mir zu begegnen
ich habe ein lied endlos und endlos
darin ein- und auszuatmen
ich habe nicht mehr als ein gras zwischen zwei pflastersteinen
nicht mehr zu leben

 

 

Na Auschwitz – Wonen in taal

Czernowitz

Tot de meest gelezen en bestudeerde dichters in Duitsland behoren de joodse emigranten Rose Ausländer (1901 – 1988) en Paul Celan (1920 – 1970).

Hun werk, dat direct na de oorlog in Duitsland gepubliceerd werd, ademt de bijzondere sfeer van de Viersprachenstadt Czernowitz in de provincie Bukowina (nu Oekraïne). Na de oorlog zijn zij naar deze stad niet meer teruggekeerd.

 

 

Beluister Bukowina,  een gedicht van Rose Ausländer. Zij leest het zelf met het Duitse accent van dit gebied.

Lees hier Bukowina I en Wer bin ich van Rose Ausländer.

 

Bukowina I

Grüne Mutter
Bukowina
Schmetterlinge im Haar

Trink
sagt die Sonne
rote Melonenmilch
weiße Kukuruzmilch
ich machte sie süß

Violette Föhrenzapfen
Luftflügel Vögel und Laub

Der Karpatenrücken
väterlich
lädt dich ein
dich zu tragen

Vier Sprachen
Viersprachenlieder

Menschen
die sich verstehn

Wer bin ich

Wenn ich verzweifelt bin

schreib ich Gedichte

Bin ich fröhlich

schreiben sich die Gedichte

in mich

Wer bin ich

wenn ich nicht

schreibe

Rose Ausländer

 

 

Rose Ausländer werd in Czernowitz geboren, in het grensgebied van de vroegere Oostenrijk-Hongaarse dubbelmonarchie. Zij vluchtte naar de Verenigde Staten, maar keerde in de jaren zestig terug naar Duitsland. In 1988 stierf zij in Düsseldorf.

Czernowitz was oorspronkelijk een Oostenrijkse stad, waar veel verschillende talen werden gesproken. Behalve Duits en Roemeens was ook het Jiddisch, een mengeling van Hebreeuws en Duits, er nog lang een belangrijke voertaal.

De beroemde Duitse zangeres Nizza Thobi zingt Jiddisch is gor nicht aso schwer. Veel Duitse woorden zul je kunnen herkennen.

Een beroemd lied in het Jiddisch uit 1928 is Mein shtetl Belz. Shtetl betekent stadje.

Deze stad was een sprookjesachtige wereld van dichters en denkers, die opgegroeid waren met de mythen en fabels uit de mystieke joodse traditie van het Chassidisme.

Ook Paul Celan was uit deze stad afkomstig. Het is niet verwonderlijk dat deze op de vlucht gedreven generatie, die nergens een thuis had, alleen in de taal een veilig heenkomen vond. Rose Ausländer zegt het zo:

 

Warum schreibe ich? Vielleicht weil ich in Czernowitz zur Welt kam, weil die Welt in Czernowitz zu mir kam. Die besondere Landschaft. Die besonderen Menschen. Märchen und Mythen lagen in der Luft, man atmete sie ein.

Wir zum Tode verurteilten Juden waren unsagbar trostbedürftig. Und während wir den Tod erwarteten, wohnten manche von uns in Traumworten – unser traumatisches Heim in der Heimatlosigkeit. Schreiben war Leben/Überleben. (Braun, H (2006; 2005), Czernowitz. Berlin: Links Verlag. p. 90)

Waarom ik schrijf? Misschien omdat ik in Czernowitz ter wereld kwam, omdat de wereld in Czernowitz tot mij kwam. Het bijzondere landschap. De bijzondere mensen. Sprookjes en mythen hingen in de lucht, men ademde ze in.

Wij ter dood veroordeelde Joden hadden een onnoemelijke behoefte aan troost. En terwijl wij de dood verwachten, woonden velen van ons in droomwoorden – ons getraumatiseerde tehuis in een onbehuisdheid. Schrijven was (over)leven. (vert. JK)

 

Paul Celan

Celan had evenals Ausländer in de oorlog vrijwel zijn gehele familie verloren. Deze traumatische ervaring van de Holocaust leidde enerzijds tot het onvermogen om het verschrikkelijke in woorden te vatten.  Anderzijds dwongen zijn ervaringen Celan toch tot het opschrijven en het aarzelend onder woorden brengen van het gebeurde: om het te kunnen verwerken en opdat wij niet zouden vergeten.

 

Paul Celan over de taal van zijn gedichten:

 

Erreichbar, nah und unverloren blieb inmitten der Verluste dies eine: die Sprache. Sie, die Sprache, blieb unverloren, ja, trotz allem. Aber sie musste nun hindurchgehen durch ihre eigenen Antwortlosigkeiten, hindurchgehen durch furchtbares Verstummen, hindurchgehen durch tausend Finsternisse todbringender Rede. Sie ging hindurch und gab keine Worte her für das, was geschah; aber sie ging durch dieses Geschehen. Ging hindurch und durfte wieder zutage treten, ‘angereichert’ von all dem.

Temidden van al het verlorene bleef bereikbaar, dichtbij en onder handbereik: de taal. De taal bij uitstek bleef, ondanks alles, onverloren. Maar zij moest door haar eigen zwijgen heen, door haar vreselijke verstommen, door de duizend duisternissen van haar dodelijke spreken heen. Zij ging daar doorheen, maar hoestte geen woorden op voor wat er was gebeurd; maar zij ging er doorheen. Ging er doorheen en mocht weer tevoorschijn treden, ‘verrijkt’ door alles. (vert. JK)

 

Deze verrijking zoals Celan het noemde, leidde tot gedichten waarin het zwijgen en zeggen door het wit op de bladzijde veelbetekenend tot uitdrukking worden gebracht. Grammaticale verbindingen tussen strofen ontbreken vaak, zinnen staan als losse eenheden geïsoleerd naast elkaar, het metrum is chaotisch en onrustig. De beelden die ontstaan, zijn brokken van herinnering als reactie op vreselijke gebeurtenissen. Noodgedwongen hermetisch is zijn poëzie, raadselachtig en bewust ontoegankelijk.

Zijn gedicht Todesfuge is van deze hermetische versleutelde poëzie een treffende illustratie. Dit gedicht wordt vanaf de jaren vijftig tot in het oneindige becommentarieerd. Voor een commentaar op dit gedicht zie het vorige hoofdstuk Trümmerliteratur.

 

Beluister hier Todesfuge gelezen door Paul Celan.

 

Lees Todesfuge hier

 

Todesfuge (1944/45)

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends
wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts
wir trinken und trinken
wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete
er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine
Rüden herbei
er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde
er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt
der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete
Dein aschenes Haar Sulamith  wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt
man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt
er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau
stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr anderen spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends
wir trinken und trinken
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland
er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft
dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts
wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland
wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken
der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau
er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau
ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete
er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft
er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus
Deutschland

dein goldenes Haar Margarete
dein aschenes Haar Sulamith

Voor een commentaar op dit gedicht zie het vorige hoofdstuk Trümmerliteratur.

 

 

Dein goldenes Haar Margarethe (1981)van Anselm Kiefer

Dein aschenes Haar Sulamith van Anselm Kiefer
Een bijzondere plaats in de reeks van commentaren op de Todesfuge neemt het werk van de schilder Anselm Kiefer (geb. 1945) uit de jaren tachtig in. Met zijn schilderijen Dein goldenes Haar Margarethe en Dein aschenes Haar Sulamith wil hij het onzegbare, de verschrikkingen van het Nazi-regime, tot uitdrukking brengen.

 

Beluister Corona gelezen door Paul Celan.

 

Lees hier Corona (1952).

 

Corona (1952)

Aus der Hand frißt der Herbst mir sein Blatt: wir sind Freunde.
Wir schälen die Zeit aus den Nüssen und lehren sie gehn:
die Zeit kehrt zurück in die Schale.

Im Spiegel ist Sonntag,
im Traum wird geschlafen,
der Mund redet wahr.

Mein Aug steigt hinab zum Geschlecht der Geliebten:
wir sehen uns an,
wir sagen uns Dunkles,
wir lieben einander wie Mohn und Gedächtnis,
wir schlafen wie Wein in den Muscheln,
wie das Meer im Blutstrahl des Mondes.

Wir stehen umschlungen im Fenster, sie sehen uns zu von der
Straße:
es ist Zeit, daß man weiß!
Es ist Zeit, daß der Stein sich zu blühen bequemt,
daß der Unrast ein Herz schlägt.
Es ist Zeit, daß es Zeit wird.

Es ist Zeit.

 

 

Corona is een ander voorbeeld van Celans dichtkunst. Het valt niet altijd mee om de reeks van metaforen en zinspelingen eenduidig te ontraadselen. In het gedicht Corona zou ‘es ist Zeit’ een verwijzing kunnen zijn naar Rilkes beroemde herfstgedicht (‘Herr, es ist Zeit, der Sommer war sehr groß’; zie Jahrhundertwende) en het woord ‘herbsten’ naar oogsten of persen. Zoals wijn wordt opgeslagen, zo wordt ook het geween ingekelderd, het leed van het verleden wordt opgeslagen in kelders, in het donkere gebied van de ziel.

Het kijken speelt via het oog als spiegel van de ziel en als orgaan dat indrukken opdoet een belangrijke rol. Misschien komt de eeuwige wederkeer in de natuur tot uitdrukking in de herhaling van het ‘es ist Zeit’. Deze wederkeer zou dan pas tot rust komen in de slaap of in de droom. Bedoeld is misschien het rusteloze vluchten van vervolgden op zoek naar een tehuis.

Celan heeft hierbij zeker aan het eeuwige ronddolen van het joodse volk gedacht. Dit laat zich dan weer in verband brengen het woord Corona, de stralenkrans, maar ook de buitenste ring van de zon, die bij een zonsverduistering als lichtkrans waarneembaar is.

Verder staan slaap en droom in verband met vergeten en gedenken, een onvolledig en vervormd herinneren zoals in een hallucinatie. De herinnering aan de dode geliefde is alleen in een droom mogelijk, de overlevende ervaart zo de lotsverbondenheid met de omgekomene.

Hier wordt slechts een tipje van de sluier over de raadsels die de gedichten van Celan vaak zijn, opgelicht. Misschien moet je zijn gedichten ook niet willen interpreteren, maar als schilderijen op je laten inwerken, zoals in de volgende video wordt verwoord en uitgebeeld.

 

Na zijn zelfgekozen dood in Parijs in 1970 – Celan springt in de Seine – dicht Rose Ausländer ‘In memoriam Paul Celan’:

In Memoriam Paul Celan (Rose Ausländer)

„Meine blonde Mutter
kam nicht heim“  Paul Celan

Kam nicht heim
die Mutter

nie aufgegeben
den Tod

vom Sohn genährt
mit Schwarzmilch

die hielt ihn am Leben
das ertrank
im Tintenblut

Zwischen verschwiegenen Zeilen
das Nichtwort
im Leerraum
leuchtend

Rose Ausländer leest het gedicht.

Rose Ausländer
De verwijzing naar Todesfuge is met het woord ‘Schwarzmilch’ duidelijk aanwezig. Celans ouders waren niet teruggekeerd uit het kamp. Dit voelde alsof hij zijn ouders in de steek had gelaten. Celan ging zijn hele leven onder dit schuldgevoel gebukt. Het dichten en het spelen met taal hielden hem later in leven. Maar wat hij wilde zeggen, was eigenlijk te groot en te dramatisch voor woorden. Alleen tussen de regels door kon een goede verstaander zijn gedichten, die woordraadsels zijn, misschien begrijpen.

Cirkelend rond een veelzeggende leegte, licht de boodschap van zijn met inkt aan het papier toevertrouwde tekens soms even op.

Zelf lijkt Celan uiteindelijk ook letterlijk ten onder te zijn gegaan aan het verwoorden van zijn ervaringen. Dat althans lijkt Rose Ausländer in haar herinneringsgedicht voor Paul Celan met de woorden ‘ertrank im Tintenblut’ nog eens te willen onderstrepen.

 

Uitzending (43′) ‘Dichter ist, wer menschlich spricht’ over het leven van Paul Celan:

 

Liefhebbers kunnen hier een gesprek met Helmut Braun, de uitgever van het werk van Rose Ausländer, beluisteren (28′).

 

 

Het koor der overlevenden

Naast de in die tijd nog tamelijk onbekende en kritische gedichten, waren er toen vooral de meer traditionele geluiden van de ‘conservatieve’ schrijvers uit de Innere Emigration bekend. Tot deze groep dichters behoorden onder anderen Werner Bergengruen (1892 – 1964) en de tot het katholicisme bekeerde joodse schrijfster Elisabeth Langgässer (1899 – 1950). Zij sympathiseerden niet met het Nazi-regime, maar konden of wilden om bepaalde redenen niet vluchten. Het werd deze schrijvers door de Nazi’s regelmatig verboden om te publiceren.

 

Heel aangrijpend is de geschiedenis van Cordelia, de dochter van Elisabeth Langgässer, die op het Gestapo-hoofdkwartier moest komen. In tegenstelling tot haar moeder werd zij volgens de Nazi-wetgeving als voljoodse beschouwd, moest een Jodenster gaan dragen en werd naar Auschwitz gebracht. Zij overleefde het kamp en stierf in 2012 in Zweden.

 

Elisabeth Langgässer – Die Schicksalsstunde im Gestapo Hauptquartier – Cordelias Darstellung

‘Schweigend reichte ihr die Mutter einen Brief in Maschinenschrift auf Behördenpapier, eine Aufforderung, sich im Hauptquartier der Gestapo einzufinden. Sie betraf das Mädchen, aber die Mutter hatte bereits beschlossen, ihre Tochter zu begleiten – so weit, wie sie es vermochte.

Wie stets war das Mädchen sehr stolz auf die schöne, elegante Mutter, die an diesem Tag einen weißen Leinenmantel und eine große, schwarze Lacktasche trug. Das große, graue Haus, das Hauptquartier der Gestapo, und das hallende Stiefelgetrampel der SS-Männer, wenn sie die breiten Marmortreppen hinauf- und hinunterliefen, erschreckten sie jedoch, alles erinnerte allzusehr an die Höhle des Drachen. Mutter und Tochter suchten in den langen Korridoren ihren Weg bis zu dem Zimmer Nr. soundso. Doch kaum hatten sie das Zimmer betreten, schwand die Furcht des Mädchens dahin, der Beamte, der sie bestellt hatte, trug keine Uniform, es war ein kleiner, magerer Mann mit dünnem Schnurrbart und Brille. Höflich bot er der Mutter einen Stuhl an, das Mädchen jedoch musste stehen, während er erklärte, worum es ging. Ja, die Sache sei die, dass das Mädchen ja einen gültigen spanischen Paß nebst Einreisevisum habe, dagegen lasse sich von deutscher Seite nichts einwenden, er war nahe daran, ‘leider’ zu sagen, merkte aber, dass es überflüssig war. Doch nun sei es so, dass auch ein deutsches Ausreisevisum nötig sei, und ein Ausreisevisum werde es sicherlich nicht geben. ‘Wie ich sehe, tragen Sie keinen Judenstern’, sagte er zu dem Mädchen gewandt. Noch war es keine Anklage, nur eine Feststellung. Das Mädchen notierte mit großer Genugtuung, dass er die Anrede ‘Sie’ verwendet hatte; es war das erstemal, dass man sie siezte, offensichtlich galt sie also als erwachsen. Trotzdem war es die Mutter, die erklärte, man habe ihr auf der spanischen Botschaft versichert, dass das Mädchen als spanische Staatsbürgerin nicht unter die deutschen Rassengesetze falle und somit auch nicht gezwungen werden könne, den Judenstern zu tragen, insbesondere auch deshalb nicht, weil sie als Katholikin geboren sei. ‘Das mag ja sein’, erwiderte der Beamte langmütig, ‘aber’, und wieder wandte er sich direkt an das Mädchen, ‘wir haben hier ein Dokument ausgefertigt, das wir zu unterzeichnen bitten.’ Das Dokument entpuppte sich als eine im Namen des Mädchens ausgestellte Erklärung, dass sie die doppelte Staatsangehörigkeit akzeptiere, somit die deutsche neben der spanischen behalte, und sich ferner den deutschen Gesetzen einschließlich der Rassengesetze nebst Anwendung auf ihre Person freiwillig füge. Dies schließe das Tragen des Judensterns und einen eventuellen künftigen ‘Abtransport’ in den Osten ein.

Lees hier de rest van het verhaal.

 

Unsicher sah die Tochter die Mutter an, und ihr Blick traf auf eine weiße Maske, worin der allzu rote Mund wie eine Wunde glühte. Von der Mutter war im Augenblick keine Unterstützung zu erwarten, das wurde dem Mädchen sofort klar. Große Angst überkam sie, doch wie immer kam ihr der Trotz zu Hilfe. O nein, so leicht würde das nicht gehen, nein, nicht wieder den Judenstern, ‘Abtransport in den Osten’ klang zwar auch nicht gut, aber mit dem Judenstern hatte sie Erfahrung. Das Mädchen entschloß sich, ‘die kesse Berlinerin’ zu spielen, eine Rolle, die sie schon früher mit Erfolg kreiert hatte. ‘Ich bitte darum, meine Botschaft anrufen zu dürfen’, teilte sie dem Beamten mit und fand, es klinge erwachsen und beeindruckend, schließlich hatte er sie ja gesiezt. Hinter den Brillengläsern blitzte es auf, und der Schnurrbart zuckte wie von unterdrücktem Lachen: ‘Bitteschön, mein Fräulein, hier ist das Telefon!’ Entgegenkommend hob er ihr den Apparat hinüber, und sie hatte schon die Hand auf den Hörer gelegt, als er fortfuhr, und jetzt spie der Drache Feuer: ‘Aber’, und dies klang wie ein Peitschenhieb, ‘aber wenn sie nicht auf der Stelle unterzeichnen, dann müssen wir ihre Mutter belangen!’ Er erklärte dem Mädchen, die Mutter habe die spanische Adoption der Tochter arrangiert, um die deutschen Gesetze zu umgehen und sich ihnen zu entziehen, was als ernstes Vergehen betrachtet werden könne, als Landesverrat, Hochverrat und etwas Drittes, woran das Mädchen sich später nicht mehr erinnerte. Falls das Mädchen jedoch jetzt unterzeichne, sei ja noch kein Schaden geschehen, dann ließe sich bei dem Fehltritt der Mutter Nachsicht üben. ‘Und’, fügte er sicherheitshalber hinzu, ‘Sie sind sich ja wohl der Tatsache bewusst, dass Ihre Mutter Halbjüdin ist.’

Wieder sah das Mädchen die Mutter an und begegnete dem Blick der schönen, braunen Augen, Augen, die vor Intensität strahlen, das Mädchen verzaubern konnten, die aber randvoll waren von stummem, hilflosem Schmerz. Niemand sagte etwas, nichts brauchte gesagt zu werden, es gab keine Wahl, hatte nie eine gegeben, sie war Cordelia, die ihr Treuegelöbnis hielt, sie war auch Proserpina, sie war die Auserwählte, und nie hatte sie dem Herzen ihrer Mutter nähergestanden. Die Kehle schnürte sich ihr zu, aber schließlich brachte sie es heraus: ‘Ja, ich unterschreibe.’

Der Drache, jetzt satt und zufrieden, wurde wieder zu einem fast freundlichen Beamten und gab zum Abschied die Auskunft: ‘Und jetzt können Sie ins Zimmer gegenüber gehen und sich dort einen neuen Judenstern abholen, er kostet 50 Pfennig.’

Cordelia Edvardson: ‘Gebranntes Kind sucht das Feuer’, Teil I, 21. Kap.

 

Op wonderbaarlijke wijze heeft Cordelia Auschwitz overleefd. Ter gelegenheid van haar terugkeer schreef haar moeder in 1946 het gedicht Frühling 1946 onder de titel Gedichte für Cordelia.

 

Beluister het gedicht Frühling 1946.

Frühling 1946

– Für Cordelia –

Holde Anemone,
Bist du wieder da
Und erscheinst mit heller Krone
Mir Geschundenem zum Lohne
Wie Nausikaa?

Windbewegtes Bücken,
Woge, Schaum und Licht!
Ach, welch sphärisches Entzücken
Nahm dem staubgebeugten Rücken
Endlich sein Gewicht?

Sah in Gorgos Auge
Eisenharten Glanz,
Ausgesprühte Lügenlauge
Hört ich flüstern, daß sie tauge,
Mich zu töten ganz.

 

Anemone! Küssen
Lass mich dein Gesicht:
Ungespiegelt von den Flüssen
Styx und Lethe, ohne Wissen
Um das Nein und Nicht.

Aus dem Reich der Kröte
Steige ich empor,
Unterm Lid noch Plutons Röte
Und des Totenführers Flöte
Grässlich noch im Ohr.

Ohne zu verführen,
Lebst und bist du da,
Still mein Herz zu rühren,
Ohne es zu schüren –
Kind Nausikaa!

Uit: Der Laubmann und die Rose, 1947

 

 

Medusa, de bekendste van de Gorgonen. Een angstaanjagende vrouw. Door Caravaggio, 1595.

Toelichting bij für Cordelia. In dit gedicht verwerkt het lyrische ik zijn eigen schuld, omdat het Duitsland om wat voor een reden dan ook niet heeft verlaten.

De god Pluto, de rivieren Styx en Lethe zijn verwijzingen naar de onderwereld. Gorgonen zijn verschrikkelijke en angstaanjagende figuren uit de Griekse mythologie. Het uit gevangenschap teruggekeerde kind heeft in het kamp oog in oog gestaan met de verschrikkingen van de dood.

In de figuur van het schone en nog jonge meisje Nausikaa, dat in Homeros’ Odyssee een belangrijke rol speelt bij redding en terugkeer van Odysseus, bezingt het lyrische ik als het ware het begin van een nieuw leven.

Voor Elisabeth Langgässer en voor haar dochter Cordelia begon er na de oorlog, nadat ze weer bij elkaar waren gekomen in de lente van 1946 ook werkelijk een nieuw leven.

 

Hans Grundig, Den Opfern des Faschismus 1946.

 

Isenheimer altaar, Colmar 1511 – 1517

In het altaarstuk van het Isenheimer altaar uit Colmar kun je goed zien welke pregnante plaats een predella (= voetstuk) inneemt.

Vergelijk dit met het schilderij van Hans Grundig uit 1946.

 

 

 

Een andere manier van verwerking van het verleden vind je bij de schilder Hans Grundig, die zelf gevangen had gezeten in het concentratiekamp Sachsenhausen bij Berlijn. Een voorbeeld daarvan is zijn schilderij: Den Opfern des Faschismus/Ter herinnering aan de slachtoffers van het fascisme.

Als een held ligt de man op het schilderij opgebaard, met op de achtergrond een concentratiekamp. Grundig eert de slachtoffers van het fascisme met een sarcofaag van echt goud in de vorm van een klassieke predella, een voetstuk waarop vanouds in de katholieke kerk het altaarstuk staat. Zo ontstaat een bijna sacrale sfeer, waarin Grundig de verwerking van zijn herinneringen vorm heeft gegeven.

Lees hier de biografie van Hans Grundig.

Vergelijk het schilderij van Grundig met het beeld dat opgeroepen wordt in het gedicht Ihr Zuschauenden van Nelly Sachs (1891 – 1970) uit 1946. Zoals velen heeft ook zij geleden onder gevoelens van schuld tegenover haar lotgenoten, die de concentratiekampen niet hadden overleefd.

 

Hans Grundig, Den Opfern des Faschismus

 

Hans Grundig door zijn vrouw Lea Grundig

Ihr Zuschauenden – Nelly Sachs (1944/45)

Unter deren Blicken getötet wurde.
Wie man auch einen Blick im Rücken fühlt,
So fühlt ihr an eurem Leibe
Die Blicke der Toten.

Wieviel brechende Augen werden euch ansehn
Wenn ihr aus den Verstecken ein Veilchen pflückt?
Wieviel flehend erhobene Hände
In dem märtyrerhaft geschlungenen Gezweige
Der alten Eichen?
Wieviel Erinnerung wächst im Blute
Der Abendsonne?

 

O die ungesungenen Wiegenlieder
In der Turteltaube Nachtruf –
Manch einer hätte Sterne herunterholen können,
Nun muss es der alte Brunnen für ihn tun!

Ihr Zuschauenden,
Die ihr keine Mörderhand erhobt,
Aber die ihr den Staub nicht von eurer Sehnsucht
Schütteltet,
Die ihr stehenbliebt, dort, wo er zu Licht
Verwandelt wird.

Nelly Sachs ontving in 1966 de Nobelprijs voor literatuur. Meer gedichten van haar kun je hier beluisteren en lezen.

 

Krant, short story en hoorspel – geistige Unbehaustheit

In de vier bezettingszones werden direct na de bevrijding verschillende tijdschriften uitgegeven. Voor grote romans was de tijd nog niet rijp. Er was gebrek aan papier en via het tijdschrift kon men bovendien beter invloed uitoefenen op de discussies over de heroriëntatie en de toekomst van de cultuur in Duitsland. Het doel van de verschillende tijdschriften was een bijdrage aan de wederopbouw te leveren. Een terugblik op het verleden zou daarbij niet te vermijden zijn, maar zoals de redactie van Die Sammlung, het blad uit de Britse sector, schreef:

 

… unser Wille ist entschlossen nach vorwärts gerichtet in den grauen Morgen unserer Zukunft. Unser Kompass ist die einfache Sittlichkeit, ein standhafter Glaube an die Ewigkeit der geistigen Welt, Liebe zum Nächsten und die lebendige Hoffnung, dass auch uns einmal wieder die Sonne der Ehre und des Glücks scheinen werde.

… onze wil is vastbesloten naar voren gericht op de onzekere toekomst van morgen. Richting geeft ons daarbij de klare zedelijkheid, een standvastig geloof in de eeuwige waarden van het geestelijk leven, de liefde tot onze naaste en de levende hoop, dat ook over ons eens weer de stralende zon van eer en geluk zal schijnen. (vert. JK)

 

reeducation

In de ogen van de Amerikanen stond Duitsland in die tijd op een kruispunt en moest het geholpen worden om de juiste weg te vinden. Je ziet op dit plakkaat de opdracht van de heropvoeding duidelijk verbeeld.

Een belangrijke rol speelde Die Neue Zeitung, de voorloper van de Süddeutsche Zeitung. Hierin was ruimte voor reportages, essays, korte verhalen, theater- en filmkritieken. Een belangrijke functie kreeg de schrijver Erich Kästner als eindredacteur van het feuilleton, de cultuurbijlage van de krant.

Op het gebied van de short story had de Duitse literatuur nog het een en ander in te halen. Tijdschriften vroegen om korte verhalen. Voor lange verhalen was eenvoudigweg geen ruimte. Daarom werd dit genre direct na de oorlog populair. Het korte verhaal zoals dat in de Angelsaksische wereld na de Eerste Wereldoorlog tot ontwikkeling was gekomen, sloot overigens ook goed aan bij het nieuwe levensgevoel van na 1945 in Duitsland. De onrust, de onzekerheid, het pessimisme en de scepsis waren kenmerken van het korte verhaal. In plaats van de grote verhalen, zoals in de ontwikkelingsroman, werd vooral in het licht van de kleinheid van de mens een beslissend moment uit diens leven beschreven. De existentialistische gedachte in de wereld ‘geworpen’ te zijn, de keuzes die de mens in zijn leven moet maken, de verschillende momenten in iemands leven als losse scènes of onafgesloten gebeurtenissen naast elkaar en zonder moraal, brengt ook de lezer in actie. De buitenstaander en de mens in zijn nood te midden van de geistige Unbehaustheit zijn thema’s die ook goed in die tijd pasten. Wolfgang Borchert, Günther Eich, Heinrich Böll en Wolfdietrich Schnurre zijn de bekendste schrijvers van korte verhalen in het naoorlogse Duitsland.

Veel korte verhalen werden ook als hoorspel voor de radio bewerkt. De bezetters hadden er alle belang bij dat de bevolking werd beziggehouden. Cultuur en vermaak werden daarom intensief ondersteund. Radio, film en theater kwamen snel na de oorlog tot grote bloei. Bovendien konden de bevrijders op deze manier het publiek beïnvloeden in het kader van hun heropvoedingspolitiek. De radio was van begin af aan ongelooflijk populair.

 

Wolfgang Borchert

 

Wolfgang Borchert (1921 – 1947)

 

De korte verhalen van Borchert zijn meesterlijk. Böll noemde ze zakelijk, to the point, geen woord te veel, geen woord te weinig. Het is een commentaar op de wereld om hem heen en tegelijkertijd het beste verslag van de periode direct na 1945. Door de invloed van de radio en de populariteit van het hoorspel heeft Borchert vooral na zijn dood grote invloed gekregen. Zijn korte verhalen werden ook opgevoerd en later in filmpjes getoond. Een voorbeeld is Die Küchenuhr. Het beroemdste toneelstuk uit de Trümmerliteratur is misschien wel Borcherts Draußen vor der Tür.

 

Die Küchenuhr als Hörbuch.

Wolfgang Borchert – Die Küchenuhr

Sie sahen ihn schon von weitem auf sich zukommen, denn er fiel auf. Er hatte ein ganz altes Gesicht, aber wie er ging, daran sah man, dass er erst zwanzig war. Er setzte sich mit seinem alten Gesicht zu ihnen auf die Bank. Und dann zeigte er ihnen, was er in der Hand trug.

Das war unsere Küchenuhr, sagte er und sah sie alle der Reihe nach an, die auf der Bank in der Sonne saßen. Ja, ich habe sie noch gefunden. Sie ist übrig geblieben. Er hielt eine runde tellerweiße Küchenuhr vor sich hin und tupfte mit dem Finger die blau gemalten Zahlen ab.

Sie hat weiter keinen Wert, meinte er entschuldigend, das weiß ich auch. Und sie ist auch nicht besonders schön. Sie ist nur wie ein Teller, so mit weißem Lack. Aber die blauen Zahlen sehen doch ganz hübsch aus, finde ich. Die Zeiger sind natürlich nur aus Blech. Und nun gehen sie auch nicht mehr. Nein. Innerlich ist sie kaputt, das steht fest. Aber sie sieht noch aus wie immer. Auch wenn sie jetzt nicht mehr geht.

Hier vind je het vervolg.

 

Er machte mit der Fingerspitze einen vorsichtigen Kreis auf dem Rand der telleruhr entlang. Und er sagte leise: Und sie ist übrig geblieben.

Die auf der Bank in der Sonne saßen, sahen ihn nicht an. Einer sah auf seine Schuhe und die Frau sah in ihren Kinderwagen. Dann sagte jemand:

Sie haben wohl alles verloren?

Ja, ja, sagte er freudig, denken Sie, aber auch alles! Nur sie hier, sie ist übrig. Und er hob die Uhr wieder hoch, als ob die anderen sie noch nicht kannten.

Aber sie geht doch nicht mehr, sagte die Frau.

Nein, nein, das nicht. Kaputt ist sie, das weiß ich wohl. Aber sonst ist sie doch noch ganz wie immer: weiß und blau. Und wieder zeigte er ihnen seine Uhr. Und was das Schönste ist, fuhr er aufgeregt fort, das habe ich Ihnen ja noch überhaupt nicht erzählt. Das Schönste kommt nämlich noch: Denken Sie mal, sie ist um halb drei Stehengeblieben. Ausgerechnet um halb drei, denken Sie mal.

Dann wurde Ihr Haus sicher um halb drei getroffen, sagte der Mann und schob wichtig die Unterlippe vor. Das habe ich schon oft gehört. Wenn die Bombe runtergeht, bleiben die Uhren stehen. Das kommt von dem Druck.

Er sah seine Uhr an und schütellte den Kopf. Nein, lieber Herr, nein, da irren Sie sich. das hat mit den Bomben nichts zu tun. Sie müssen nicht imer von den Bomben reden. Nein. Um halb drei war etwas ganz anderes, das wissen Sie nur nicht. Das ist nämlch der Witz, dass sie gerade um halb drei stehen geblieben ist. Und nicht um Viertel nach vier oder um sieben. Um halb drei kam ich nämlich immer nach Hause. Nachts, meine ich. Fast immer um halb drei. Das ist ja gerade der Witz.

Er sah die anderen an, aber sie hatten ihre Augen von ihm weggenommen. Er fand sie nicht. Da nickte er seiner Uhr zu: Dann hatte ich natürlich Hunger, nicht wahr? Und ich ging immer gleich in die Küche. Da war es dann fast immer halb drei. Und dann, dann kam nämlich meine Mutter. Ich konnte noch so leise die Tür aufmachen, sie hat hat mich immer gehört. Und wenn ich in der dunklen Küche etwas zu essen suchte, ging plötzlich das Licht an. Dann stand sie da in ihrer Wolljacke und mit einem roten Schal um. Und barfuß. Und dabei unsere Küche gekachelt. Und sie machte ihre Augen ganz klein, weil ihr das Licht so hell war. Denn sie hatte ja schon geschlafen. Es war ja Nacht.

So spät wieder, sagte sie dann. Mehr sagte sie nie. Nur: So spät wieder. Und dann machte sie mir das Abendbrot warm und sah zu, wie ich aß. Dabei scheuerte sie immer die Füße aneinander, weil die Kacheln so kalt waren. Schuhe zog sie nachts nie an. Und sie saß so lange bei mir, bis ich satt war. Und dann hörte ich sie noch die Teller wegsetzen, wenn ich in meinem Zimmer schon das Licht ausgemacht hatte. Jede Nacht war es so. Und meistens immer um halb drei. Das war ganz selbstverständlich, fand ich, dass sie mir nachts um halb drei in der Küche das Essen machte. Ich fand das ganz selbstverständlich. Sie tat das ja immer. Und sie hat nie mehr gesagt als: So spät wieder. Aber das sagte sie jedes Mal. Und ich dachte, das könnte nie aufhören. Es war mir so selbstverständlich. das alles war doch immer so gewesen.

Einen Atemzug lang war es still auf der Bank. Dann sagte er leise: Und jetzt? Er sah die anderen an. Aber er fand sie nicht. Da sagte er der Uhr leise ins weißblaue runde Gesicht: Jetzt, jetzt weiß ich, dass es das Paradies war. Das richtige Paradies. Auf der Bank war es ganz still. Dann fragte die Frau: Und Ihre Familie?

Er lächelte sie verlegen an: Ach, sie meinen meine Eltern? ja, die sind auch mit weg. Alles ist weg. Alles, stellen Sie sich vor. Alles weg.

Er lächelte verlegen von einem zum anderen. Aber sie sahen ihn nicht an. Da hob er wieder die Uhr hoch und lachte. Er lachte: Nur sie hier. Sie ist übrig. Und das Schönste ist ja, dass sie ausgerechnet um halb drei stehen geblieben ist. Ausgerechnet um halb drei.

Dann sagte er nichts mehr. Aber er hatte ein ganz altes Gesicht. Und der Mann, der neben ihm saß, sah auf seine Schuhe. Aber er sah seine Schuhe nicht. Er dachte immerzu an das Wort Paradies …

Wolfgang Borchert was voor straf naar het oostfront overgeplaatst. Hij is vooral bekend vanwege zijn indringende toneelstuk over de problemenen die er speelden, toen de overlevenden terugkeerden uit de oorlog: Draußen vor der Tür (1947).

Meer over Borchert kun je lezen in het hoofdstuk over Trümmerliteratur. Lees hier de biografie van Wolfgang Borchert.

 

Günter Eich

Günther Eich (1907 – 1972)

 

‘Ich beneide sie alle, die vergessen können, die sich beruhigt schlafen legen und keine Träume haben.’

‘Ik benijd allen, die kunnen vergeten, die onbekommerd gaan slapen en geen dromen hebben.’

 

Zo begint Eichs hoorspel Träume, waarin zonder doorlopende handeling vijf dromen naast elkaar worden verteld. De dromen verbeelden elk op verschillende manier de menselijke twijfel en de angst. Er wordt steeds gezinspeeld op het lijden van de mens en de naderende dood. Tussenliggende verzen verbinden de dromen en geven aanzetten tot interpretaties.

Eich riep in zijn hoorspel op tot kritiek op het goedkope optimisme en vooruitgangsdenken dat in de tijd van Adenauer steeds meer aan terrein won. Hiermee oogstte hij niet alleen bijval, er waren ook vele toehoorders die dit kritische stuk niet erg konden waarderen. Meer informatie over Eich is in het hoofdstuk over Trümmerliteratur te vinden.

 

Eich leest zijn gedichten voor, beluister en lees ze hier.

Meer informatie over het bijzondere hoorspel Träume.

Liefhebbers kunnen hier een enscenering uit 1951 van Träume beluisteren (70 min., ondanks de lengte zeer de moeite waard):

 

 


Het West-Duitse parlement vergaderde vanaf 1949 tot 1999 in de hoofdstad Bonn.

 

Heinrich Böll (1917 – 1985)

 

Een bijzonder komisch hoorspel van Böll is Nicht nur zur Weihnachtszeit (1952). Het is de eerste satire van Böll. Later is dit tot een kort verhaal en film bewerkt. Het verhaal is in vrijwel alle moderne anthologieën opgenomen.

De satire is de geschiedenis van tante Milla, die dweepte met de overdreven versiering van haar kerstboom. Tante Milla was rijk genoeg om Kerst met haar familie onder de overdadig versierde kerstboom te vieren. Maar de oorlog gooide roet in het eten. Na de oorlog wilde zij echter de oude traditie weer voortzetten en omdat iedereen tante Milla wel mocht, deed de hele familie aanvankelijk weer gewoon mee met de tamelijk onschuldige traditie. Hoofdattractie van de kerstversiering was een molentje van glas met verschillende dwergachtige figuren, dat door de warmte van de kaarsen aangedreven werd. Bovenin de boom hing een engeltje met blosjes, dat om de zoveel tijd ‘vrede, vrede’ fluisterde.

Als dan na 1947 alles weer is zoals het voor de oorlog was, kon tante Milla niet meer stoppen met Kerst vieren. Wat de kerstdagen betrof was dat geen probleem, maar ook ver na Driekoningen, als iedereen de kerstboom allang afgebroken had, deed tante Milla haar uiterste best om de kersttraditie met de kerstboom te handhaven. Zij begon eenvoudig te gillen als iemand over het aftuigen van de kerstboom begon en daarmee hield zij dan ook niet op. Niemand wist raad, totdat iemand erachter kwam, dat tante met gillen ophield als zij de boom opnieuw versierde en met de hele familie Kerst kon blijven vieren en dat steeds weer. Iedere avond zei ze tegen haar man: ‘So wollen wir denn die Kinder zur Feier rufen, ich glaube, es ist Zeit.’ Maanden ja jarenlang heeft zij dat volgehouden. De meeste familieleden waren allang door toneelspelers vervangen en toen die ook niet meer kwamen, werden ze door levensechte poppen van was vervangen tot in het oneindige.

Heinrich Böll  –  Kritiek op het Wirtschaftswunder

Het verhaal is in de eerste plaats een dolkomische satire. Maar Böll wilde er in zekere zin ook mee waarschuwen. Het Wirtschaftswunder Duitsland had in de jaren vijftig ook zijn keerzijden. Herinneringen aan de oorlog werden verdrongen, de meelopers werden weer op oude posten benoemd.

Onder rechters, politici en leraren vond geen echte denazificatie plaats. De snel toenemende welvaart ten gevolge van het Marshallplan maakte de mensen materialistisch en gemakzuchtig.

Het verdwijnen van de aloude familieband wordt in dit verhaal aan de hand van een volkomen leeg en zinloos geworden ritueel, als symptomatisch voor het uiteenvallen van de maatschappij beschouwd.

Bij Böll staat overigens nooit de moraal of de roep om een terugkeer naar vroeger centraal, maar eerder staat de satirische blik op de nieuw ontstane maatschappij op de voorgrond. Dat maakt zijn verhalen ook voor onze tijd heel actueel en in elk geval zeer lezenswaardig.

Verderop in dit hoofdstuk kun je meer lezen over het werk van Böll.

Radiouitzending (21′) over het Marshallplan – Hilfe zur Selbsthilfe (en kritiek op het begrip Wirtschaftswunder):

 

 

Fragment van Heinrich Böll – Nicht nur zur Weihnachtszeit

»Die Hauptattraktion am Weihnachtsbaum meiner Tante Milla waren gläserne Zwerge, die in ihren hocherhobenen Armen einen Korkhammer hielten und zu deren Füßen glockenförmige Ambosse hingen.« Heinrich Bölls Geschichte »Nicht nur zur Weihnachtszeit« kulminiert darin, dass die putzigen Glaskerle das ganze Jahr auf ihre Ambosse hämmern müssen, weil Tante Milla das Abschmücken der Christtanne verweigert. Und die Familie feiert jeden Tag Heiligabend. Ein Horrorszenario, dessen Anfängen es zu wehren gilt. Alle Jahre wieder. Denn im Gefolge unchristlicher Gier beginnt in Deutschlands Kauftempeln immer früher die Exhibition der Nikoläuse. Nachdrücklich warnte die Evangelische Kirche vor einer »verfrühten Adventsstimmung«. Bundesweit starteten Kirchen Aktionen zur »Rettung des Advents«. Die hannoversche Landesbischöfin Margot Käßmann erklärte, wer zum Teil schon im Sommer die Adventsszeit heraufbeschwöre, beschädige langfristig die »heilsamen Rhythmen unseres Lebens«. Wenns nur das wäre. Man sollte die Lehren der Geschichte beherzigen, zumal der von Böll. Denn Tante Millas Weihnachtsexzesse enden für die Betroffenen durchaus nicht harm…

 

Theater en film

 

Vorstadtkino, A. Camarro 1945

Alexander Camaro (1901 – 1992) was schilder, danser en toneelspeler. Omdat zijn werk vanaf 1933 verboden was, legde hij zich toe op de dans. Vanaf 1945 begon hij weer te schilderen en ook toneel bleef een belangrijke plaats innemen in zijn werk.

Op het schilderij Vorstadtkino, nach 1945 zie je weinig beweging, alsof een film is stilgezet. De omgeving is nogal armoedig en troosteloos en geeft iets weer van de hopeloosheid van de periode direct na de oorlog.

 

 

De bioscoop en het theater kregen een steeds belangrijker plaats in de cultuurpolitiek van de bezetters. De bioscoop werd voor de bezoekers een soort plaats van betovering, die je in de sprookjesachtige schijnwereld van de film binnenleidde. Op het schilderij van Camarro uit de jaren veertig zie je dit treffend verbeeld.

Op het gebied van film en theater bestond er in Duitsland na de verloren oorlog behoefte aan afleiding. Er viel op dit gebied ook heel wat in te halen. De eerste stukken die men op het toneel kon zien, waren uit het Engelse of Franse taalgebied afkomstig, stukken van Elliot, Beckett, Sartre en Camus. In Duitsland ontstond een echte Theaterrausch, een theaterroes.

Onder het motto ‘alles vergeten en vergeven’ werd in bioscoop en theater dan ook snel teruggegrepen op oude klassieke stukken uit de Duitse traditie. Dit paste goed in de cultuurpolitiek van heropvoeding, die de bezetter voor ogen stond. Het had geen zin om ook in het theater nog weer eens extra aan de verloren oorlog te herinneren. Stukken van Goethe en Schiller werden daarom zeer regelmatig opgevoerd en ook heel druk bezocht.

 

Maatschappijkritische film uit de jaren 50 over een vermoorde prostituee.

Dit betekende overigens niet dat er helemaal geen toneelstukken, waarin de oorlog een rol speelde, opgevoerd werden. Zo brachten Carl Zuckmayer (1896 – 1977), Bertolt Brecht (1898 – 1956) en Wolfgang Borchert typische oorlogsthema’s uit de emigratie of van het front mee terug en verwerkten deze in hun toneelstukken.

 

Carl Zuckmayer

 

Het toneelstuk Des Teufels General (1946) gaat over collaboratie en verzet. De generaal Harras speelt een duivels spel, omdat hij nu eenmaal een hartstochtelijk vlieger is en daarmee in de oorlog vuile handen maakt. Hij weet dat hij meedoet aan het verderfelijke regime van Hitler, maar hij heeft niet de moed om er mee te stoppen. Hij gaat weliswaar met woorden in tegen het fascisme, maar hij breekt er niet openlijk mee en stapt er niet uit.

In de derde en laatste acte ontdekt hij dat zijn vriend Oderbruch ook een tegenstander van Hitler is. Hij is verantwoordelijk voor sabotage aan vliegtuigen. Als Harras dit heeft gehoord, neemt hij welbewust plaats in één van de gesaboteerde toestellen om zo zijn leven als held te beëindigen in plaats van later openlijk schuld te moeten belijden wegens medeplichtigheid.

Dit stuk is in de ogen van Zuckmayer (1896 – 1970) vaak verkeerd begrepen. Het is nooit zijn bedoeling geweest om het gedrag van de figuur van Harras te verklaren of te verheerlijken. Daarom heeft hij in de jaren zestig verboden om zijn stuk nog op te voeren.

Zuckmayer had voor de oorlog met Brecht in Berlijn bij het theater gewerkt. Toen zijn huis in 1939 door de Gestapo in brand gestoken werd, is hij via Zwitserland en Cuba naar de VS gereisd. Zuckmayer was in Duitsland bekend vanwege zijn kritische stuk Der Hauptmann von Köpenick. Hierin kritiseert hij de Pruisische bureaucratie en het militarisme. Lees hier de biografie van Carl Zuckmayer.

De laatste scène van des Teufels General uit 2008 (8′)

 

 

Bertolt Brecht

Brecht was in 1940 naar Zweden en via Finland en Rusland uiteindelijk naar de Verenigde Staten gevlucht. Daar werd hij direct na de oorlog in 1947 scherp ondervraagd over zijn communistische sympathieën, hetgeen toen, vanwege het begin van de Koude Oorlog en de groeiende spanningen tussen Rusland en het Westen, een belangrijk thema in de Amerikaanse veiligheidspolitiek was geworden. Het was de tijd van de communistenjacht door de ultrarechtse senator McCarthy.

Brecht deed alsof hij tamelijk slecht Engels sprak en zei met een Beiers accent, dat hij geen lid was van de communistische partij. Dat was ook juist geantwoord. Hij heeft altijd gezegd voor alle arbeiders te hebben willen schrijven. Toen hem eens gevraagd werd of hij geen lid wilde worden van de communistische partij antwoordde hij:

‘It is not my bussiness. [ .. ] I, of course, had to study Marx’s ideas about history. I do not think intelligent plays today can be written without such study.’

Via Zürich keerde hij terug naar Duitsland, waar hij tot zijn dood in Oost-Duitsland zou blijven wonen. Brecht werd er intendant van het beroemde Berliner Ensemble met het theater aan de Schiffbauerdamm. Over Brecht kun je meer lezen in het hoofdstuk over DDR-literatuur.


Bekijk hier een fragment uit het Brecht-Verhör (3′).

Scene uit Mutter Courage

Brecht had direct na zijn terugkeer ook met zijn oorlogsstuk Mutter Courage und ihre Kinder (1941/1949) veel succes. Het stuk gaat over een marktkoopvrouw en haar drie kinderen ten tijde van de Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648). Zij probeert via haar handel in de oorlog haar kinderen te verzorgen en naarmate de oorlog heviger woedt, doet Mutter Courage steeds betere zaken. Zij ziet echter niet in, dat zij door haar zaken haar gezin juist in gevaar brengt.

Het was voor het naoorlogse publiek niet moeilijk om na de Tweede Wereldoorlog de actualiteit van het stuk en de bedoelingen van Brecht te begrijpen. Brecht zegt daarover:

Was eine Aufführung von ‘Mutter Courage und ihre Kinder’ hauptsächlich zeigen soll:

Daß die großen Geschäfte in den Kriegen nicht von den kleinen Leuten gemacht werden. Daß der Krieg, der eine Fortführung der Geschäfte mit andern Mitteln ist, die menschlichen Tugenden tödlich macht, auch für ihre Besitzer. Daß für die Bekämpfung des Krieges kein Opfer zu groß ist.

Wat een opvoering van Mutters Courage und ihre Kinder vooral duidelijk moet maken is, dat de grote zaken in tijden van oorlog niet door de kleine man worden gedaan. Dat de oorlog, die een voortzetting van de zaken met andere middelen is, de menselijke deugden tot iets dodelijks maakt, ook voor bezitters ervan. Dat voor het bestrijden van een oorlog geen offer te groot is.

Kenmerkend voor Brechts stukken zijn de onderbrekingen door songs, korte toespraken of uitleg op spandoeken, waarin de spelers zich direct tot het publiek richten. Het zijn leerstukken in de vorm van het epische theater. Theater mocht niet puur vermaak zijn, maar moest door V-Effekte (vervreemding) van de toeschouwer een ander mens maken. (Meer over Brecht in hoofdstuk 14.)

In het epische theater (epos = vertelling) wordt ook veel verteld en uitgelegd, in plaats van dat alleen door handelende personen iets wordt meegedeeld. Mutter Courage is hier een goed voorbeeld van.

 

Beluister hier de Couragesong in een interpretatie uit 1984.

Zeer interessante radiouitzending over Brechts Mutter Courage (18′):

 

 

Verscherping van de Koude Oorlog

Aufbau der Stalinallee, Hans Löffler (1953).

Interessante film (10′) over de Karl-Marx-Allee.

De contouren van beide Duitslanden werden onder de toenemende spanning tussen beide blokken in Oost en West – de verscherping van de Koude Oorlog – steeds duidelijker. In het Oosten (DDR) had de communistische SED (Sozialistische Einheitspartei) onder leiding van het Stalinistische regime in Moskou de politiek stevig in handen.

Een opstand van arbeiders die zich bij de bouw aan de prestigieuze Stalinallee (nu Karl- Marx-Allee) uitgebuit voelden, werd in 1953 hardhandig met tanks de kop ingedrukt.

Bekijk hier een video ( 18′) over de opstand in Oost-Berlijn, juni 1953. De Straße des 17. Juni in Tiergarten in West-Berlijn herinnert aan deze opstand.

 

In het Westen (BRD) pleitte Adenauer, onder het motto Keine Experimente, voor een stevige Westbindung en voor toetreding tot de Nato, hetgeen ook de herbewapening van West-Duitsland betekende.

Vooral in het Westen kwam de economie snel tot grote bloei, de rantsoenering van levensmiddelen werd opgeheven en de bevolking raakte spoedig geheel in de ban van de Amerikaanse levensstijl op velerlei gebied. Het geloof in vooruitgang, techniek en toenemende welvaart raakte diepgeworteld. Intussen dacht men, geheel in de lijn van Adenauer, conservatief.

 

In de oostelijke bezettingszone bleven de ontwikkelingen in het Westen niet onopgemerkt. De stroom vluchtelingen uit de DDR nam enorm toe en om die te stoppen, besloten de communistische machthebbers Oost en West geheel van elkaar af te sluiten. Op 13 augustus 1961 begon men met de bouw van de muur.

 

Informatie over de bouw van de muur vind je hier.

Een film over de bouw van de muur, met de reactie van de burgemeester Willy Brandt.

 

 

Gruppe 47  –  Die Welt in Frage stellen

Veel schrijvers volgden deze politieke ontwikkelingen met grote argwaan. Hun verontrusting verwoordden zij in verhalen, hoorspelen en gedichten. Veelal behoorden zij tot de toonaangevende groep van schrijvers, de echte non-conformisten, die een geheel nieuwe weg wilden inslaan. Zij namen deel aan de besloten zittingen van de Gruppe 47, waaraan je alleen deel mocht nemen op uitnodiging van de voorzitter Hans Werner Richter.

Van links naar rechts: Heinrich Böll, Ilse Aichinger en Günther Eich in 1952 tijdens een bijeenkomst van de Gruppe 47.

Deze groep schrijvers zou tot ver in de jaren zestig het literaire leven in Duitsland diepgaand beïnvloeden. Voor velen en pas veel later beroemd geworden schrijvers zijn de bijeenkomsten van de Gruppe 47 het begin geweest van hun schrijverscarrière, zoals voor Heinrich Böll (1917 – 1985), Martin Walser (1927), Günther Grass (1927 – 2015), Günter Eich (1907 – 1972), Ingeborg Bachmann (1926 – 1973), Wolfdietrich Schnurre (1920 – 1989), Peter Handke (1942), Peter Härtling (1933 – 2017), Hans Magnus Enzensberger (1929) en Siegfried Lenz (1926 – 2014).

 

De gedichten Alle Tage van Ingeborg Bachmann uit 1953 en Ins Lesebuch für die Oberstufe van Hans Magnus Enzensberger uit 1957 zijn typerend voor deze tijd. Ze illustreren de kritische vragen van deze groep schrijvers ten aanzien van het politieke klimaat in het Duitsland van de jaren vijftig. In beide gedichten staat maatschappijkritiek centraal.

 

Beluister het gedicht.

Alle Tage – Ingeborg Bachmann

Der Krieg wird nicht mehr erklärt,
sondern fortgesetzt. Das Unerhörte
ist alltäglich geworden. Der Held
bleibt den Kämpfen fern. Der Schwache
ist in die Feuerzonen gerückt.
Die Uniform des Tages ist die Geduld,
die Auszeichnung der armselige Stern
der Hoffnung über dem Herzen.

Er wird verliehen,
wenn nichts mehr geschieht,
wenn das Trommelfeuer verstummt,
wenn der Feind unsichtbar geworden ist
und der Schatten ewiger Rüstung
den Himmel bedeckt.

Er wird verliehen
für die Flucht von den Fahnen,
für die Tapferkeit vor dem Freund,
für den Verrat unwürdiger Geheimnisse
und die Nichtachtung
jeglichen Befehls.

 

Ins Lesebuch für die Oberstufe – Hans Magnus Enzensberger

lies keine oden, mein sohn, lies die fahrpläne:
sie sind genauer. roll die seekarten auf,
eh es zu spät ist. sei wachsam, sing nicht.
der tag kommt, wo sie wieder listen ans tor
schlagen und malen den neinsagern auf die brust
zinken. lern unerkannt gehn, lern mehr als ich:
das viertel wechseln, den paß, das gesicht.
versteh dich auf den kleinen verrat,
die tägliche schmutzige rettung. nützlich
sind die enzykliken zum feueranzünden,
die manifeste: butter einzuwickeln und salz
für die wehrlosen. wut und geduld sind nötig,
in die lungen der macht zu blasen
den feinen tödlichen staub, gemahlen
von denen, die viel gelernt haben,
die genau sind, von dir.

Oprichting van de Gruppe 47

De oprichting van de Gruppe 47 was verbonden met het tijdschrift Der Ruf. Der Ruf werd als voortzetting van een tijdschrift van Duitse krijgsgevangenen in Amerikaanse kampen opgericht, onder leiding van Alfred Andersch (1914 – 1980) en Hans Werner Richter (1908 – 1993). De Amerikaanse bezetter hield het nieuwe culturele leven in Duitsland nauwlettend in het oog. De speelruimte was voor een nieuwe redactie dan ook niet zo heel erg groot. De toon van het blad beviel de Amerikanen niet, omdat er te weinig expliciet over Duitse schuld werd gesproken en er te veel nadruk op het door de oorlog veroorzaakte lijden van allen werd gelegd. Daarom werd de redactie al snel vervangen en bestond nog tot maart 1949.

Voor Hans Werner Richter was dit aanleiding om het nieuwe literaire leven in Duitsland op een ander manier een impuls te geven. Dit was het begin van de Gruppe 47, een los verband van jonge schrijvers, dat tot 1968 zou blijven bestaan. De groep kwam twee keer per jaar bijeen. Daar lazen de schrijvers uit hun nog niet gepubliceerde werken voor. Doel was de ontwikkeling van een kritisch bewustzijn, want alleen door antiautoritaire kritiek en een politiek onkreukbare overtuiging kon er in de ogen van de oprichters van de Gruppe 47 sprake zijn van cultureel herstel in Duitsland.

Spoedig kon de groep op steun rekenen. Zo werd er met behulp van subsidie van een Amerikaans reclamebedrijf, van uitgevers en omroepstations de prijs van de Gruppe 47 ingesteld. Na Günter Eich kreeg de toen nog zeer jonge schrijver Heinrich Böll als tweede de prijs. Later zouden er vele bekende schrijvers volgen, zoals Ingeborg Bachmann en Günter Grass. De Gruppe 47 ontwikkelde zich in de jaren vijftig en zestig van een ongeorganiseerd en los verband van jonge schrijvers tot een waar instituut van gevestigde namen.

 

Wir waren ja keine Samariteranstalt. Wir wollten die deutsche Literatur wieder lebendig machen, die Nachkriegsliteratur… Man muss sich einmal vorstellen – wir waren damals 20, 22, 24 Jahre. Wir haben überhaupt nichts von einer literarischen Welt, die außerhalb der uns zugänglichen gelegen hat, gewusst. Wir kamen nach ’45, ausgespuckt von der Weltgeschichte… Das eigentliche Erlebnis ist für mich auch unter anderem ein Lernerlebnis gewesen: diese vermittelte Toleranz, das Zuhören-Müssen und dann auch mehr oder weniger – Können, und das artikulierte Sprechen, wenn etwas gefällt oder nicht gefällt. (Uit een interview zeventig jaar na de oprichting met Hans Werner Richter, de Chef van Gruppe 47.)

Wij waren geen liefdadigheidsinstelling. Wij wilden de Duitse literatuur weer nieuw leven inblazen, de naoorlogse literatuur .. Men moet daarbij niet vergeten – wij waren toen 20, 22, 24 jaar. Wij wisten helemaal niets van een literaire wereld, die buiten wat voor ons toen toegankelijk was, bestond. .. De eigenlijke ervaring is voor mij onder andere ook een leerproces geweest: deze bracht ons verdraagzaamheid, moeten luisteren en dan ook meer of minder – het zelf kunnen en duidelijk uitspreken, als iets wel of niet goed gevonden werd. (Vert. JK.)

 

Het Gästehaus Pulvermühle in Waischenfeld in 1967, de laatste bijeenkomst van de Gruppe 47.

De Gruppe 47 hield na de bijeenkomst van 1967 feitelijk op te bestaan. Eigenlijk was er nog een bijeenkomst in Praag voor 1968 gepland, maar vanwege de Russische inval in Tsjechoslowakije – vanwege de Praagse Lente – vond deze niet meer plaats. Een nieuwe en jongere generatie schrijvers zette steeds meer de toon. Politieke actie was gewenst, vonden zij, maar dat viel buiten het oorspronkelijke doel van de Gruppe 47. Men was van mening dat de groep zichzelf had overleefd.

 

 

 

Liefhebbers kunnen hier een uitzending (43″) zien met de (in 2013 overleden) literatuurcriticus Reich-Ranicki over Hans Werner Richter en de Gruppe 47:

 

 

Alfred Andersch

Alfred Andersch

Alfred Andersch (1914 – 1980) was in de ogen van de Amerikanen onverdacht. Hij wordt tegenwoordig vooral gezien als de grote organisator van het culturele en literaire leven na de oorlog in Duitsland. In eerste instantie werkte hij voor de radio. Hij stimuleerde en ondersteunde veel jonge schrijvers om hoorspelen voor de radio te maken of om er uit hun werk voor te lezen. Hij had een moeilijk en bewogen leven achter de rug. Zijn vader was een rechts conservatieve officier, die nog in de Eerste Wereldoorlog had gevochten.

De rector van zijn school was de vader van Heinrich Himmler, hoofd van de SS en rechterhand van Hitler. Aan dit conservatieve milieu wilde Alfred Andersch zich van begin af aan ontworstelen.

 

Der Vater eines Mörders. Eine Schulgeschichte

Andersch heeft hierover een heel mooi autobiografisch verhaal geschreven: Der Vater eines Mörders. Eine Schulgeschichte.

In dit verhaal, dat speelt in het jaar 1928 op het gymnasium in München, waar Andersch op had gezeten, vertelt hij hoe de rector van de school, Himmler, de les Grieks onverwachts bezoekt. Omdat de leraar Grieks zich daardoor nogal overvallen voelt, zet hij direct de beste leerlingen voor in de klas om te demonstereren wat zij in de laatste weken bestudeerd hebben. Maar rector Himmler, Rex genoemd, neemt de leiding snel over en roept Franz Kien bij zich. Vanuit het perspectief van Kien – eigenlijk Andersch – wordt het verhaal verteld. Hij wordt van luiheid beschuldigd en openlijk belachelijk gemaakt.

Het tweede deel van het verhaal speelt zich verder thuis bij Kien af en geeft inzicht in de politieke discussies rond Ludendorff en de jonge Himmler. Ludendorff was een belangrijk generaal uit de Eerste Wereldoorlog en had meegedaan aan de mislukte Hitlerputsch in 1923.

Pas in 1980 werd het boek uitgegeven en in 1985 voor de televisie bewerkt. Het boek wordt als een meesterstuk uit de Duitse literatuur beschouwd.

 

Kirschen der Freiheit

 


Die Kirschen der Freiheit door Joachim Eriksen, 1994. Gedenkteken in Göttingen voor de deserteurs uit WO II.

Na zijn opleiding tot boekhandelaar werd Alfred Andersch werkloos en lid van de communistische partij. Na de Rijksdagbrand in februari 1933 verbleef hij voor een half jaar in het concentratiekamp bij Dachau. Toen hij in 1940 toch in het leger terechtkwam, heeft hij daarin maar kort gediend. Spoedig werd hij ontslagen.Korte tijd later, in 1943, werd hij weer voor de dienst opgeroepen. Op 6 juni 1944 wist hij echter te deserteren en in Italië naar de Amerikanen over te lopen.In zijn spannende Kirschen der Freiheit (1952) vertelt hij over zijn leven en over deze daad van verzet.

Enkele citaten uit dit boek over de soldateneed en desertie:

Die meisten deutschen Soldaten bewegten sich in diesem Krieg nicht wie Träumer, auch nicht wie Betrunkene, sondern wie Gebannte; wer unter der Gewalt des bösen Blickes steht, sieht nicht mehr Iris und Pupille des Hypnotiseurs. Sein Bewusstsein ist ausgeschaltet, er fühlt nur noch den Bann.

(…) Der Eid wurde also unter Zwang geleistet. Auf seine Verweigerung stand der Tod. Er war damit null und nichtig.

(…) Die Freiheit ist nur eine Möglichkeit, und wenn man sie vollziehen kann, so hat man Glück gehabt – worauf es ankommt, ist: sich die Anlage zur Freiheit zu erhalten.

De meeste Duitse soldaten stonden niet als dromers of als dronkaards in deze oorlog, maar als geketenden; wie in de macht van de boze blik is, ziet niet meer iris en pupil van de hypnotiseur. Zijn bewustzijn is uitgeschakeld, hij voelt slechts zijn dwingende invloed.

(…) De eed werd dus onder dwang afgelegd. Op weigering stond de dood. Daarmee was hij van nul en generlei waarde.

(…) De vrijheid is slechts een mogelijkheid en als je deze kan pakken dan heb je geluk gehad – waar het op aankomt is om het ontwerp van de vrijheid hoog te houden. (vert. JK.)

 

 

Sansibar oder der letzte Grund

In Sansibar oder der letzte Grund (1957) draait het ook om vlucht en vrijheid. In het kleine stadje Rerik aan de Oostzeekust ontmoeten een jonge communist, een joodse vrouw, een dominee en een visser met zijn bootsjongen elkaar in hun gezamenlijke vluchtpoging voor de Nazi’s. Zij worden om verschillende redenen bedreigd door de politieke situatie. Elk vindt via een moeizame strijd met zichzelf en zijn omgeving uiteindelijk de weg naar de vrijheid. Het spannende verhaal, waarvan de handeling één dag duurt, speelt in 1937. De roman kan zeker als verwerking van persoonlijke ervaringen worden beschouwd.

Lesende Klosterschüler, Ernst Barlach, 1936.

Andersch heeft zich in zijn leven intensief beziggehouden met de expressionistische beeldend kunstenaar Ernst Barlach (1870 – 1938).

In Sansibar oder der letzte Grund speelt diens beeld Lesende Klosterschüler uit 1930, dat door de Nazi’s als Entartete Kunst werd bestempeld, een centrale rol. De dominee wil dit beeld hoe dan ook uit handen van de Nazi’s redden en geeft het mee aan de visser. Het beeld vormt een belangrijke bindende schakel tussen alle personen in de roman.

 

Der letzte Grund

J. P. Sartre (1905 – 1980)

Andersch was zoals vele schrijvers na de oorlog sterk beïnvloed door het existentialisme van de Franse filosoof en schrijver Jean-Paul Sartre (1905 – 1980). In zijn levensfilosofie staan de begrippen ‘existentie’ en ‘essentie’ centraal. De mens is in het bestaan geworpen. Door bewuste keuzes te maken – want de mens is vrij om te kiezen, ja hij is zelfs tot vrijheid veroordeeld – geeft hij zijn leven inhoud, waarde en zin.

Sansibar staat in Andersch’ roman symbool voor de vrijheid en tevens der letzte Grund (de uiteindelijke reden) om te vluchten en zich actief te verzetten tegen het kwade, het fascisme.

Er bestaan twee goede verfilmingen van dit boek.

Hier vind je meer informatie over wat de Nazi’s onder Entartete Kunst verstonden.

 

 

Als duiven in het gras – Zoeken naar houvast

Tauben im Gras is de titel van één van de eerste grote naoorlogse romans (Wolfgang Koeppen), waarin het levensgevoel van veel Duitsers uit deze tijd goed wordt weergegeven. Want zoals duiven doel- en richtingloos opvliegen, zochten ook de Duitsers naar richting en zin. In de jaren vijftig was het nog allerminst duidelijk welke kant dit op zou gaan. De worsteling met het verleden, de herbezinning op alle leed en gebeurtenissen en de vraag hoe nu verder, heeft interessante literatuur opgeleverd.

Enkele voor de jaren vijftig belangrijke schrijvers zullen hier iets uitgebreider worden voorgesteld:

Wolfgang Koeppen vanwege zijn kritiek op Duitsland als Wirtschaftswunderland in de jaren vijftig en Heinrich Böll en Günter Grass, omdat zij beiden elk op eigen, originele en heel kritische wijze hebben geprobeerd om de geschiedenis van Duitsland in de twintigste eeuw te beschrijven en te verklaren.

Daarnaast komen de Oostenrijkse dichteres Ingeborg Bachmann en de dichter Gottfried Benn aan de orde. Zij zochten in hun lyriek naar nieuwe wegen. Ondanks het enigszins hermetische karakter van hun gedichten zijn zij zeer illustratief voor de overgang van de Duitse literatuur uit jaren vijftig naar de meer politiek getinte literatuur in de jaren zestig.

 

Wolfgang Koeppen

Over de schrijver Wolfgang Koeppen (1906 – 1996) zegt de criticus Marcel Reich-Ranicki:

In einer Zeit, in der noch das Kriegserlebnis die Thematik beherrschte, attackierte Koeppen in den Tauben im Gras die bundesrepublikanische Welt, in deren Leben er bereits – man schrieb das Jahr 1951 – jene Kennzeichen entdeckte, die erst mehrere Jahre später deutlich sichtbar werden sollten.

In een tijd, waarin de oorlogservaringen nog hoofdthema waren, viel Koeppen in de roman Duiven in het gras de ontwikkelingen in de nieuwe Bondsrepubliek aan, waarin hij – we hebben het over 1951 – reeds die kenmerken ontdekte, die pas jaren later duidelijk zichtbaar zouden worden.

Wolfgang Koeppen was aanvankelijk als journalist werkzaam. Tijdens de oorlog verbleef hij enige jaren in Den Haag. Hij keerde nog voor het einde van de oorlog terug naar Duitsland, waar hij zich op de een of andere manier als schrijver van draaiboeken van hoorspelen en films in leven wist te houden. Tijdens zijn latere leven heeft hij daarover nooit veel gezegd. Films van hem zijn ook niet bekend.

Zijn eerste publicatie uit 1948 is verbonden met de naam van Jakob Littner, een Duitser van joodse huize. Littner had een verhaal over zijn leven geschreven onder de titel Aufzeichnungen aus einem Erdloch (1948). Dit had Littner bij een uitgever aangeboden. De uitgever vond het manuscript interessant, maar op deze manier niet voor publicatie geschikt en vroeg Koeppen om het tot een leesbaar geheel te bewerken. Het boek werd een succes en verkocht erg goed.

Sommige critici verweten Koeppen later, dat hij Aufzeichnungen aus einem Erdloch te zeer voorgesteld had als zijn eigen werk. Hoe dit ook zij, Koeppen, die in het buitenland veel minder bekend is gebleven dan Böll en Grass, heeft grote naam gemaakt met een boeiende trilogie over het naoorlogse Duitsland: Tauben im Gras, Das Treibhaus en Der Tod in Rom.

Biografie van Wolfgang Koeppen. 

 

 

Voor Informatie over de trilogie van Koeppen klik hier.

 

 

Tauben im Gras

In het eerste en indrukwekkendste deel van de trilogie, Tauben im Gras, meenden velen bepaalde naoorlogse politici te kunnen herkennen. Koeppens hoofddoel was echter vooral literatuur en kunst te maken en hij heeft zeker geen politiek pamflet gericht tegen de politici in de toenmalige hoofdstad Bonn willen schrijven.

De vertelwijze in Tauben im Grass is typerend voor de moderne tijd en wordt wel vergeleken met Döblins Berlin Alexanderplatz. Het is een typische montageroman, bestaande uit kunstig aan elkaar geknoopte fragmenten, compleet met daar tussendoor gestrooide krantenkoppen en berichten uit de actualiteit, alles met open einde. Eveneens kenmerkend voor de montageroman is het feit dat in dit boek het verhaal niet bij elkaar wordt gehouden door de karakterontwikkeling van één centrale held, maar door een netwerk van elkaar snel opeenvolgende gebeurtenissen en handelingen, die de hoofdpersonen beïnvloeden en vormen. Er komen minstens dertig personen in dit boek voor die een doorsnee vormen van de bevolking. Veel figuren die plotseling in de roman optreden, verdwijnen er ook weer met dezelfde vaart uit, zonder dat we precies vernemen hoe hun leven zich verder ontwikkelt.

Een bijzondere plaats neemt de homoseksuele Edwin in, die in het Amerikahuis in München, vroeger hoofdkwartier van de NSDAP, een lezing over de Amerikaanse schrijver T. S. Eliot moet houden. Hij is de vertegenwoordiger van de hoogstaande cultuur en beschaving. Van de lezing komt weinig terecht, omdat de geluidsinstallatie het niet doet.

Verder nemen de ruimtes waar het verhaal zich afspeelt een bijzondere plaats in. Zo staan plaatsen als bierbrouwerijen en bierkelders – het tegendeel van beschaafde cultuur – en jazzclubs veelbetekenend naast en tegenover elkaar. Het één staat voor de oude, conservatieve cultuur – denk aan Hitler, die graag met zijn aanhangers bijeenkwam in bierkelders –, het is de wereld van de verdachtmakingen en geruchten. Het andere staat symbool voor de nieuwe, uit Amerika afkomstige cultuur, de wereld van de buitenstaander, die zich met het moderne leven inlaat, dat door velen nog niet begrepen wordt.

De naoorlogse wereld wordt in het boek in grote vaart voorgesteld, in elkaar snel afwisselende beelden – alsof je in de bioscoop naar een film zit te kijken. De personen staan als het ware in een labyrint, waarin zij hun weg nauwelijks kunnen vinden. Het is niet voor niets dat één van de hoofdpersonen Odysseus heet.

De titel ‘Duiven in het gras’ is een citaat van de Amerikaanse schrijfster Gertrude Stein (1874 – 1946), die in haar tijd een van de cultfiguren van de kunst- en literatuurscène was. De titel onderstreept de rusteloze zoektocht van de mens naar een nieuw houvast in een verwoest landschap. Er worden ook moorden gepleegd in de roman. Niets wordt goed uitgezocht, maar een zwarte Amerikaan krijgt in de stroom van verdachtmakingen en geruchten de schuld in de schoenen geschoven. En zo begint alles in Duitsland weer van voren af aan, lijkt Koeppen te willen zeggen. Op de laatste bladzijde van de roman wordt een volgende wereldoorlog voorspeld.

Als Hörspiel kun je het boek (deel 1) hier beluisteren (75′):

 

Das Treibhaus

Op grond van de veelzeggende titel van het tweede deel, Das Treibhaus (1953; De broeikas), zou je kunnen denken dat het hier gaat om een politiek pamflet, gericht tegen de politici in Bonn, de nieuwe (voorlopige) hoofdstad van de Bondsrepubliek. In dit boek staan namelijk de felle discussies centraal, die destijds werden gevoerd over de herbewapening van West-Duitsland en de verwoede pogingen van Adenauer om onder het motto Keine Experimente aansluiting bij het Westen te zoeken (Westintegration).

Bekijk de Wahlwerbespot (3″) uit 1957 van de partij van Adenauer (CDU):

 

Bonn was een decentraal gelegen en nogal achterlijk provincieplaatsje, een soort broeikas, waar volgens velen onfrisse en conservatieve politiek werd bedreven, die menig getraumatiseerd politicus tot zelfmoord bracht.

Das Treibhaus eindigt dan ook met de zichzelf tot last geworden parlementariër Keetenheuve, die van de Rijnbrug in Keulen springt en dat met de dood moet bekopen.

 

Der Tod in Rom

In Der Tod in Rom (1954) verwerkt Koeppen een probleem uit de naoorlogse geschiedenis van Duitsland: het onkritische voortleven van de fascistische ideologie in de hoofden van velen. Een familiebijeenkomst in Rome ontaardt in een zinloze moordpartij. Een vroegere SS-er denkt nog steeds Hitlers bevelen te moeten opvolgen om de Endlösung, het ‘oplossen” van het joodse vraagstuk’, dichterbij te brengen. De hoofdpersoon beschouwt zich in zijn waan als een Germaanse oorlogsgod in dienst van Hitler. Vlucht, wapenhandel, intriges, homosexualiteit en moordpartijen schetsen een beeld van de keerzijde van het in opbouw zijnde Duitsland.

Koeppen stond een niet-gedeeld Duitsland, vreedzaam en zonder wapens, voor ogen. Maar de werkelijkheid was anders en kon maar het beste in een misdaadroman met een hoog gehalte aan zware criminaliteit beschreven worden, zo lijkt Koeppen ons in dit bijna absurde, maar spannende boek voor te willen houden. De titel is een verwijzing naar Thomas Manns Der Tod in Venedig. Dit is wel een heel spannend en van deze trilogie van Koeppen ook het beste boek.

Meer over Der Tod in Rom  vind je hier.

 

 

Heinrich Böll en Günther Grass

Böll und Grass

Heinrich Böll (1917 – 1985) en Günther Grass (1927 – 2015) zou je enigszins met elkaar kunnen vergelijken omdat zij in hun romans de geschiedenis van Duitsland vanaf het begin van de vorige eeuw tot de jaren zestig centraal stellen. Beiden verwerken op kritische wijze het fascistische verleden en leveren kritiek op de nieuw ontstane welvaartsmaatschappij van na 1945.

Böll doet dit in zijn grote roman Billard um halbzehn (1959) en Grass in zijn Danziger Trilogie, waarvan vooral Die Blechtrommel (1959) wereldberoemd is geworden.

 

 

 

Heinrich Böll

Het werk van Böll kun je in twee delen verdelen. Böll was van 1939 tot 1945 met grote tegenzin soldaat geweest. Zijn eerste verhalen en romans uit de jaren vijftig hebben dan ook de waanzin van de oorlog en de moeilijkheden van de wederopbouw als thema. Tot de klassieken en beste werken van Böll uit deze periode behoren Wanderer kommst du nach Spa? (1950), Wo warst du Adam? (1951) en Und sagte kein Einziges Wort (1953). Aan zijn uit een tiental korte verhalen bestaande roman Wo warst du Adam? geeft hij het motto mee Der Krieg ist eine Krankheit. Wie der Typhus. In Bekenntnis zur Trümmerliteratur (1952) zegt Böll over de thematiek van deze vroege werken:

 

(…) tatsächlich, die Menschen, von denen wir schrieben, lebten in Trümmern, sie kamen aus dem Kriege, Männer und Frauen in gleichem Maße verletzt, auch Kinder.’

(…) inderdaad, de mensen waarover wij schreven, leefden tussen de puinhopen, zij kwamen uit de oorlog, mannen en vrouwen in gelijke mate beschadigd, ook de kinderen.’

Verderop verwijst hij in dit document naar de Illias en Odyssee van Homerus:

Der Name Homer ist der gesamtenabendländischen Bildungswelt unverdächtig: Homer ist der Stammvater europäischer Epik, aber Homer erzählt vom Trojanischen Krieg, von der Zerstörung Trojas und von der Heimkehr des Odysseus – Kriegs- und Trümmer- und Heimkehrerliteratur –, wir haben keinen Grund, uns dieser Bezeichnung zu schämen (…).

De naam Homerus is in de gehele Europese beschaving onverdacht: Homerus is immers de stamvader van de Europese vertelkunst, maar Homerus verhaalt van de oorlog tegen Troje, van de verwoesting van Troje en van de terugkeer van Odysseus – oorlogs-, puinhoop- en terugkeerliteratuur –, wij hebben geen reden ons voor deze aanduidingen te schamen (…).

 

Beluister hier een interessante radiouitzending over Bölls Frühwerk (28′).

Heinrich Böll – geboren 1917, gestorben am 16. Juli 1985 – hat mit seiner Literatur die Geschichte der Bundesrepublik Deutschland kritisch begleitet und hinterfragt.

 

Exemplarisch voor het tweede deel van Bölls schrijverschap zijn de boeken Billard um halb zehn (1959) en Ansichten eines Clowns (1963), omdat wel gezegd wordt dat Böll daarin afrekent met Duitsland als welvaartsstaat onder Adenauer. Deze boeken zou je als voorlopers op de politiek getinte literatuur en het studentenprotest van eind jaren zestig kunnen beschouwen.

In Billard um halbzehn staat de geschiedenis van een architectenfamilie centraal. Aan de hand van het werk en de lotgevallen van drie generaties architecten behandelt Böll de opbouw, het verval en de wederopbouw van Duitsland. Zo komt het Duitsland van de Wilhelminische keizers, van Hitler en van Adenauer op kritische wijze aan de orde. De roman wil het ingewikkelde vraagstuk van het ontstaan van het fascisme en het verzet ertegen door middel van een indeling in daders en slachtoffers – in het boek de buffels en de lammeren genoemd – aan de orde stellen.

Veel bekender, iets eenvoudiger en beslist nog steeds heel actueel is de roman Ansichten eines Clowns. Hans Schnier, de clown en een soort antiheld, stamt uit een rijke familie uit het Ruhrgebied. Uit protest tegen de dwang van de staat, tegen de ouderwetse moraal van de rooms-katholieke kerk en tegen het niet onder ogen willen zien van de jongste geschiedenis, breekt hij met familie en maatschappij. Hans probeert een authentiek leven te leiden. Dit moet hij echter bekopen met het verlies van zijn rooms-katholieke vriendin en ook een beroep, waarmee hij geld kan verdienen, vindt hij uiteindelijk niet. Als clown verkleed en optredens verzorgend gaat hij door het leven, maar hij raakt aan lager wal. Ook als clown wordt hij door de maatschappij niet erkend. Als hij op de trap van het station van de stad Bonn even uitrust, wordt hem als een bedelaar een muntje toegeworpen, meer zit er voor hem niet in.

Als Böll kort voor zijn dood in 1985 een nawoord bij de heruitgave van zijn succesvolle roman schrijft, zegt hij:

In meinem Buch ist viel versteckt von der Geschichte der Bundesrepublik Deutschland, die, als ich anfing zu schreiben, zwölf, als es erschien, vierzehn Jahre alt war, inzwischen sechsunddreißig Jahre alt geworden ist. Einer der Hauptvorwürfe war die Tatsache, dass in diesem Roman ein Paar unverheiratet zusammenlebt. Welcher Jugendliche kann das heute verstehen (…)?

In mijn boek zit veel verstopt uit de geschiedenis van de Bondsrepubliek, die, toen ik begon te schrijven, twaalf en toen het boek verscheen, veertien jaar en intussen zesendertijg jaar oud is geworden. Eén van de belangrijkste verwijten was, dat in deze roman een paar ongehuwd samenwoont. Welke jongere begrijpt dat tegenwoordig (…)? (vert. JK)

 

Het is waar dat in dit boek pittige kritiek op de rooms-katholieke kerk wordt geleverd. In 1963 was dat nog tamelijk nieuw en schokkend. Maar het boek is veel meer. Het is een boeiende mentaliteitsgeschiedenis van West-Duitsland in de jaren zestig. Hierin worden ouders ter verantwoording geroepen voor hun aandeel in de Tweede Wereldoorlog. Met de roomse kerk wordt, als hoedster van lege en abstracte principes, die niets met geloof of menselijkheid te maken hebben – denk aan de starre huwelijksmoraal -, korte metten gemaakt en de staat moet het ontgelden omdat er nooit radicaal is afgerekend met het verleden.

Dit provocerende, maar goed leesbare en mooie boek heeft direct vanaf het begin grote vaart, niet in de laatste plaats door het gekozen ik-perspectief van de clown, de buitenstaander. Al spoedig word je helemaal meegesleept in de overpeinzingen van de ik-figuur, vooral na de beschrijving van de zinloze dood van zijn zusje in het laatste oorlogsjaar. Door zijn ouders wordt dit kritiekloos goedgepraat met ‘gevallen voor de heilige Duitse bodem’.

 

Diese Besorgnis um die heilige deutsche Erde ist auf eine interessante Weise komisch, wenn ich mir vorstelle, dass sein hübscher Teil der Braunkohlenaktien sich seit zwei Generationen in den Händen unserer Familie befindet. Seit siebzig Jahren verdienen die Schniers an den Wühlarbeiten, die die heilige deutsche Erde erdulden muss: Dörfer, Wälder, Schlösser fallen vor den Baggern wie die Mauern Jerichos.

Deze bezorgdheid over de heilige Duitse bodem is op interessante wijze komisch te noemen, als ik mij voorstel hoe een aanzienlijk deel van de aandelen van de bruinkoolwinning zich sinds twee generaties in handen van mijn familie bevindt. Sinds zeventig jaar verdienen de Schniers aan de graafwerkzaamheden die de heilige Duitse aarde zich heeft moeten laten welgevallen: dorpen, bossen, kastelen vallen door de baggeraars als de muren van de stad Jericho.

 

Böll wordt in zijn romans nergens moralistisch of in zijn maatschappijkritiek fanatiek. Centraal staat bij hem steeds de idee van het humane, de vraag naar de mogelijke verwerkelijking van een humanisme, van een leven, waarin het individu tot zijn recht komt en zich kan verwerkelijken. Bölls engagement is anders en bijna van een hogere orde.

Wat Böll ten diepste drijft, komt misschien nog het duidelijkst tot uitdrukking in Anekdote zur Senkung der Arbeitsmoral (1963). Niet door arbeid en streven naar steeds meer, maar in het bewust en kritisch leven, in aandacht voor de medemens en in het zijn hier en nu vindt de mens vrede met zichzelf. Böll plaatst als het ware een voetnoot bij Goethes Faust:

‘Es irrt der Mensch, solang er strebt’. (Faust.)

 

Niet al het streven van de mens leidt automatisch tot een gelukkiger leven. Dit verhaal over de arbeidsmoraal zou je tegen de achtergrond van de uitwassen van het Wirtschaftswunder als exemplarisch voor Bölls hele oeuvre kunnen beschouwen.

Böll is in zijn werk altijd opgekomen voor de buitenstaanders en de randfiguren van de maatschappij en wordt daarom ook wel het ‘Gewissen der Nation’, het ‘geweten van het land’ genoemd.

In dit kader is ook zijn oudere verhaal uit 1951 Die schwarzen Schafen interessant. Met dit humoristische verhaal won Böll de prijs van de Gruppe 47. Daarmee verwierf hij ook voor het eerst in Duitsland enige bekendheid.

 

Heinrich Böll – Anekdote zur Senkung der Arbeitsmoral

In einem Hafen an einer westlichen Küste Europas liegt ein ärmlich gekleideter Mann in seinem Fischerboot und döst. Ein schick angezogener Tourist legt eben einen neuen Farbfilm in seinen Fotoapparat, um das idyllische Bild zu fotografieren: blauer Himmel, grüne See mit friedlichen schneeweißen Wellenkämmen, schwarzes Boot, rote Fischermütze. Klick. Noch einmal: klick. Und da aller guten Dinge drei sind und sicher sicher ist, ein drittes Mal: klick.

Das spröde, fast feindselige Geräusch weckt den dösenden Fischer, der sich schläfrig aufrichtet, schläfrig nach einer Zigarettenschachtel angelt; aber bevor er das Gesuchte gefunden, hat ihm der eifrige Tourist schon eine Schachtel vor die Nase gehalten, ihm die Zigarette nicht gerade in den Mund gesteckt, aber in die Hand gelegt, und ein viertes Klick, das des Feuerzeuges, schließt die eilfertige Höflichkeit ab. Durch jenes kaum messbare, nie nachweisbare Zuviel an flinker Höflichkeit ist eine gereizte Verlegenheit entstanden, die der Tourist – der Landessprache mächtig – durch ein Gespräch zu überbrücken versucht.

Lees hier de rest van het verhaal:

‘Sie werden heute einen guten Fang machen.’

Kopfschütteln des Fischers.

‘Aber man hat mir gesagt, daß das Wetter günstig ist.’

Kopfnicken des Fischers.

‘Sie werden also nicht ausfahren?’

Kopfschütteln des Fischers, steigende Nervosität des Touristen. Gewiß liegt ihm das Wohl des ärmlich gekleideten Menschen am Herzen, nagt an ihm die Trauer über die verpaßte Gelegenheit.

‘Oh, Sie fühlen sich nicht wohl?’

Endlich geht der Fischer von der Zeichensprache zum wahrhaft gesprochenen Wort über. ‘Ich fühle mich großartig’, sagt er. ‘Ich habe mich nie besser gefühlt.’ Er steht auf, reckt sich, als wolle er demonstrieren, wie athletisch er gebaut ist. ‘Ich fühle mich phantastisch.’

Der Gesichtsausdruck des Touristen wird immer unglücklicher, er kann die Frage nicht mehr unterdrücken, die ihm sozusagen das Herz zu sprengen droht: ‘Aber warum fahren Sie dann nicht aus?’

Die Antwort kommt prompt und knapp. ‘Weil ich heute morgen schon ausgefahren bin.’

‘War der Fang gut?’

‘Er war so gut, daß ich nicht noch einmal auszufahren brauche, ich habe vier Hummer in meinen Körben gehabt, fast zwei Dutzend Makrelen gefangen…’ Der Fischer, endlich erwacht, taut jetzt auf und klopft dem Touristen beruhigend auf die Schultern. Dessen besorgter Gesichtsausdruck erscheint ihm als ein Ausdruck zwar unangebrachter, doch rührender Kümmernis.

‘Ich habe sogar für morgen und übermorgen genug’, sagt er, um des Fremden Seele zu erleichtern. ‘Rauchen Sie eine von meinen?’

‘Ja, danke.’

Zigaretten werden in die Münder gesteckt, ein fünftes Klick, der Fremde setzt sich kopfschüttelnd auf den Bootsrand, legt die Kamera aus der Hand, denn er braucht jetzt beide Hände, um seiner Rede Nachdruck zu verleihen.

‘Ich will mich ja nicht in Ihre persönlichen Angelegenheiten mischen’, sagt er, ‘aber stellen Sie sich mal vor, Sie führen heute ein zweites, ein drittes, vielleicht sogar ein viertes Mal aus, und Sie würden drei, vier, fünf, vielleicht gar zehn Dutzend Makrelen fangen – stellen Sie sich das mal vor.’

Der Fischer nickt.

‘Sie würden’, fährt der Tourist fort, ‘nicht nur heute, sondern morgen, übermorgen, ja, an jedem günstigen Tag zwei-, dreimal, vielleicht viermal ausfahren – wissen Sie, was geschehen würde?’

Der Fischer schüttelt den Kopf.

‘Sie würden sich spätestens in einem Jahr einen Motor kaufen können, in zwei Jahren ein zweites Boot, in drei oder vier Jahren vielleicht einen kleinen Kutter haben, mit zwei Booten und dem Kutter würden Sie natürlich viel mehr fangen – eines Tages würden Sie zwei Kutter haben, Sie würden…’, die Begeisterung verschlägt ihm für ein paar Augenblicke die Stimme, ‘Sie würden ein kleines Kühlhaus bauen, vielleicht eine Räucherei, später eine Marinadenfabrik, mit einem eigenen Hubschrauber rundfliegen, die Fischschwärme ausmachen und Ihren Kuttern per Funk Anweisungen geben. Sie könnten die Lachsrechte erwerben, ein Fischrestaurant eröffnen, den Hummer ohne Zwischenhändler direkt nach Paris exportieren – und dann…’, wieder verschlägt die Begeisterung dem Fremden die Sprache.

Kopfschüttelnd, im tiefsten Herzen betrübt, seiner Urlaubsfreude schon fast verlustig, blickt er auf die friedlich hereinrollende Flut, in der die ungefangenen Fische munter springen. ‘Und dann’, sagt er, aber wieder verschlägt ihm die Erregung die Sprache.

Der Fischer klopft ihm auf den Rücken, wie einem Kind, das sich verschluckt hat.

‘Was dann?’ fragt er leise.

‘Dann’, sagt der Fremde mit stiller Begeisterung, ‘dann könnten Sie beruhigt hier im Hafen sitzen, in der Sonne dösen – und auf das herrliche Meer blicken.’

‘Aber das tu’ ich ja schon jetzt’, sagt der Fischer, ‘ich sitze beruhigt am Hafen und döse, nur Ihr Klicken hat mich dabei gestört.’

Tatsächlich zog der solcherlei belehrte Tourist nachdenklich von dannen, denn früher hatte er auch einmal geglaubt, er arbeite, um eines Tages einmal nicht mehr arbeiten zu müssen, und es blieb keine Spur von Mitleid mit dem ärmlich gekleideten Fischer in ihm zurück, nur ein wenig Neid.

Heinrich Böll, 1963

Quelle: Böll, Heinrich, Werke: Band Romane und Erzählungen 4. 1961-1970. Köln: Kiepenheuer & Witsch 1994, S. 267-269

 

Heinrich Böll ontving voor zijn oeuvre in 1972 de Nobelprijs voor literatuur. Bij die gelegenheid zei hij:

Der Weg hierher war ein weiter Weg für mich, der ich wie viele Millionen aus dem Krieg heimkehrte und nicht viel mehr besaß, als die Hände in der Tasche, unterschieden von den anderen nur durch die Leidenschaft, schreiben und wieder schreiben zu wollen. Das Schreiben hat mich hierher gebracht. Gestatten Sie mir, die Tatsache, dass ich hier stehe für nicht ganz so wahr zu halten, wenn ich zurückblicke auf den jungen Mann, der nach langer Vertreibung und langem Umhergetriebensein in eine vertriebene Heimat zurückkehrte; nicht nur dem Tod, auch der Todessehnsucht entronnen; befreit; überlebend.

Böll heeft ook in zijn latere werken steeds de politieke ontwikkelingen in Duitsland op de voet gevolgd. Hij stond kritisch tegenover de CDU-staat, die Duitsland in zijn ogen geworden was. Waar hij kon, mengde hij zich in het politieke debat. Meer daarover lees je in het volgende hoofdstuk.

Op de site van de Heinrich Böll Stiftung vind je een uitgebreid overzicht van leven en werk van Böll.

Autoren erzählen (Planet Schule) film over Heinrich Böll.

 

 

 

Günther Grass

De rokken van de ui (2007) is de vertaling van de grote autobiografie van Günther Grass (1927 – 2015). Met dit boek boek heeft de politiek geëngageerde schrijver Günther Grass nogal wat stof doen opwaaien. Net als Böll werd hij altijd tot het morele geweten van Duitsland gerekend. In zijn autobiografie onthult Grass, hij is dan bijna tachtig jaar, aan het eind van de oorlog korte tijd lid van de Waffen-SS te zijn geweest. Vele critici hebben hem deze late bekentenis erg kwalijk genomen. Grass geeft echter toe dat de schuldvraag het hoofdthema van de twintigste eeuwse Duitse literatuur is. Deze vraag zegt hij ook nooit uit de weg te zijn gegaan.

Wie zijn boeken ter hand neemt, moet hem daarin gelijk geven. Offenbarungen, Selbstanklagen, Beichten, Enthüllungen zijn de woorden uit Im Zwiebelkeller, het centrale hoofdstuk uit zijn bekendste roman Die Blechtrommel die in 1959 verscheen. Tevens zijn het de thema’s die in bijna al zijn romans op enigerlei wijze terugkeren. Waarschijnlijk heeft hij niet geheel toevallig het thema van de ui – dit symbool voor herinnering, denk aan de steeds diepere lagen die je bij het pellen van een ui ontdekt – in zijn latere werk opnieuw centraal gesteld.

Als schuld in het geding is, dan is het vaak een hele worsteling om het verleden onder ogen te zien. Het is als bij het uien pellen, lastig om de ogen droog te houden, bovendien vertroebelen tranen het juiste zicht. Geen geringe opgave dus, waar je misschien wel een heel leven voor uit moet trekken.

 

Danziger Trilogie

 

Die Blechtrommel is het eerste deel van Grass’ Danziger Trilogie, waarmee hij op slag beroemd werd. In dit boek behandelt hij de geschiedenis van Duitsland vanaf het begin van de vorige eeuw tot in de jaren vijftig. Het verhaal speelt zich af in Danzig, dat voor de Eerste Wereldoorlog een Duitse stad was, erna een vrije stad onder toezicht van de Volkenbond en Polen.  Tegenwoordig is het de Poolse stad Gdansk. Grass was zelf uit deze streek afkomstig en had een Kasjoebisch-Poolse moeder.

 

Lees hier meer over het volk van de Kasjoeben.

Grass vertelt het verhaal Die Blechtrommel vanuit het perspectief van Oskar Matzerath, een jongetje dat uit protest tegen de wereld van de volwassenen in zijn derde levensjaar besluit niet meer te groeien. Met zijn blikken trommel en zijn schelle schreeuwende stem, waarmee hij zelfs glas kan laten barsten, houdt hij de wereld van de volwassenen op afstand en ontregelt deze ook regelmatig. Weliswaar is Oskar – reeds op driejarige leeftijd – bij zijn volle verstand, maar is hij nog onbekend met de moraal en taboes van de wereld der volwassenen.

Een criticus schrijft over de roman:

 

Der Roman muss verstanden werden als schneidend prägnanter Versuch, die Beziehungen zwischen Kleinbürgerei und den Abenteuern der Diktatur festzuhalten. (…) Damit nun keine Behaglichkeit entsteht, (…) schafft Oskars Deformation ständig jene böse Distanz, ohne die der Roman harmonisierend verfälschen würde.

De roman moet als een indringende en vlijmscherpe poging worden opgevat om het verband tussen de wereld van de kleinburgers en hun avontuur van de dictatuur duidelijk te maken. (…) Om hierbij vooral geen behaaglijkheid te laten ontstaan, (…) schept Oskars mismaaktheid voortdurend een duivelse afstand; zonder die afstand zou het boek een oneigenlijke harmonie uitdrukken.

 

 

Die Blechtrommel wordt gekenmerkt door een directheid in de omgangstaal, door beschrijvingen van met afschuw vervullende details en een onverbloemde seksualiteit. Op deze manier wordt de bekrompenheid en morele benepenheid van de toenmalige burgerij kritisch onder de loep genomen. Het omvangrijke, maar fantastisch mooie boek, zit vol met kleine op zichzelf staande meesterlijke vertellingen.

Beroemd is vooral het fragment, niet in de laatste plaats door de magistrale verfilming ervan, waarin Oskar met zijn trommel een tot in details en perfect geregisseerde bijeenkomst van Nationaalsocialisten volledig in de war stuurt.

Intussen worden de aanwezigen vanuit het perspectief van de kleine Oskar, die onder de tribune de grote manifestatie gadeslaat, als een onkritische massa van meelopers afgedaan. Zij hebben niets gedaan om Hitler tegen te houden (Boek I: Die Tribüne). Bekijk hier dit fragment (5′):

Een heel mooi hoofdstuk is ook de beschrijving van de geboorte van Oskar in Falter und Glühbirne en zijn eerste overpeinzingen daarna. Het slot van dit hoofdstuk:

 

Einsam und unverstanden lag Oskar unter den Glühbirnen, folgerte, dass das so bleibe, bis sechzig, siebenzig Jahre später ein endgültiger Kurzschluss aller Lichtquellen Strom unterbrechen werde, verlor deshalb die Lust, bevor dieses Leben unter den Glühbirnen anfing; und nur die in Aussicht gestellte Blechtrommel hinderte mich damals, dem Wunsch nach Rückkehr in meine embryonale Kopflage stärkeren Ausdruck zu geben.

Zudem hatte die Hebamme mich schon abgenabelt; es war nichts mehr zu machen.

Bekijk hier een scène (5′) uit de verfilming van Die Blechtrommel onder de regie van Völker Schlöndorff (1978/79). De film werd bekroond met een Oscar voor de beste buitenlandse film.

 


Grass leest het fragment (5′) over de geboorte van Oskar Matzerath.

 

Ich erblickte das Licht dieser Welt in Gestalt zweier Sechzig-Watt-Glühbirnen. Noch heute kommt mir deshalb der Bibeltext ‘Es werde Licht und es ward Licht’ wie der gelungenste Werbeslogan der Firma Osram vor. Bis auf den obligaten Dammriß verlief meine Geburt glatt. Mühelos befreite ich mich aus der von Müttern, Embryonen und Hebammen gleichviel geschätzten Kopflage.

Damit es sogleich gesagt sei: Ich gehörte zu den hellhörigen Säuglingen, deren geistige Entwicklung schon bei der Geburt abgeschlossen ist und sich fortan nur noch bestätigen muß. So unbeeinflußbar ich als Embryo nur auf mich gehört und mich im Fruchtwasser spiegelnd geachtet hatte, so kritisch lauschte ich den ersten spontanen Äußerungen der Eltern unter den Glühbirnen. Mein Ohr war hellwach. Wenn es auch klein, geknickt, verklebt und allenfalls niedlich zu benennen war, bewahrte es dennoch jede jener für mich fortan so wichtigen, weil als erste Eindrücke gebotenen Parolen. Noch mehr: Was ich mit dem Ohr einfing, bewertete ich sogleich mit winzigstem Hirn und beschloß, nachdem ich alles Gehörte genug bedacht hatte, dieses und jenes zu tun, anderes gewiß zu lassen.

Lees hier het vervolg van dit fragment.

‘Ein Junge’, sagte jener Herr Mazerath, der in sich meinen Vater vermutete. ‘Er wird später einmal das Geschäft übernehmen. Jetzt wissen wir endlich, wofür wir uns so abarbeiten.’

Mama dachte weniger ans Geschäft, mehr an die Ausstattung ihres Sohnes: ‘Na, wußt’ ich doch, daß es ein Jungchen ist, auch wenn ich manchmal jesagt hab’, es wird ne Marjell.’

So machte ich verfrühte Bekanntschaft mit weiblicher Logik und hörte mir hinterher an: ‘Wenn der kleine Oskar drei Jahre alt ist, soll er eine Blechtrommel bekommen.’

Längere Zeit mütterliches und väterliches Versprechen gegeneinander abwägend, beobachtete und belauschte ich, Oskar Matzerath, einen Nachtfalter, der sich ins Zimmer verflogen hatte. Mittelgroß und haarig umwarb er die beiden Sechzig-Watt-Glühbirnen, warf Schatten, die in übertriebenem Verhältnis zur Spannweite seiner Flügel den Raum samt Inventar mit zuckender Bewegung deckten, füllten, erweiterten. Mir blieb jedoch weniger das Licht-und Schattenspiel als vielmehr jenes Geräusch, welches zwischen Falter und Glühbirne laut wurde: Der Falter schnatterte, als hätte er es eilig, sein Wissen loszuwerden, als käme ihm nicht mehr Zeit zu für spätere Plauderstunden mit Lichtquellen, als wäre das Zwiegespräch zwischen Falter und Glühbirne in jedem Fall des Falters letzte Beichte und nach jener Art von Absolution, die Glühbirnen austeilen, keine Gelegenheit mehr für Sünde und Schwärmerei.

Heute sagt Oskar schlicht: Der Falter trommelte. Ich habe Kaninchen, Füchse und Siebenschläfer trommeln hören. Frösche können ein Unwetter zusammentrommeln. Dem Specht sagt man nach, daß er Würmer aus ihren Gehäusen trommelt. Schließlich schlägt der Mensch auf Pauken, Becken, Kessel, und Trommeln. Er spricht von Trommelrevolvern, vom Trommelfeuer, man trommelt jemanden heraus, man trommelt zusammen, man trommelt ins Grab. Das tun Trommelknaben, Trommelbuben. Es gibt Komponisten, die schreiben Konzerte für Streicher und Schlagzeug. Ich darf an den Großen und Kleinen Zapfenstreich erinnern, auch auf Oskars bisherige Versuche hinweisen; all das ist nichts gegen die Trommelorgie, die der Nachtfalter anläßlich meiner Geburt auf zwei simplen Sechzig-Watt-Glübirnen veranstaltete. Vielleicht gibt es Neger im dunkelsten Afrika, auch solche in Amerika, die Afrika noch nicht vergessen haben, vielleicht mag es diesen rhythmisch organisierten Leuten gegeben sein, gleich oder ähnlich meinem Falter oder afrikanische Falter imitierend – die ja bekanntlich noch größer und prächtiger als die Falter Osteuropas sind – zuchtvoll und entfesselt zugleich zu trommeln; ich halte meine osteuropäischen Maßstäbe, halte mich also an jenen mittelgroßen, bräunlich gepuderten Nachtfalter meiner Geburtsstunde, nenne ihn Oskars Meister.

Es war in den ersten Septembertagen. Die Sonne stand im Zeichen der Jungfrau. Von fernher schob ein spätsommerliches Gewitter, Kisten und Schränke verrückend, durch die Nacht. Merkur machte mich kritisch, Uranus einfallsreich, Venus ließ mich ans kleine Glück, Mars an meinen Ehrgeiz glauben. Im Haus des Aszendenten stieg die Waage auf, was mich empfindlich stimmte und zu Übertreibungen verführte. Neptun bezog das zehnte, das Haus der Lebensmitte und verankerte mich zwischen Wunder und Täuschung. Saturn war es, der im dritten Haus in Opposition zu Jupiter mein Herkommen in Frage stellte. Wer aber schickte den Falter und erlaubte ihm und dem oberlehrerhaften Gepolter eines spätsommerlichen Donnerwetters, in mir die Lust zur mütterlicherseits versprochenen Blechtrommel zu steigern, mir das Instrument immer handl icher und begehrlicher zu machen?

Äußerlich schreiend und einen Säugling blaurot vortäuschend, kam ich zu dem Entschluß, meines Vaters Vorschlag, also alles was das Kolonialwarengeschäft betraf, schlankweg abzulehnen, den Wunsch meiner Mama jedoch zu gegebener Zeit, also anläßlich meines dritten Geburtstages, wohlwollend zu prüfen.

Neben all diesen Spekulationen, meine Zukunft betreffend, bestätigte ich mir: Mama und jener Vater Matzerath hatten nicht das Organ, meine Einwände und Entschlüsse zu verstehen und gegebenenfalls zu respektieren. Einsam und unverstanden lag Oskar unter den Glühbirnen, folgerte, daß das so bleibe, bis sechzig, siebenzig Jahre später ein endgültiger Kurzschluß aller Lichtquellen Strom unterbrechen werde, verlor deshalb die Lust, bevor dieses Leben unter den Glühbirnen anfing; und nur die in Aussicht gestellte Blechtrommel hinderte mich damals, dem Wunsch nach Rückkehr in meine embryonale Kopflage stärkeren Ausdruck zu geben.

Zudem hatte die Hebamme mich schon abgenabelt; es war nichts mehr zu machen.

Günther Grass (1959; 1979), Die Blechtrommel, Damstadt: Luchterhand. Blz. 35-37.

 


Günther Grass leest uit de laatste bladzijden van Die Blechtrommel (5′).

Was soll ich noch sagen: Unter Glühbirnen geboren, im Alter von drei Jahren vorsätzlich das Wachstum unterbrochen, Trommel bekommen, Glas zersungen, Vanille gerochen, in Kirchen gehustet, Luzie gefüttert, Ameisen beobachtet, zum Wachstum entschlossen, Trommel begraben, nach Westen gefahren, den Osten verloren, Steinmetz gelernt und Modell gestanden, zur Trommel zurück und Beton besichtigt, Geld verdient und den Finger gehütet, den Finger verschenkt und lachend geflüchtet, aufgefahren, verhaftet, verurteilt, eingeliefert, demnächst freigesprochen, feiere ich heute meinen dreißigsten Geburtstag und fürchte mich immer noch vor der Schwarzen Köchin – Amen.

 

Programma over en met Günter Grass (Planet Schule):

 

Op Die Blechtrommel volgen als delen twee en drie van de Danziger Trilogie in 1961 Katz und Maus en in 1963 Hundejahre. In Katz und Maus staat de buitenstaander Joachim Mahlke centraal, die vreemd gebouwd is. Hij heeft een te grote adamsappel, een afwijking die hij door maatschappelijke aanpassing en extra presteren probeert te compenseren.

Het verhaal over Joachim wordt door een klasgenoot verteld, die hem aanvankelijk met zijn op een muis gelijkende adamsappel belachelijk gemaakt had door er een kat op te zetten. Met de vertelling van dertien episodes uit het leven van Joachim Mahlke probeert de klasgenoot dit weer goed te maken. Mahlke is als het ware de muis, die door de maatschappij, de kat, opgejaagd wordt en nergens rust vindt. Met de strijd om erkenning ruineert hij uiteindelijk zichzelf.

Met Hundejahre, over het verloop van een vriendschap tussen een halfjood en een latere SS-er, wordt de Danziger Trilogie afgesloten. In de jaren zestig en zeventig heeft Grass nog vele mooie boeken en essays geschreven, bovendien heeft hij zich steeds sterk politiek geëngageerd en de publiciteit niet geschuwd.

Günter Grass zul je nog vaker tegenkomen. Om met zijn werk kennis te maken is Katz und Maus een goed boekje.

 

 

Ingeborg Bachmann en Gottfried Benn  –  Het onzegbare verwoorden

Adenauer in de Bondsdag: ‘Keine Experimente’, 1957.

Duitsland ontwikkelde zich snel tot een welvaartsstaat. Maar op de achtergrond van dit Wirtschaftswunder waren een verloren oorlog, de onrust die de dekolonisatie elders in de wereld met zich meebracht, het brute Stalinisme en de onderdrukking in Oost-Europa, de toenemende kernbewapening en de oorlog in Korea dagelijks voelbaar aanwezig. De Koude Oorlog verscherpte zich. Adenauer zocht met zijn devies ‘Keine Experimente’ aansluiting bij het Westen en pleitte daarmee impliciet voor herbewapening. Veel schrijvers volgden deze ontwikkelingen kritisch.

 

 

Goethe kon nog onbekommerd dichten:

Ich singe, wie der Vogel singt,
der in den Zweigen wohnet.
Das Lied, das aus der Kehle dringt,
Ist Lohn, der reichlich lohnet.

 

 

Voor de Duitse schrijvers in de jaren vijftig was dit problematisch. Taal en werkelijkheid leken niet meer zo natuurlijk met elkaar verbonden als in de tijd van Goethe. Dichters als Ingeborg Bachmann en Gottfried Benn zochten in hun gedichten een nieuwe taal om antwoord te kunnen geven op de vragen van hun tijd.

Zij waren zich ervan bewust dat de taal zeer geleden had onder het misbruik van de Nazi’s en probeerden te waken voor het verwijt van de filosoof Th. W. Adorno aan het adres van de dichters, dat wie het verleden uit het oog verloor gemakkelijk in Geschwätz kon vervallen.

 

Ingeborg Bachmann

Ingeborg Bachmann

Ingeborg Bachmann (1926 – 1973) werd in het Oostenrijkse Klagenfurt geboren. Zij werkte drie jaar voor de radio en verbleef de langste tijd van haar leven in Rome. Zij was goed bevriend met schrijvers als Paul Celan en kortere tijd met Max Frisch. Behalve gedichten schreef zij hoorspelen, romans en verhalen. Voor haar bundel Die gestundete Zeit ontving zij de prijs van de Gruppe 47.

Zij stierf in 1973 in Rome onder verdachte omstandigheden. Of er sprake was van zelfdoding is nooit opgehelderd. Een gemakkelijk leven heeft zij in elk geval niet gehad. Zij heeft heel mooie en actuele literatuur nagelaten.

 

 

 

Taal was haar laatste houvast. Zij schreef daarover:

Meine Existenz ist eine andere, ich existiere nur, wenn ich schreibe, ich bin nichts, wenn ich nicht schreibe, ich bin mir selbst vollkommen fremd, aus mir herausgefallen, wenn ich nicht schreibe. (…) Es ist eine seltsame, absonderliche Art zu existieren, asozial, einsam, verdammt, es ist etwas verdammt daran.

Mijn bestaan is anders, ik besta alleen maar als ik schrijf, ik ben niets als ik niet schrijf, ik ben volkomen vervreemd van mezelf, uit mezelf uitgetreden, als ik niet schrijf. (…) Het is een vreemde, zonderlinge manier van leven, asociaal, eenzaam, verdoemd, er ligt een waas van veroordeling overheen.

Bachmann maakte met haar gedichten in de jaren vijftig diepe indruk. Vergelijk haar voordracht van Die gestundete Zeit met het gezwollen taalgebruik in een willekeurige rede van Hitler en je bent in twee totaal verschillende werelden.

 

Die gestundete Zeit –  Ingeborg Bachmann (1953)

Es kommen härtere Tage.
Die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.
Bald mußt du den Schuh schnüren
und die Hunde zurückjagen in die Marschhöfe.
Denn die Eingeweide der Fische
sind kalt geworden im Wind.
Ärmlich brennt das Licht der Lupinen.
Dein Blick spurt im Nebel:
die auf Widerruf gestundete Zeit
wird sichtbar am Horizont.

 

 

Drüben versinkt dir die Geliebte im Sand,
er steigt um ihr wehendes Haar,
er fällt ihr ins Wort,
er befiehlt ihr zu schweigen,
er findet sie sterblich
und willig dem Abschied
nach jeder Umarmung.

Sieh dich nicht um.
Schnür deinen Schuh.
Jag die Hunde zurück.
Wirf die Fische ins Meer.
Lösch die Lupinen!

Es kommen härtere Tage.

Beluister hier het gedicht. Bachmann leest zelf.

‘Kijk niet om en ga een nieuwe weg zonder hulp van een ander, es kommen härtere Zeiten’: Bachmann had in haar jeugd veel meegemaakt. Dit verklaart de tamelijk pessimistische toon die veel van haar gedichten kenmerken. Over de gedwongen aansluiting van Oostenrijk bij het Duitse Rijk onder Hitler in 1938 schreef zij:

 

Der Einmarsch von Hitlers Truppen … es war etwas so Entsetzliches, dass mit diesem Tag meine Erinnerung anfängt … diese ungeheure Brutalität, die spürbar war, dieses Brüllen, Singen und Marschieren – das Aufkommen meiner Todesangst.

Het binnenmarcheren van Hitlers troepen … het was zo iets vreselijks dat met deze dag mijn herinnering begint … deze ongelooflijke bruutheid, het brullen, zingen en marcheren – het opkomen van mijn doodsangst. (vert. JK)

 

Beluister hier een deel van de toespraak van Hitler op de Heldenplatz in Wenen in 1938. Hierin verklaart hij dat Oostenrijk bij Duitsland ingelijfd (der Anschluss) wordt. Let vooral op de brute manier van spreken waar Ingeborg Bachmann op wijst.

Rede van Hitler

Zo kwam Hitler Wenen binnen (5′):

 

 

Das Unsagbare onder woorden brengen

Bachmanns werk houdt steeds verband met deze vroege en pijnlijke ervaring, die zij maar nauwelijks kon verwoorden. Het is één van die gebeurtenissen, die zij unsagbar noemt.

Maar er is meer dat tot het Unsagbare behoort. Bachmann studeerde in Wenen filosofie, literatuur en psychologie. Zij kwam daarbij in aanraking met het werk van existentialisten als Heidegger en taalfilosofen als Ludwig Wittgenstein. Zij schrijft een proefschrift over Heidegger.

Deze filosofen brachten elk op eigen wijze de crisis van hun tijd onder woorden. De aloude metafysische kaders waren weggevallen. (Metafysica, bij Aristoteles oorspronkelijk de leer over de zaken die na de fysica, de natuurwetenschap, aan de orde komen, de leer van het niet-waarneembare.)

Techniek, natuurwetenschap en industrialisering bepaalden mens en wetenschap bij de bewijsbare en concrete realiteit. Vragen naar zin en doel van dit leven werden als niet-toetsbaar en onwetenschappelijk afgedaan. Hetzelfde gold voor vragen rond goed en kwaad (de ethica) of schoonheid (de esthetica).

Wittgenstein maande tot bescheidenheid in de wetenschap:

Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen. (Ludwig Wittgenstein, Tractatus, par. 7.)

 

Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen. Daarmee bedoelde hij, dat (taal-) filosofie alleen ‘standen van zaken’ beschrijven kan: Die Welt ist, was der Fall ist, luidt de eerste zin van Wittgensteins hoofdwerk Tractatus logico-philosophicus. Over de rest, schoonheid, ethiek en religie, moet men zwijgen. Daarover is niets zinnigs te zeggen, zij behoren tot het gebied van het Unsagbare.

Ingeborg Bachmann zag juist hier een taak voor de kunst en de literatuur weggelegd. Zij sloot aan bij de latere woorden van Wittgenstein:

 

 

Philosophie sollte man eigentlich nur dichten. (Filosofie vraagt om een poëtische geest).

Haar stond uiteindelijk een literatuur voor ogen die verder zou gaan dan de grenzen van het alledaagse, een literatuur als uitdrukking van een nieuwe taal, bewoond door een nieuwe geest. Dichtung als het reddende woord in een zinloze, banale en absurde wereld.

 

In Rede und Nachrede (1956) schrijft Bachmann:

Komm nicht aus unserem Mund,
Wort, das den Drachen sät.

`s ist wahr, die Luft ist schwül.
vergoren und gesäuert schäumt das Licht
und überm Sumpf hängt schwarz der Mückenflor.

Wort, sei von uns
freisinnig, deutlich, schön.
Gewiss muss es ein Ende nehmen,
sich vorzusehn.

 

 

Komm, Gunst aus Laut und Hauch,
befestig diesen Mund,
wenn seine Schwachheit uns
entsetzt und hemmt.Komm und versag dich nicht,
da wir im Streit mit so viel Übel stehen.

Eh Drachenblut den Widersacher schützt,
fällt diese Hand ins Feuer.Mein Wort, errette mich!

 

Kenmerkend voor dichters als Bachmann is dat zij in een kernachtige, gereinigde taal een algemeen gevoel van onbehagen met de cultuur, de politiek en de restauratieve tendensen in de jaren vijftig probeerden te verwoorden. Bij Bachmann klinkt op de achtergrond en tamelijk verborgen de hoop op iets nieuws door.

Deze poëzie waarin het onzegbare aarzelend, voorzichtig en geheimzinnig wordt verwoord, wordt wel hermetisch genoemd. Ze wil het Unsagbare beschermen en veiligstellen. Het is een kritiek op het alledaagse en onkritische denken en wil zich niet laten inkapselen of misbruiken door welke ideologie dan ook.

Later – in de jaren zestig – zullen dichters deze ideeën nog radicaler tot hun programma verheffen, in de zogenaamde concrete poëzie. Hierin worden klank- en gevoelswaarde van een woord boven zijn betekenis en zijn verwijzing naar de werkelijkheid gesteld.

‘Das Unsägliche geht, leise gesagt, übers Land – Het onzegbare zwerft over het land’, zou Bachmann in haar gedicht Früher Mittag zeggen.

Hermetische en ook concrete poëzie zijn een protest tegen het afgesleten en oneigenlijke taalgebruik in de moderne consumptiemaatschappij. Deze poëzie wil de zeggingskracht van het onzegbare tegen inkapseling en verhulling beschermen.

Dit protestkarakter van Dichtung, dit verzet tegen de tijdgeest en taalmisbruik, komt goed tot uitdrukking in Bachmanns gedicht Reklame uit 1956. Twee stemmen wisselen elkaar af. Het lyrische ik wil een werkelijk gesprek beginnen over vragen, die er toe doen. Maar daar tussendoor zijn louter goedkope reclameslogans gemonteerd. Van een echte dialoog over zinvolle vragen kan in de moderne op gewin beluste wereld geen sprake zijn. Een zinnig antwoord verdampt in het niets van zinloze en ééndimensionale beloftes, die in het aangezicht van de dood geen antwoorden op de laatste vragen kunnen geven. Harder kan kritiek op de maatschappij niet klinken.

Beluister het gedicht Reklame.

Lees hier het gedicht Reklame

 

 

 

 

Der gute Gott von Manhattan

Het met de Hörspielpreis der Kriegsblinden bekroonde hoorspel Der gute Gott von Manhattan (1958) vat een belangrijk thema uit het werk van Bachmann nog eens kernachtig samen. Voor echte gevoelens, voor liefde lijkt in de moderne maatschappij geen plaats. Een verliefd stel in Manhattan – symbolisch voor rijkdom en moderniteit – sluit zich in een hartstochtelijke liefde voor elkaar af van de maatschappij. De goede god van Manhattan veroordeelt hen daarvoor tot de dood. Bij de prijsuitreiking lichtte Bachmann dit interessante en nog steeds actuele stuk toe:

 

Es ist auch mir gewiss, dass wir in der Ordnung bleiben müssen, dass es den Austritt aus der Gesellschaft nicht gibt und wir uns aneinander prüfen müssen.

Het is ook mij duidelijk dat wij ons in zekere zin moeten aanpassen, dat we ons niet buiten de maatschappij kunnen plaatsen en we elkaar voortdurend moeten corrigeren.

 

Bachmann heeft niet alleen hermetische gedichten geschreven, een ander voorbeeld uit haar werk is Erklär mir Liebe.

Beluister het gedicht Erklär mir Liebe.

Lees hier het gedicht.

 

Erklär mir, Liebe

Dein Hut lüftet sich leis, grüßt, schwebt im Wind,
dein unbedeckter Kopf hat’s Wolken angetan,
dein Herz hat anderswo zu tun,
dein Mund verleibt sich neue Sprachen ein,
das Zittergras im Land nimmt überhand,
Sternblumen bläst der Sommer an und aus,
von Flocken blind erhebst du dein Gesicht,
du lachst und weinst und gehst an dir zugrund,
was soll dir noch geschehen –

Erklär mir, Liebe!

Der Pfau, in feierlichem Staunen, schlägt sein Rad,
die Taube schlägt den Federkragen hoch,
vom Gurren überfüllt, dehnt sich die Luft,
der Entrich schreit, vom wilden Honig nimmt
das ganze Land, auch im gesetzten Park
hat jedes Beet ein goldner Staub umsäumt.

Der Fisch errötet, überholt den Schwarm
und stürzt durch Grotten ins Korallenbett.
Zur Silbersandmusik tanzt scheu der Skorpion.
Der Käfer riecht die Herrlichste von weit;
hätt ich nur seinen Sinn, ich fühlte auch,
daß Flügel unter ihrem Panzer schimmern,
und nähm den Weg zum fernen Erdbeerstrauch!

Erklär mir, Liebe!

Wasser weiß zu reden,
die Welle nimmt die Welle an der Hand,
im Weinberg schwillt die Traube, springt und fällt.
So arglos tritt die Schnecke aus dem Haus!

Ein Stein weiß einen andern zu erweichen!

Erklär mir, Liebe, was ich nicht erklären kann:
sollt ich die kurze schauerliche Zeit
nur mit Gedanken Umgang haben und allein
nichts Liebes kennen und nichts Liebes tun?
Muß einer denken? Wird er nicht vermißt?

Du sagst: es zählt ein andrer Geist auf ihn …
Erklär mir nichts. Ich seh den Salamander
durch jedes Feuer gehen.
Kein Schauer jagt ihn, und es schmerzt ihn nichts.

 

 

Beluister in de reeks Klassiker der Schullektüre een programma over Ingeborg Bachmann: Erzählungen und Gedichte (15′). (Voor liefhebbers.)

Meer over Bachmann vind je op de site van het Bachmann-Forum.

 

 

Gottfried Benn  –  Rondom de leegte

‘es gibt nur eines: ertrage’ – ‘het draait allemaal om één ding, verdraag’, schreef Gottfried Benn (1886 – 1956) in zijn gedicht Nur zwei Dinge. Deze regel precies in het midden van dit volkomen uitgebalanceerde en met zorg geconstrueerde gedicht, waarin geen woord teveel staat, is zijn antwoord op de levensbeschouwelijke crisis van zijn tijd.

Zoals in een extatische dans, waarin draaiend om een as alleen de beweging telt, vond Benn in vorm en rijm een middel om, wat hij in navolging van Nietzsche het nihilisme noemde, te bezweren.

De gedichten waar hij na de oorlog beroemd mee geworden is, heeft hij Statische Gedichte genoemd. De eigenlijke inhoud van een gedicht is de vorm, zegt Benn. Daarmee plaatst hij zich in de traditie van symbolisten als Mallarmé ‘ein Gedicht entsteht nicht aus Gefühlen, sondern aus Worten.’

Veel van deze gedichten waren tijdens de oorlog al ontstaan, maar pas in 1948 kon hij er een uitgever voor vinden. Geen uitgever durfde in het begin zijn handen te branden aan deze dichter. Benn was namelijk korte tijd lid van de NSDAP geweest. Na de oorlog werd hij door de Amerikanen gewantrouwd en mocht hij niet publiceren. Benns gedichten, ook die van na de oorlog, hebben iets melancholisch, maar worden tot de hoogtepunten van de Duitse literatuur gerekend. Hier zijn een paar voorbeelden.

 

Beluister het gedicht hier.

Nur zwei Dinge (1953)

Albrecht Dürer, Melancolia 1514

Durch so viel Formen geschritten,
durch Ich und Wir und Du,
doch alles blieb erlitten
durch die ewige Frage: wozu?

Das ist eine Kinderfrage.
Dir wurde erst spät bewusst,
es gibt nur eines: ertrage
– ob Sinn, ob Sucht, ob Sage –
dein fernbestimmtes: Du musst.

Ob Rosen, ob Schnee, ob Meere,
was alles erblühte, verblich,
es gibt nur zwei Dinge: die Leere
und das gezeichnete Ich.

 

Tegen het alledaagse gezwets en de banaliteit van een zinloos en oppervlakkig kapitalisme zocht hij een nieuwe transcendentie, een diepere zin en een nieuwe vrijheid, die alleen het woord tot stand kon brengen.

In zijn gedicht Ein Wort brengt hij de macht van het woord ter sprake.

 

 

Gottfried Benn – Ein Wort
(1943)

Ein Wort, ein Satz -: aus Chiffren steigen
erkanntes Leben, jäher Sinn,
die Sonne steht, die Sphären schweigen,
und alles ballt sich zu ihm hin.

Ein Wort – ein Glanz, ein Flug, ein Feuer,
ein Flammenwurf, ein Sternenstrich –
und wieder Dunkel, ungeheuer,
im leeren Raum um Welt und Ich.

 

Beluister het gedicht hier.

 

Een woord

Een woord, een frase -: uit chiffres stijgen
levensinzicht, onverwachte zin,
de zon staat, de sferen zwijgen
en alles balt zich samen daarin.

Een woord -, een vuur, een vlucht, een straal,
een vlammenworp, een sterrenfik -,
en weer donker, kolossaal,
in de lege ruimte om wereld en ik.

(Vertaling Huub Beurskens)

 

Statische Gedichte in vertaling van Huub Beurskens

Het woord is versleuteld, een beeld, een chiffre, dat om uitleg vraagt. Het woord is als een zon vol energie, het woord staat in het centrum van een op zich woeste en lege ruimte. Het heeft de macht om de wereld zin te verlenen. Maar het woord laat geen sporen na van lange duur. Als in een vlammenworp dooft uiteindelijk het licht.

De dichter mag dan mooie kunst van grote waarde tot stand hebben gebracht, meer valt er niet van hem te verwachten. Hij is geen wereldverbeteraar, er valt trouwens ook helemaal niets te verbeteren. Er is weinig ruimte voor hoop.

In zijn autobiografie spreekt Benn van het Doppelleben dat hij als dichter altijd geleid heeft. Dat leven begon na zijn geneeskunde-studie als arts in het leger. Eerst in Berlijn en tijdens de Eerste Wereldoorlog in België, waar hij met de vreselijkste dingen in aanraking kwam.

Zijn gedichten Kleine Aster (1912) en Mann und Frau gehen durch die Krebsbaracke (1913) zijn in deze tijd ontstaan. Deze gedichten heeft hij in de bundel Morgue opgenomen. Morgue is een lijkenhuis.

 Lutz Görner over Gottfried Benn (8′):

 

In de jaren dertig raakte Benn enige tijd in de ban van Hitler. Maar al vrij snel in 1934 brak hij met het nazisme. Van deze misstap legde hij later verantwoording af, maar deze bleef hem zijn gehele verdere leven achtervolgen. Zelf sprak hij van een grote tragedie. Benn verliet Duitsland niet. Door de emigranten zou hij immers met hoongelach zijn ontvangen. Hij werkte verder in Duitsland als arts. Zijn literaire werk kon er tot 1945 in elk geval niet meer gepubliceerd worden. Als dichter leed hij een teruggetrokken en eenzaam leven.

In 1948 publiceerde Benn onder de titel Statische Gedichte de gedichten die hij ten tijde van het Derde Rijk had geschreven. Ze zijn alle uitdrukking van het besef, dat de mens in een zin- en doelloze geschiedenis geen andere keuze heeft dan zich terug te trekken in taal, woord en vorm. De dichter is in zijn kunst tot eenzaamheid veroordeeld.

In het gedicht Einsamer nie brengt het lyrisch ik dit levensgevoel pregnant onder woorden.

 

Einsamer nie – (1936)

Einsamer nie als im August:
Erfüllungsstunde –, im Gelände
die roten und die goldenen Brände,
doch wo ist deiner Gärten Lust?

Die Seen hell, die Himmel weich,
die Äcker rein und glänzen leise,
doch wo sind Sieg und Siegsbeweise
aus dem von dir vertretenen Reich?

Wo alles sich durch Glück beweist
und tauscht den Blick und tauscht die Ringe
im Weingeruch, im Rausch der Dinge – :
dienst du dem Gegenglück, dem Geist.

Beluister hier het gedicht.

Eenzamer nooit

Eenzamer nooit dan in augustus:
vervullingsuur –, overal op het land
het rode vuur, de gouden brand,
maar je tuinen of hun lust geblust is.

De luchten zacht, de meren licht,
gave akkers, schitterend kalme,
maar waar zijn zege en zegepalmen
uit het rijk dat jij vertegenwoordigt?

Waar alles op zijn eigen feest
en blikken wisselt en ook ringen
in de geur van wijn, in de roes der dingen -:
dien jij het tegengeluk, de geest.

(Vertaling Huub Beurskens)

Het werk van Benn lijkt vaak sterk op dat van symbolisten als Baudelaire en Mallarmé aan het eind van de negentiende eeuw. Het gedicht beschouwden zij als een gesloten wereld op zich, onderworpen aan eigen wetten, een ver boven de tijd uitgaand kunstproduct, zeker geen simpele afbeelding van de werkelijkheid.

Benn heeft zijn opvattingen over dichtkunst in zijn lezing Probleme der Lyrik (1951) uiteengezet. Daarin zegt hij:

‘Ein Gedicht entsteht überhaupt sehr selten – ein Gedicht wird gemacht.’

In een interview ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag blikt Benn terug op zijn leven (9′).

 

Konzeptkunst

Wat Benn in zijn Statische Gedichte doet, kun je vergelijken met de typische Konzeptkunst, die in de jaren vijftig steeds populairder werd. Het kunstwerk wordt hierin vooral gedragen door een idee. Een goed voorbeeld daarvan in Duitsland is het werk van Günther Ücker (1930). Zijn Spijkers op canvas zijn bijna een meditatief ritueel, hetgeen lijkt op wat voor Benn goede dichtkunst is.

Zijn werken bestaan vaak uit een compositie van nagels en spijkers, ze hebben meestal geen kleur, maar spelen met het licht in zwart en wit. Zo ontstaan er nieuwe ruimtes.

Werk van Ücker vind je onder andere in de kapel, de Andachtsraum, van de Reichstag in Berlijn. Vergelijk wat hij zegt over het kunstwerk met de dichtkunst van Bachmann en Benn.

Over zijn werk zegt hij:

Konzeptkunst, werk van Günther Ücker

Ich versuche, die Dinge direkt zu verzahnen, das Sagbare mit dem Unsagbaren zu verbinden und bildnerisch in die Welt zu stellen. (…)

Ich erreiche die Welt nicht, indem ich sie abbilde, sondern stelle Bilder in die Welt und konfrontiere und bereichere sie damit.

 

Ik probeer de dingen met elkaar te verknopen, het zegbare met het onzegbare te verbinden en zo als beeld in de wereld te zetten. (…)

Ik bereik de wereld niet door haar af te beelden, maar zet beelden in de wereld en confronteer en verrijk de wereld daarmee. (vert. JK)

 

In de reeks Klassiker der Schullektüre een interessant programma over Gottfried Benn (27′):

 

Meer over Benn bij Lutz Görner (nr 169, 170)

 

De biografie van Benn vind je hier.

 

 

Terugblik

In de jaren vijftig overheersen in de Duitse literatuur aanvankelijk thema’s als Heimkehr, nuchtere bestandsopname en het zoeken naar troost en rust. Geleidelijk aan komt er meer aandacht voor de verwerking van het verleden en de schuldvraag. Böll en Grass zijn daar voorbeelden van. In de tijd van de snel groeiende welvaart en nieuwe politieke spanningen worden vrijheid, de zin van het bestaan en de macht(en machteloosheid) van het woord een steeds belangrijker thema.

Bij Benn, Bachmann en anderen resulteert dit in een moderne opvatting van literaire kunst en een zekere afstand tot de werkelijkheid. Ondanks het feit dat daaraan in feite een zeer revolutionaire en kritische gedachte ten grondslag lag, was dit voor een jongere generatie schrijvers niet voldoende.

In de jaren zestig zou er in de literatuur tegen de achtergrond van nieuwe politieke ontwikkelingen in Oost en West een geheel andere wind gaan waaien. Naast de experimentele en hermetische poëzie zou de literatuur geleidelijk aan een expliciet politiek karakter krijgen.

 

 

Literatuur in de jaren zestig

 

Literatuur wordt politiek – Politieke achtergrond

 

Soll ich euch mal sagen, was ist. Also von mir aus können wir sofort hier vom Tisch aufstehen und die Welt umwälzen.

Moet ik zeggen hoe we er voor staan? Welnu, wat mij betreft kunnen we hier direct van tafel opstaan en de wereld radicaal veranderen.

Enzensberger, Grass en Rühmkorf

Dit zijn woorden van de dichter Peter Rühmkorf (1929 – 2008). Hij stond kritisch ten opzichte van de apolitieke dichtkunst en wilde met zijn kunst de wereld verbeteren. Op voordrachtsavonden trad hij vaak op met jazzpianisten om de revolutionaire boodschap van zijn gedichten te onderstrepen. Hij schreef een spotlied met de titel Lied der Benn-Epigonen. Hij rekende zichzelf weliswaar tot volgeling van Gottfried Benn, maar hij vond dat conservatieve krachten in de Bondsrepubliek diens dichtkunst verkeerd interpreteerden en misbruikten. Hij pleitte voor een andere, nieuwe en expliciet maatschappijbetrokken dichtkunst.

 

Außer der Liebe nichts – (Peter Rühmkorf)

Flüchtig gelagert in dieses mein Gartengeviert,
wo mir der Abend noch nicht aus dem Auge will,
schön ist’s,
hier noch sagen zu können: schön,
wie sich der Himmel verzieht und die Liebe zu Kopf steigt,
all nach soviel Unsinn und Irrfahrt
an ein seßhaftes Herz zu schlagen, du spürst
einen Messerstich tief in der ledernen Brust
DIE FREUDE.

Wo nun dieser mein Witz das Land nicht verändert,
mein Mund auf der Stelle spricht,
– hebt sich die Hand und senkt sich für garnichts das Lid –
doch solang ich noch atmund-rauchund-besteh,
solang mich mein Kummer noch rührt
und mein Glück mich noch angeht,
will ich
was uns die Aura am Glimmen hält,
mit langer Zunge loben!

Unnütz in Anmut: Dich,
wo die Nacht schon ihr Tuch wirft
über dein ungebildetes Fleisch, es kehren
alle Dinge sich ihre endliche Seite zu,
und aus ergiebigem Dunkel rinnt
finstere Fröhlichkeit…
Ich aber nenne diesseits und jenseits der Stirn
außer der Liebe nichts,
was mich hält und mir beikommt.

Beluister hier gedichten van Rümkorf

Behalve de liefde niets

Vluchtig gekelderd hier in mijn tuinkwartier,
waar de avond nog niet uit het oog verdwijnt,
mooi is het
hier nog te kunnen zeggen: mooi,
hoe hier de hemel verschiet en de liefde naar het hoofd stijgt,
na zoveel onzin en doling
bij een honkvast hart aan te kloppen, je voelt
een messteek, diep in je leren borst
DE VREUGDE.

Waar nu mijn esprit dit land niet verandert,
mijn mond pas op de plaats spreekt
– gaat mijn hand omhoog en zakt zomaar mijn ooglid –
maar zolang ik nog adem-en-rokender ben,
zolang mijn verdriet me nog aangrijpt
en mijn geluk me nog raakt
wil ik
datgene waar onze aura op gloeit
met lange tong prijzen!

Nutteloos maar bevallig,
waar de nacht al het doek werpt
over je ongevormde vlees, alle dingen
richten zich tot hun eindige kant,
en uit het vruchtbare duister vloeit
sombere vrolijkheid…
Ik echter noem binnen en buiten het voorhoofd
behalve de liefde niets,
wat me vasthoudt en me bekoort.

Translated by Ard Posthuma

 

Dat er in de jaren zestig iets nieuws stond te gebeuren in kunst en literatuur zou de kunstenaar Georg Baselitz met zijn deutsche Eiche duidelijk maken. De wereld moest omgekeerd worden. Baselitz speelt hier met de romantische schilderkunst en met nationalistische gevoelens in de Duitse geschiedenis waarvoor vaak naar de tijd van de romantiek werd verwezen. Vergelijk de Duitse eik van Caspar David Friedrich en andere romantici met de eik van Baselitz.

 

Georg Baselitz, Wald auf dem Kopf 1965

Caspar David Friedrich, Eiche im Schnee, ong. 1804

 

Voor deze nieuwe en kritische geluiden in kunst en literatuur waren politieke ontwikkelingen in binnen- en buitenland vaak de aanleiding. Duitsland maakte na een periode van relatieve rust onder Adenauer een onstuimige tijd door. Internationaal spitste de Koude Oorlog zich toe. In de jaren vijftig hadden de twee blokken – aan de ene kant Amerika met West-Europa (waaronder de Bondsrepubliek) en aan de andere kant de Sovjet-Unie met Oost-Europa (waaronder de DDR) – steeds vastere vorm gekregen. Economisch en militair gingen de beide Duitslanden steeds meer hun eigen weg.

Hoogtepunten van de Koude Oorlog waren de bouw van de Berlijnse muur in 1961 en de crisis rond Cuba in 1962. Het zou tot eind van de jaren zestig duren voor politieke opvattingen als ‘roll back’ (terugdringing van het rode gevaar) en twee-blokken-theorie vervangen werden door ‘ontspanning’ en ‘verdragen met Oost-Europa’. Intussen ging de kernbewapening door en raakte de VS betrokken bij de oorlog in Vietnam. Het vraagstuk van de bewapening was een heet hangijzer geworden.

 


Bekijk hier een video (5″) over de bouw van de Berlijnse muur.

 

Binnenland  –  Meinungsfreiheit en Vergangenheitsbewältigung

De Westduitse CSU-politicus Franz Joseph Strauß (1915 – 1988) propageerde als minister van Defensie (1956 – 1962) onomwonden de aanschaf van kernwapens. Het kritische tijdschrift Der Spiegel publiceerde in 1962 een artikel over de herbewapening van West-Duitsland en over de inzet van het leger. Dit waren sinds de Tweede Wereldoorlog gevoelige kwesties in Duitsland. Zonder pardon liet Strauß een inval bij de redactie van Der Spiegel organiseren. Verschillende redacteuren werden op verdenking van landverraad gearresteerd en uit protest daartegen gaf Spiegel-uitgever Rudolf Augstein zichzelf aan bij de politie.

Kanselier Adenauer betitelde het artikel als Abgrund von Landesverrat. Deze gebeurtenissen leidden tot grote onrust. Velen vonden dat een kritisch weekblad monddood was gemaakt en protesteerden fel tegen de inperking van vrijheid van meningsuiting. De gerechtelijke vervolging van Der Spiegel werd pas in 1965 opgeheven.

Lees hier meer over de Spiegel-Affäre.
Ludwig Erhard met zijn boek Wohlstand für alle.

In 1963 kwam er na veertien jaar een einde aan het tijdperk Adenauer. Onder Ludwig Erhard – bondskanselier van 1963 tot 1966 – maakte een recessie een einde aan de ongeremde economische groei.

Intussen kwam een andere onderwerp steeds meer in de schijnwerpers te staan: de verwerking van het verleden. Direct na de oorlog hadden in Nürnberg de eerste processen tegen de zwaarste oorlogsmisdadigers  reeds plaatsgevonden. Daarna vonden er in de jaren zestig een reeks van vervolgprocessen plaats tegen hoge ambtenaren, artsen en industriëlen.

 

Auschwitzproces in Frankfurt a/M

In het kielzog van het proces tegen Eichmann (Jeruzalem 1961) werd er heftig gedebatteerd over de verjaring van oorlogsmisdaden. In Duitsland vonden tussen 1963 en 1966 de Auschwitz-Prozesse plaats (in Frankfurt). Sommige Duitsers waren boos over de milde oordelen, anderen vonden dat er een streep onder het verleden gezet moest worden. Een nieuwe generatie riep zijn ouders ter verantwoording voor het verleden. De Vergangenheitsbewältigung kwam nu pas echt op gang. In de kunst en literatuur uit de jaren zestig heeft dit thema duidelijke sporen achtergelaten.

Over de hoofdaanklager Fritz Bauer (1903 – 1968) bestaat een erg goede film: Im Labyrinth des Schweigens. Fritz Bauer heeft er uiteindelijk voor gezorgd dat Eichmann in Argentinië opgepakt kon worden.

 

Gerhard Richter maakte een schilderij naar een foto van zijn oom in SS-uniform. Het kunstwerk uit 1969, bestaande uit met een spons aangebrachte zwart-wit tinten, draagt als titel Onkel Rudi. Het was kenmerkend voor de periode van serieuze aandacht voor de verwerking van het verleden: de Vergangenheitsbewältigung.

 

Gerhard Richter, Onkel Rudi, 1969

Bekijk hier een kort verslag (4′) van het Eichmann-proces in Jeruzalem (1961) dat wereldwijd de aandacht trok. In Duitsland volgden vanaf 1963 de Auschwitzprozesse.

 

De Nederlandse schrijver Harry Mulisch woonde het Eichmann-proces bij en schreef daarover een interessant boek: ‘Het proces 41/61’, dat ook in het Duits vertaald is.

In de tweede helft van de jaren zestig ontstond in West-Duitsland onder jongeren een grote protestbeweging naar Amerikaans voorbeeld. Studenten kwamen in opstand tegen hun ouders, tegen autoritaire structuren in het onderwijs en ondemocratische verhoudingen in de maatschappij. Zij zetten vraagtekens bij traditionele waarden van oudere generaties en bij de consumptiemaatschappij, waarin zij leefden.

Er ontstond een beweging die buitenparlementaire actie, Außerparlamentarische Aktion (APO) werd genoemd. Deze naam is ontleend aan het feit dat er midden jaren zestig een regering was gevormd van de twee grootste partijen, de SPD en CDU/CSU. Binnen het parlement was er feitelijk geen oppositie tegen deze Große Koalition en zodoende zocht men die buiten het parlement (außerparlamentarisch).

De APO werd gekenmerkt door een anti-amerikaanse houding, door verzet tegen de Vietnam-oorlog en een streven naar toenadering tot het Oostblok. Het communisme zou zich moeten omvormen tot een ‘socialisme met een menselijk gezicht’, zo redeneerde deze nieuwe linkse oppositie.

Willy Brandt in Warschau. Knieval bij het monument voor de opstand in het getto van Warschau.

Pas onder de sociaal-liberale regering van Willy Brandt (vanaf 1969) zouden al deze ontwikkelingen tot een werkelijk nieuwe mentaliteit en politieke cultuur van Mehr Demokratie wagen leiden.

Niet alleen de toespraak van Brandt, maar vooral ook zijn knieval in Warschau 1970 bij het monument ter nagedachtenis aan de opstand in het getto van Warschau (1943) hebben diepe indruk gemaakt en markeren het aanbreken van een nieuwe tijd in Duitsland.

 

 

Beluister hier enkele minuten uit de rede van Willy Brandt met de uitleg van zijn beroemde uitspraak Wir wollen mehr Demokratie wagen. (De hele rede duurt 40′.)

Bekijk hier een video (4′) over de komst van de Sjah van Perzië naar Berlijn. Dit bezoek lokte hevige protesten onder de studenten uit en leidde onder andere tot de dood van Benno Ohnesorg. Deze en andere gebeurtenissen zouden diepgaande gevolgen hebben voor de navolgende periode.

 

Veranderingen in de literatuur

De ontdekking van de werkelijkheid  –  Worauf warten wir noch?

In deze tijd vindt er in de literatuur een ingrijpende verandering plaats. Een schrijver beschouwt zich niet meer in de eerste plaats als een Dichter. Hij schrijft nu ook essays, pamfletten en artikelen in tijdschriften. Hij neemt politiek stelling onder het motto ‘nooit meer zwijgen over dictatuur en onderdrukking’. Een nieuw genre wint in deze tijd ook aan betekenis: het politieke lied.

Andy Warhol, Campbells’ Soup Can (1964) is een voorbeeld van niet elitaire kunst, waarin het alledaagse wordt verbeeld.

Vertegenwoordigers van deze ‘politieke stroming in de literatuur’ zijn bijvoorbeeld Hans Magnus Enzensberger, Erich Fried, Peter Weiss en Rolf Hochhuth. Zij vertegenwoordigden een tegencultuur, die kritiek hadden had op de moderne dichtkunst in de zin van Celan en Benn. De boodschap van deze onmiskenbaar grote en moderne dichters was hun allemaal te raadselachtig verpakt, te elitair. De kloof tussen kunst en werkelijkheid moest gedicht worden.

 

Cross the border, close the gap (naar het boek van Leslie Fiedler), werd het uit Amerika overgewaaide parool, dat een ware revolutie in de cultuur van de jaren zestig symboliseerde. Aandacht voor het leven van alledag, een populaire cultuur, de doorbraak van een pop-cultuur, die zich vooral in de jaren zeventig zou doorzetten, kondigde zich reeds aan.

Een bijzondere vorm van sociaalkritisch engagement neemt de Arbeiterliteratur in, met schrijvers als Günther Wallraff, Erika Runge, Max von der Grün en de liedschrijver Franz Joseph Degenhardt.

De concrete poëzie was een andere vorm van protest, waarin vooral het spel met de taal op zich zijn werking moest doen.

 

Hans Magnus Enzensberger  –  Een nieuwe Heinrich Heine


Enzensberger is een voorbeeld van de jonge dichter die met kritische ogen kijkt naar het nieuwe Duitsland onder Adenauer. Hij plaatst zich met zijn in 1957 verschenen gedichten verteidigung der wölfe in de traditie van Heinrich Heine en Bertolt Brecht. Deze bundel bestaat uit drie delen, uit ‘freundliche, traurige en böse’ gedichten. De driedeling is als een directe kritiek bedoeld op de traditionele dichtkunst, waarin grote woorden als ‘het schone, ware en goede’ uit de oudheid in navolging van Goethe centraal staat.

In het eerste deel staat het verlangen naar een vervuld leven in eenvoud centraal, in het tweede de vraag naar de zin van het bestaan en in het derde de aanklacht tegen politieke misstanden. In deze bundel slaat Enzensberger plotseling een geheel nieuwe toon aan in de Duitse literatuur van na de oorlog, waarin de heilzame en idyllische werking van de natuur vaak nog werd benadrukt.

Door tijdgenoten werd deze jonge dichter aanvankelijk niet erg serieus genomen. Nu wordt Enzensberger als één van de grootste naoorlogse dichters uit Duitsland beschouwd.

In landessprache uit 1960 bekritiseert hij de welbewuste onwetendheid van de meelopers en van degenen die zich onkritisch aanpassen aan een welvaartsmaatschappij in opbouw. Met deze gedichten uit de jaren vijftig en zestig wil Enzensberger bijdragen aan de politieke alfabetisering van Duitsland.

Met een duidelijke verwijzing naar de eerste strofe uit het Duitse volkslied (‘Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt’) spreekt de essaybundel met de titel Deutschland, Deutschland unter anderem (1967) boekdelen. Hier volgt een gedeelte uit landessprache.

 

landessprache (1960)

was habe ich hier verloren,
in diesem land,
dahin mich gebracht haben meine älteren
durch arglosigkeit?
eingeboren, doch ungetrost,
abwesend bin ich hier,
ansässig im gemütlichen elend,
in der netten zufriedenen grube.

was habe ich hier? und was habe ich hier zu suchen,
in dieser schlachtschüssel, diesem schlaraffenland,
wo es aufwärts geht, aber nichts vorwärts,
wo der überdruß ins bestickte hungertuch beißt,
wo in der delikateßgeschäften die armut, kreidebleich,
mit erstickter stimme aus dem schlagrahm röchelt

und ruft: es geht aufwärts!

(…) musterland, mördergrube

(…) da bleibe ich jetzt,
ich hadere aber ich weiche nicht,
da bleibe ich eine zeitlang,
bis ich von hinnen fahre zu den anderen leuten,
und ruhe aus,
in einem ganz gewöhnlichen land,
hier nicht,
nicht hier.

 

Enzensberger provoceert, lokt reacties uit en dwingt tot nadenken. In zijn gedichten neemt hij de gezapigheid van de jaren vijftig en zestig in Duitsland op de hak. Behalve kritische gedichten schrijft hij essays en mengt hij zich in politieke en literaire discussies. Hij is in de jaren zestig en zeventig uitgever van het toen zeer invloedrijke en linkse tijdschrift Kursbuch. In Das Verhör von Habana (1970) documenteert hij het hoogtepunt van de Koude Oorlog: de crisis rond Cuba in 1962.

In de vorm van een rechtszitting komen in dit theaterstuk gevluchte Cubanen aan het woord over de socialistische revolutie in Cuba. Het is een typische voorbeeld van Dokumentartheater, theater in de vorm van een documentaire met een sterk politieke boodschap. In de jaren zestig was dit genre erg populair geworden.

 

Het tijdschrift Kursbuch wordt wel verbonden met de ‘dood van de literatuur’. Deze kreet heeft betrekking op de discussies die toen gevoerd werden over de rol van de Gruppe 47 in het naoorlogse Duitsland. Tegen de achtergrond van de politieke ontwikkelingen, de oorlog in Vietnam, de problematiek van de Derde Wereld en de nieuwe partijpolitiek in Duitsland zelf, vonden veel schrijvers dat de Gruppe 47 zichzelf had overleefd.

Schrijvers waren politiek geëngageerd.

Velen, waaronder Enzensberger en Peter Weiss, vonden dat de schrijver zich politiek moest engageren. Zij namen ook openlijk deel aan demonstraties in de Verenigde Staten waar wekelijks sit-ins en teach-ins plaatsvonden tegen de oorlog in Vietnam en voor meer democratisering in de maatschappij. Dit alles leidde tot felle debatten onder de schrijvers in Duitsland. Tussen 1964 en 1967 neemt het belang van de Gruppe 47 snel af.

Kenmerkend voor Enzensberger en veel van zijn tijdgenoten is een kritische houding ten aanzien van de maatschappij. Linkse intellectuelen in Europa stonden in deze tijd onder sterke invloed van de navolgers van de op marxistische leest geschoeide Frankfurter Schule, die in de tijd van de opkomst van Hitler haar centrum naar Amerika had moeten verplaatsen.

 

Frankfurter Schule

De Frankfurter Schule was een universitair instituut, dat op basis van het gedachtegoed van Karl Marx sociologisch onderzoek deed. Het centrum ervan, het Institut für Sozialforschung, was in Frankfurt gevestigd. De wetenschappers die hier onderzoek deden, werden sterk beïnvloed door denkers als Hegel, Nietzsche en Marx. Hun ideeën werden nauwgezet bestudeerd, aan kritiek onderworpen en vernieuwd. Zij noemden hun theorie en methode van onderzoek dan ook een kritische theorie.

Een toonaangevend boek was van Max Horkheimer en Theodor W. Adorno, Dialektik der Aufklärung (1944). Zoals de titel al enigszins verraadt, keken zij net als Enzensberger in zijn gedichten deed, kritisch naar een maatschappij waarin het ideaal van de Verlichting, blind vertrouwen in de rede van de mens, hoog in het vaandel stond.

Zij citeerden met instemming Goethe:

 

Von der Vernunftshöhe herunter sieht das ganze Leben wie eine böse Krankheit und die Welt einem Tollhause gleich.

Bekeken vanaf de hoogte van de rede ziet het leven er uit als een kwaadaardige ziekte en de wereld als een gekkenhuis.

(Goethe, in een brief aan Christian Gottlob Voigt, 19 december 1798)

 

De Verlichting had kennelijk ook een keerzijde, zo beweerden Horkheimer en Adorno. Met instemming citeerden zij ook Nietzsche:

 

Ich misstraue allen Systematikern und gehe ihnen aus dem Weg.

Der Wille zum System ist ein Mangel an Rechtschaffenheit.Ik wantrouw alle systematiseerders en ik vermijd hen. De wil tot een systeem is een gebrek aan integriteit.

Friedrich Nietzsche, Götzen-Dämmerung, 1889

 

De Frankfurter Schule stond een kritische maatschappijtheorie voor, waarin geen standpunt bij voorbaat werd ingenomen voor het zogenaamde vrije Westen, dat het Nazisme had voortgebracht of het revolutionaire Rusland van de klassenloze maatschappij, waarin Stalin zijn gang kon gaan.

Behalve Horkheimer en Adorno, was ook Herbert Marcuse een belangrijke vertegenwoordiger van deze school. Zijn boek ‘One-dimensional man’ werd in de jaren zestig veel verkocht. Elke kritische student had dit boek in de kast staan en vaak ook goed bestudeerd. In het boek verdedigt Marcuse de stelling dat het kapitalisme burgers tot louter consumenten reduceert.

‘Marx, Mao en Marcuse’: deze drie ‘M’s’ golden als de belangrijkste ideologen achter het studentenprotest. Met De eendimensionale mens leverde Marcuse de brandstof om gezamenlijk op te trekken tegen wat de jonge, opstandige generatie beschouwde als ‘de letterlijk geestdodende maatschappelijke structuur’.

 

 

 

Op het universiteitsterrein van de Goethe-Universiteit in Frankrfurt staat een gedenkteken dat aan Adorno is gewijd.

 

In het gedicht Middle Class Blues uitte Enzensberger eenzelfde kritiek op de maatschappij. Eéndimensionaliteit is de mentaliteit van de onkritische burger, die zich in slaap laat sussen door zijn steeds dikker wordende loonzakje en intussen de ogen sluit voor de negatieve kanten van het kapitalisme.

De middenklasse heeft alles bereikt en zijn hele leven ondergeschikt gemaakt aan de eendimensionale drijfveer van meer productie en meer welvaart. Waar wachten we eigenlijk nog op, vraagt het lyrische ik vol ironie. Van kritisch denken kan in zo’n maatschappij, waarin het materialisme hoogtij viert, geen sprake meer zijn, een revolutie is daarom hard nodig.

 

Lees hier het gedicht Middle Class Blues

 

Middle Class Blues – Hans Magnus Enzensberger

Wir können nicht klagen.
Wir haben zu tun.
Wir sind satt.
Wir essen.

Das Gras wächst,
das Sozialprodukt,
der Fingernagel,
die Vergangenheit.

Die Straßen sind leer.
Die Abschlüsse sind perfekt.
Die Sirenen schweigen.
Das geht vorüber.

Die Toten haben ihr Testament gemacht.
Der Regen hat nachgelassen.
Der Krieg ist noch nicht erklärt.
Das hat keine Eile.

Wir essen das Gras.
Wir essen das Sozialprodukt.
Wir essen die Fingernägel.
Wir essen die Vergangenheit.

Wir haben nichts zu verheimlichen.
Wir haben nichts zu versäumen.
Wir haben nichts zu sagen.
Wir haben.

Die Uhr ist aufgezogen.
Die Verhältnisse sind geordnet.
Die Teller sind abgespült.
Der letzte Autobus fährt vorbei.

Er ist leer.

Wir können nicht klagen.

Worauf warten wir noch?

Aus: Hans Magnus Enzensberger, Blindenschrift,1964.

 

Lutz Görner – Lyrik für alle over Hans Magnus Enzensberger (8′).

 

De ondergang van de Titanic  –  de desillusie

Enzensberger heeft in de politieke opdracht, die hij voor de literatuur weggelegd zag, nooit zover willen gaan als velen van zijn tijdgenoten. Met Peter Weiss bijvoorbeeld is hij over dit thema regelmatig in een polemiek verwikkeld geweest. Ondanks de vaak radicale toon in zijn werk is hij altijd trouw gebleven aan dit uitgangspunt:

(…) dass die Poesie ihr Ziel verfehlt, wenn sie es direkt ansteuert. Die Politik muss gleichsam durch die Ritzen zwischen den Wörtern eindringen, hinter dem Rücken des Autors, von selbst.

Das Gedicht, das sich (…) verkauft, ist zum Tod verurteilt.

(…) dat de poëzie haar doel mist, als ze direct politiek bedrijft. De politiek moet als het ware door de openingen tussen de woorden heendringen, achter de rug van de schrijver om, van zelf.

Het gedicht dat zich (…) uitlevert [aan de politiek; noot van de vertaler], is ten dode opgeschreven.

M. Enzensberger, Die Entstehung eines Gedichts, 1962

 

Der Untergang der Titanic is een komedie uit de jaren zeventig. De titel verwijst weliswaar naar de scheepsramp uit 1912 maar heeft daar slechts indirect mee te maken. In dit drama, dat in weinig lijkt op een komedie, kritiseert Enzensberger op ironische wijze het blinde vooruitgangsoptimisme van zijn tijd. Het stuk bestaat uit drieëndertig lyrische gezangen, zoals Dantes Goddelijke komedie. In het stuk wordt de ondergang van het schip vanuit verschillende perspectieven beschouwd. Maar wie bij het achttiende gezang is aangekomen, weet één ding zeker: Enzensberger is gedesillusioneerd vanwege het onrecht in de wereld en de mogelijkheid de kritische idealen die hij had, te verwezenlijken.

Op zijn reizen naar Cuba was hij aan dit stuk begonnen. Maar nadat hij het kwijtgeraakt was, is hij er opnieuw aan begonnen. Hij heeft hij het regelmatig geheel bewerkt. Midden in dit overigens heel spannende stuk, erkent hij onomwonden, dat de mens door politiek handelen nooit bereikt wat hij zich voorgenomen had. De overlevenden uit de eerste klas op het schip roeien onverstoord en snel weg van de roepende drenkelingen in het water.

Aan de ene kant wil Enzensberger wel blijven wijzen op de misstanden en de onrechtvaardige ongelijkheid in de maatschappij, maar in een radicale omwenteling ervan wordt door hem niet meer geloofd:

‘Wir sitzen alle im selben Boot. Doch: wer arm ist, geht schneller unter.’

Het stuk wordt regelmatig in Duitsland en Nederland in verschillende bewerkingen opgevoerd.

 

Beluister het gedicht.

Der Untergang der Titanic – Erster Gesang

Einer horcht. Er wartet. Er hält
den Atem an, ganz in der Nähe,
hier. Er sagt: Der da spricht, das bin ich.

Nie wieder, sagt er,
wird es so ruhig sein,
so trocken und warm wie jetzt.

Er hört sich
in seinem rauschenden Kopf.
Es ist niemand da außer dem,

der da sagt: Das muß ich sein.
Ich warte, halte den Atem an,
lausche. Das ferne Geräusch

in den Ohren, diesen Antennen
aus weichem Fleisch, bedeutet nichts.
Es ist nur das Blut,

das in der Ader schlägt.
Ich habe lang gewartet,
mit angehaltenem Atem.

Weißes Rauschen im Kopfhörer
meiner Zeitmaschine.
Stummer kosmischer Lärm.

Kein Klopfzeichen. Kein Hilfeschrei.
Funkstille.
Entweder ist es aus,

sage ich mir, oder es hat
noch nicht angefangen.
Jetzt aber! Jetzt:

Ein Knirschen. Ein Scharren. Ein Riß.
Das ist es. Ein eisiger Fingernagel,
der an der Tür kratzt und stockt.

 

Etwas reißt.
Eine endlose Segeltuchbahn,
ein schneeweißer Leinwandstreifen,

der erst langsam,
dann rascher und immer rascher
und fauchend entzweireißt.

Das ist der Anfang.
Hört ihr? Hört ihr es nicht?
Haltet euch fest!

Dann wird es wieder still.
Nur in der Wand klirrt
etwas Dünngeschliffenes nach,

ein kristallenes Zittern,
das schwächer wird
und vergeht.

Das war es.
War es das? Ja,
das muß es gewesen sein.

Das war der Anfang.
Der Anfang vom Ende
ist immer diskret.

Es ist elf Uhr vierzig
an Bord. Die stählerne Haut
unter der Wasserlinie klafft,

zweihundert Meter lang,
aufgeschlitzt
von einem unvorstellbaren Messer.

Das Wasser schießt in die Schotten.
An dem leuchtenden Rumpf
gleitet, dreißig Meter hoch

über dem Meeresspiegel, schwarz
und lautlos der Eisberg vorbei
und bleibt zurück in der Dunkelheit.

Eerste gezang uit Der Untergang der Titanic, 1978

 

Enzensberger heeft zich later ook intensief beziggehouden met vragen omtrent de verhouding tussen literatuur en de nieuwe media. Vooral de emanciperende functie, die de nieuwe media zoals radio, televisie en computer in de maatschappij zouden kunnen spelen, interesseerden hem zeer. Met zijn Einladung zu einem Poesie-Automaten (1974) was hij zijn tijd en de moderne ontwikkeling van de computerpoëzie ver vooruit.

Landsberger Poesieautomat von Hans Magnus Enzensberger (Literaturmuseum Marbach; 2′).

Lees hier meer over de poëzie-automaat van Enzensberger.

 

De veelzijdigheid van Enzensberger blijkt ook uit zijn hele mooie boek over de wiskunde: Der Zahlenteufel: Ein Kopfkissenbuch für alle, die Angst vor der Mathematik haben (1999). Dit boek is speciaal voor kinderen geschreven.

Maar in het laatste hoofdstuk kan hij het niet laten om moeilijke vragen uit de grondslagen van de wiskunde aan de orde te stellen. Het boek is ook in het Nederlands vertaald en in Duitsland tot multimediaal wiskundeproject voor het onderwijs bewerkt.

 

 

 

Meer gedichten van Enzensberger kun je hier lezen en beluisteren.

Hans Magnus Enzensberger, Ein Porträt (41′). (Voor de liefhebber.)

 

Erich Fried

De in Wenen geboren dichter Erich Fried (1921 – 1988) vluchtte na de bezetting van Oostenrijk naar London. Daar bleef hij tot zijn dood wonen. In de Bondsrepubliek werd Fried in de jaren zestig vooral bekend en snel populair met zijn Warngedichte (1964) en und Vietnam und (1966). In 1964 begonnen de VS een groot offensief tegen het communistische Noord-Vietnam. Wat bedoeld was als antwoord op agressie tegen Amerikaanse oorlogsschepen, ontaarde al spoedig in een totale vernietigingsoorlog tegen het Vietnamese volk. Door de inzet van chemische wapens en buitenproportionele bombardementen veranderde Vietnam in een voor jaren onbewoonbaar land, waar duizenden onschuldige burgers verminkt en zinloos gedood werden.

Erich Fried protesteerde met vele Duitse schrijvers, waaronder Bachmann, Enzensberger en de toen nog heel jonge Uwe Timm tegen de oorlog in Vietnam. Voor zijn protest koos Fried de vorm van het epigram, het opschrift als kernachtige oproep en het onomwonden verwoorden van gevoelens en verontwaardiging.

Fried was met zijn politieke gedichten, waarmee hij vooral de mensen wakker wilde schudden en verontrusten, heel populair bij de linkse studentenbeweging. Aan de progressieve uitgever Klaus Wagenbach had Fried veel te danken, daarom vind je soms für K. W. in de titels van zijn gedichten. Wagenbach gaf onder andere het linkse tijdschrift ‘Kursbuch’ uit.

Humorlos (1967)

Die Jungen werfen
zum Spaß
mit Steinen
nach Fröschen

Die Frösche
sterben im Ernst

Humorlos voorgedragen door Frank Hoffmann (10′).

 

 

Het gedicht ‘Gespräch über Bäume’ is een rechtstreekse verwijzing naar Brecht, die in 1938 schreef:

Was sind das für Zeiten, wo ein Gespräch über Bäume fast ein Verbrechen ist, weil es ein Schweigen über so viele Untaten einschließt! (B. Brecht)

Wat zijn het voor tijden, waarin een gesprek over bomen bijna een misdaad is omdat er daarmee tegelijkertijd over zoveel misdaden wordt gezwegen!

 

Beluister het gedicht.

Gespräch über Bäume (Für K. W.)

(1967)

Seit der Gärtner die Zweige gestutzt hat
sind meine Äpfel größer
Aber die Blätter des Birnbaums
sind krank. Sie rollen sich ein

In Vietnam sind die Bäume entlaubt

Meine Kinder sind alle gesund
Doch mein jüngerer Sohn macht mir Sorgen
er hat sich nicht eingelebt
in der neuen Schule

In Vietnam sind die Kinder tot

Mein Dach ist gut repariert
Man muß nur noch die Fensterrahmen
abbrennen und streichen. Die Feuerversicherungsprämie
ist wegen der steigenden Häuserpreise erhöht

In Vietnam sind die Häuser Ruinen

Was ist das für ein langweiliger Patron?
Wovon man auch redet
er kommt auf Vietnam zu sprechen!
Man muß einem Ruhe gönnen in dieser Welt:

In Vietnam haben viele schon Ruhe
Ihr gönnt sie ihnen

`Beluister het gedicht.

Einbürgerung (1966)

 

weiße Hände
rotes Haar
blaue Augen

weiße Steine
rotes Blut
blaue Lippen

weiße Knochen
roter Sand
blauer Himmel

 

 

 

Radioprogramma over Erich Fried. (WDR; 15′)

 

 

Theater – Van schuld geen sprake? – Over Rolf Hochhuth en Peter Weiss

Rolf Hochhuth

Peter Weiss

 

In 1963 werd het toneelstuk Der Stellvertreter (De plaatsbekleder, bedoeld is de paus als plaatsbekleder van Christus en representant van een organisatie) van Rolf Hochhuth (1931 – 2020) voor het eerst opgevoerd.

In dit toneelstuk wordt de rol van paus Pius XII in de Tweede Wereldoorlog gekritiseerd. Als de pauselijke nuntius (de gezant van de paus) Riccardo de paus wijst op de gruweldaden van de Nazi’s, blijft deze desondanks zwijgen. Riccardo spelt zich dan een jodenster op en meldt zich bij een trein naar Auschwitz.

Hochhuth baseerde zich voor zijn stuk op bestaande documenten over de rol van de paus. Ondanks dat waren velen in de jaren zestig, niet alleen rooms-katholieken, erg verontwaardigd over de kritiek op de paus in dit stuk.

De Haagse Comedie zag af van opvoering van dit stuk. Evenals in Duitsland werd het in 1964 voor het eerst opgevoerd. In Nederland durfde het Nieuw Rotterdams Toneel het wel aan. Lees hier de recensie.

 

Een stap verder gaat Peter Weiss (1916 – 1982) met zijn zeer indringende theaterstuk Die Ermittlung (1965). Hierin baseert hij zich letterlijk op de verslagen van de Auschwitz-processen. Het toneel is volgens de regieaanwijzingen vrijwel leeg en ademt de sfeer van een zakelijk ingerichte rechtszaal.

Weiss noemt zijn stuk een oratorium in elf gezangen. In elf spreekscènes wordt de lijdensweg van selectie, vervoer en vernietiging van de Joden op grond van de processtukken ten tonele gevoerd. Alleen de aangeklaagden dragen namen, alle anderen hebben hun naam verloren. Weiss wil met zijn stuk een aanklacht en een demonstratie tegen alle verantwoordelijken, die nog steeds goede zaken in Duitsland kunnen doen.

In het vijfde gezang zegt de aanklager het zo:

Lassen Sie es uns noch einmal bedenken
dass die Nachfolger dieser Konzerne heute
zu glanzvollen Abschlüssen kommen
und dass sie sich wie es heißt
in einer neuen Expansionsphase befinden

Weest u zich er van bewust
dat de opvolgers van deze concerns vandaag de dag
winstgevende contracten sluiten
en dat zij zich zoals dat heet
in een nieuwe fase van expansie bevinden

 

Klik op de foto voor de première van Die Ermittlung in 1965.

 

Peter Weiss was zoon van een joodse textielfabrikant. Na zijn vlucht in 1933 uit Nazi-Duitsland woonde hij in diverse landen van Europa tot hij zich tenslotte 1939 in Zweden vestigde. In 1946 werd hij Zweeds staatsburger en overleed er in 1982. Biografie van Peter Weiss.

Radioprogramma over Peter Weiss (WDR; 15′):

 

Siegried Lenz – Deutschstunde

 

Een grote roman uit de jaren zestig is Deutschstunde (1968) van Siegfried Lenz (1926). Hierin staat het thema Vergangenheitsbewältigung, de omgang met het naziverleden van Duitsland, centraal. Lenz moest als zeventienjarige in 1943 bij de marine. Voor het einde van de Tweede Wereldoorlog deserteerde hij en vluchtte naar Denemarken. In de jaren vijftig kocht hij daar een huis waar hij zeer vaak verbleef om te leven en te werken.

Het verhaal van Deutschstunde speelt zich af in een tehuis voor moeilijk opvoedbare kinderen waar Siggi Jepsen als straf, omdat hij een schilderij op een tentoonstelling had gestolen, een opstel moet schrijven over ‘Die Freuden der Pflicht’. Maar Siggi blijft steken in het nadenken over zijn eigen ervaringen in de oorlog onder Hitler, hij krijgt niets op papier. Zijn vader was politieagent in het dorpje Rugbüll in Schleswig en belast met de bewaking van diens vriend en schilder Nansen, die een werkverbod opgelegd had gekregen. Zijn kunst werd als ‘entartet’ beschouwd. Misschien kun je hier verwijzingen naar het werk van de expressionist Emil Nolde die hier woonde, in het boek van Lenz terugvinden.

Lenz kon nog niet weten dat Emil Nolde later in opspraak zou raken vanwege antisemitische sympathieën. Dit doet geen afbreuk aan de grote waarde van het boek.

Klik op deze afbeelding voor meer informatie hierover:

 

Zoon Siggi wilde de schilder helpen maar kan aan de situatie weinig veranderen. Na de oorlog kan Siggis vader zijn beroep als politieagent officieus blijven uitoefenen. Zonder ooit inhoudelijk over het schilderverbod dat Nansen opgelegd was, na te hebben gedacht, houdt Siggis vader de schilder ook na de oorlog nog scherp in de gaten en probeert hij zijn werken uit de weg te ruimen. Siggi probeert de schilder intussen te helpen en raakt daarbij in conflict met de autoriteiten, omdat hij een schilderij van Nansen op een tentoonstelling steelt om het in veiligheid te brengen.

 

Siegfried Lenz Der Geschichtenerzähler (11′):

 

Siegfried Lenz was in de jaren zestig nog lang niet op het hoogtepunt van zijn roem. In het volgende hoofdstuk lees je daarom veel meer over deze schrijver.

Lees bij DW meer over Deutschstunde en Siegfried Lenz.

 

 

Literatuur in het belang van de arbeiders  –  de industriereportage

Illustratief voor een nieuwe start in de kunst in de jaren zestig is het abstracte schilderij met de veelzeggende titel Rotes Feuer van Otto Piene, het rode vuur als verwijzing naar de komst van een nieuwe wereld, van een sociale revolutie die een einde zou moeten maken aan uitbuiting van de arbeider.

In 1961 richtte een groep auteurs uit de omgeving van Dortmund in navolging van de Gruppe 47 de Gruppe 61 op. Zij stelden de werk- en leefwereld, de sociale problemen van het industrieproletariaat in Duitsland centraal.

Niet de literaire vorm kreeg bij hen als eerste de aandacht, maar vooral het vastleggen van allerlei misstanden, die de vrijemarkteconomie in de welvaartsstaat Duitsland met zich meebracht. In hun programma stond:

 

Er [= der Werkkreis Gruppe 61] will dazu beitragen, die gesellschaftlichen Verhältnisse im Interesse der Arbeitenden zu verändern.

Hij wil bijdragen aan de verandering van de maatschappelijke verhoudingen in het belang van de arbeiders.

 

Het werk van de Gruppe 61 draagt het karakter van journalistieke documentaires over schrijnende misstanden in de maatschappij. Een heel bekend voorbeeld daarvan is het latere boek Ganz unten van Günther Wallraff (1942 – ) dat in het Nederlands werd vertaald onder de titel Ik Ali (1985). Eén van de eerste boeken waarmee Wallraff bekend werd, waren zijn verslagen van zijn werk als arbeider in de industrie onder de titel Industriereportagen – Als Arbeiter in deutschen Großbetrieben.

 

Günther Wallraff – Industriereportagen – Als Arbeiter in deutschen Großbetrieben

Wer jetzt von ‘Freizeitplanung’ redet, hat selbst noch nicht in Wechselschicht am Fließband gearbeitet. ‘Der Mensch lässt sich nicht in eine produzierende und eine konsumierende Hälfte aufspalten’, stellt der Soziologe Walter Dirks in seinem Beitrag zu der Schrift ‘Gibt es noch ein Proletariat?’ fest. Lässt seine Arbeit ihn leer und unausgefüllt, so bringt er umgekehrt auch die Initiative nicht auf, seine Freizeit sinnvoll zu gestalten.

Was fangen die Arbeiter mit ihrer Freizeit an? Kennen sie sich auch am Abend noch? Am Band arbeiten alle nebeneinander und nicht zusammen. Man spricht zwar von ‘Teamwork’ und ‘Kooperation’. Aber das besteht darin, dass eine Gruppe die Arbeit der anderen Gruppe kontrolliert und die kontrollierende Gruppe wiederum von einer darüberstehenden Instanz überprüft wird. Man weiß voneinander nicht mehr als den Vornamen und oft nicht mal den. ‘He, Schlosser! He, Lackierer! He, Fertigmacher!’ ruft der Spitzenmann nur, wenn er einen Fehler entdeckt hat und der Betreffende nach vorne muss.

So unpersönlich der Kontakt am Arbeitsplatz ist, so kontaktarm ist man zwangsläufig auch in der Freizeit.

Am Fließband in: Günther Wallraff, Industriereportagen, 1966, S. 17.

Met deze advertentie zocht Wallraff werk.

 

In het Zweeds bestaat het werkwoord ‘wallraffa’ (‘wallraffen’) waarmee het bedrijven van onderzoeksjournalistiek onder een valse identiteit wordt bedoeld. Wallraff zou deze methode blijven inzetten om misstanden in de maatschappij aan de kaak te stellen.

In zijn bekendste boek Ganz unten uit 1985 doet hij verslag van zijn werkervaringen in de vermomming van de gastarbeider ‘Ali Levent Sinirlioglu’. Onder deze naam werkte hij bij McDonalds en het staalconcern Thyssen. Het boek beschrijft nauwkeurig de misstanden in de omgang met gastarbeiders en het veronachtzamen van al lang door de vakbonden afgedwongen beschermende voorschriften in de industrie.

Met dit soort reportages hebben Wallraff en de Gruppe 61 zeker succes gehad. In 2009 ontving Wallraff de journalistenprijs voor zijn hele oeuvre.

 

Bekijk hier een vraaggesprek (18′) met Günther Wallraff over zijn werk als onderzoeksjournalist:

 

Naast Wallraff zijn uit deze kring van schrijvers Erika Runge (1939) met haar Bottroper Protokolle uit 1968 en Max von der Grün (1926 – 2005) met zijn roman Irrlicht und Feuer (1963) beroemd geworden.

In de Bottroper Protokolle geeft Erika Runge een groot aantal interviews weer met allerlei mensen die werken of afhankelijk zijn van de mijnbouw in de stad Bottrop in het Ruhrgebiet. Hun leven en de invloed van de sluiting van de mijnen geven een indringend beeld van het leven van de arbeiders in deze stad.

Ook in Irrlicht und Feuer van Max von der Grün staat het trieste leven van de mijnwerker Jürgen Fohrmann centraal die door de sluiting van de mijnen steeds weer ander werk moet zien te vinden en daar steeds wordt uitgebuit.

Anders dan bij Runge gaat het hier om een roman, fictie derhalve, maar wel met een hoog realiteitsgehalte. Het boek is tevens een aanklacht tegen de moderne prestatie- en consumptiemaatschappij, hetgeen alles bij elkaar Von der Grün op veel kritiek kwam te staan, niet alleen van werkgevers- maar ook van de vakbondszijde.

Die kritiek nam alleen maar toe, toen uitgerekend in de DDR een televisiebewerking van het boek werd uitgebracht.

 

 

De mijnen in Bottrop zijn nu musea. (Klik op de foto.)

 

 

Kritische stemmen uit Zwitserland

Al in de jaren vijftig beroemd, maar bij een groter publiek pas echt bekend geworden in de jaren zestig zijn de Zwitsers Max Frisch en Friedrich Dürrenmatt. Zij hebben sterk de invloeden van Brecht ondergaan. Behalve maatschappijkritische thema’s stellen zij ook algemeen menselijke vragen in hun werk aan de orde. Naast toneelstukken hebben beiden ook romans en gedichten geschreven.

 

Max Frisch

Max Frisch – Gij zult u geen beeld maken

 

De Zwitser Max Frisch (1911 – 1991) is één van de meest gelezen Duitstalige roman- en toneelschrijvers. Misschien komt dit omdat hij de algemeen menselijke vraag – wat of wie ben ik? – steeds weer op originele wijze in zijn werk aan de orde weet te stellen.

 

Es ist bemerkenswert, dass wir gerade von dem Menschen, den wir lieben, am mindesten aussagen können, wie er sei. Wir lieben ihn einfach. … Die Liebe befreit aus jeglichem Bilde.

(Max Frisch: Du sollst dir kein Bildnis machen. In: Tagebuch 1946-1949)

Het is opvallend dat wij juist van degene die wij liefhebben, het minst kunnen zeggen hoe hij is. Wij houden gewoon van hem. … Liefde ontslaat van het vastleggen in een beeld.

 

Bovenstaand citaat is het begin van een kort opstel met als titel Du sollst dir kein Bildnis machen (Maakt u geen gesneden beeld). Frisch wil zeggen, dat zodra de mens in een rol gedrukt wordt of vastgelegd wordt op een beeld dat men van hem heeft, hij dan van zijn eigenlijke bestaan, zijn vrijheid en identiteit wordt beroofd. Hij wordt er in zekere zin door vermoord.

 

Max Frisch – Du sollst dir kein Bildnis machen

 

Es ist bemerkenswert, dass wir gerade von dem Menschen, den wir lieben am mindesten aussagen können, wie er sei. Wir lieben ihn einfach. Eben darin besteht ja die Liebe, das Wunderbare an der Liebe, dass sie uns in der Schwebe des Lebendigen hält, in der Bereitschaft, einem Menschen zu folgen in allen seinen möglichen Entfaltungen.

Wir wissen, dass jeder Mensch, wenn man ihn liebt, sich wie verwandelt fühlt, wie entfaltet, und dass aus dem Liebenden sich alles entfaltet, das Nächste, das lange Bekannte. Vieles sieht er wie zum ersten Male. Die Liebe befreit es aus jeglichem Bildnis. Das ist das Erregende, das Abenteuerliche, das eigentlich Spannende, dass wir mit den Menschen, die wir lieben, nicht fertig werden: weil wir sie lieben, solange wir sie lieben.

Man höre bloß die Dichter, wenn sie lieben, sie tappen nach Vergleichen, als wären sie betrunken, sie greifen nach allen Dingen im All, nach Blumen und Tieren, nach Wolken, nach Sternen und Meeren. Warum? So wie das All, wie Gottes unerschöpfliche Geräumigkeit, schrankenlos, alles Mögliche voll, aller Geheimnisse voll, unfassbar ist der Mensch, den man liebt. Nur die Liebe erträgt ihn so.

Unsere Meinung, dass wir das andere kennen, ist das Ende der Liebe, jedes Mal, aber Ursache und Wirkung liegen vielleicht anders, als wir anzunehmen versucht sind nicht weil wir das andere kennen, geht unsere Liebe zu Ende, sondern umgekehrt: weil unsere Liebe zu Ende geht, weil ihre Kraft sich erschöpft hat, darum ist der Mensch fertig für uns. Er muss es sein. Wir können nicht mehr! Wir kündigen ihm die Bereitschaft, auf weitere Verwandlungen einzugehen.

Wir verweigern ihm den Anspruch auf alles Lebendige, dass unfassbar bleibt, und zugleich sind wir verwundert und enttäuscht, dass unser Verhältnis nicht mehr lebendig sei.

‘Du bist nicht’, sagt der Enttäuschte oder die Enttäuschte, ‘wofür ich dich gehalten habe.’

Und wofür hat man sich gehalten? Für ein Geheimnis, das der Mensch ja immerhin ist, ein erregendes Rätsel, das anzuhalten wir müde geworden sind. Man macht sich ein Bildnis. Das ist das Lieblose, der Verrat …

Du sollst dir kein Bildnis machen, heißt es von Gott. Es dürfte auch in diesem Sinne gelten: Gott als das Lebendige in jedem Menschen, das, was nicht erfassbar ist. Es ist eine Versündigung, die wir, so wie sie an uns begangen wird, fast ohne Unterlass wieder begehen – Ausgenommen, wenn wir lieben.

 

Het conflict tussen wat de mens wil zijn en de verwachtingen die de maatschappij van hem heeft, heeft Max Frisch in zijn bekendste werken Homo Faber (1957), Biedermann und die Brandstifter (1958) en Andorra (1961) op kunstige wijze verwoord.

Bekijk een uitzending over Max Frisch (Planet Schule; 10′):

 

Max Frisch – Andorra

In het aangrijpende toneelstuk Andorra, zijn bekendste werk, laat Frisch zien waartoe het maken van een beeld van de ander zonder werkelijk te zien wie iemand is, in de maatschappij kan leiden. De hoofdpersoon Andri, een ‘normale’ inwoner uit Andorra, wordt door zijn omgeving tot Jood gemaakt. Hij neemt de eigenschappen over die anderen aan hem toeschrijven. Hij gaat zich gedragen naar het beeld dat anderen zich van hem vormen en hij gaat daaraan te gronde.

Andorra is niet een bepaald aanwijsbaar land, schrijft Frisch, maar het is een model dat overal kan zijn: ‘Andorra ist der Name für ein Modell’, staat er op de titelpagina van het toneelstuk. Op de achtergrond speelt de verwerking van de Tweede Wereldoorlog natuurlijk wel een rol. Ook de angst, het kleinburgerlijke en het provincialisme van de weinig dappere buurlanden van Duitsland, die geen Joden wilden opnemen, wordt hier openlijk bekritiseerd.

Klassiker der Weltliteratur: TV-uitzending (15″) over Max Frisch en Andorra.

Frisch heeft zijn stuk symmetrisch opgebouwd en in twaalf scènes verdeeld, die sterk doen denken aan de eerste twaalf kruiswegstaties van Jezus. De laatste twee, een opstanding en graflegging worden eruit weggelaten. De hoofdfiguur in het stuk is Andri, een buitenechtelijk kind van een niet uit Andorra afkomstige moeder. Door zijn pleegvader wordt hij als van joodse afkomst voorgesteld. Andri moet leren leven met alle vooroordelen die over zijn afkomst de ronde doen, zelfs zo dat hij ze op het eind zelf gelooft. Ook als hem uiteindelijk de waarheid over zijn afkomst wordt verteld – zijn pleegvader blijkt zijn echte vader te zijn – wil hij dit niet geloven en houdt hij vast aan de identiteit, die hij dacht te hebben.

Aan het eind van het stuk wordt Andri door een racistisch buurvolk vermoord. Zijn landgenoten, die dit allemaal hebben laten gebeuren, rechtvaardigen hun eigen lafheid en ontkennen elke schuld.

Gedenkteken in Budapest ter herinnering aan de weggevoerde Joden.

In een aangrijpend laatste beeld, dat als titel Judenschau heeft, waarin het gelaat van de inwoners van Andorra bedekt is (niemand draagt verantwoordelijkheid) en alle schoenen zijn uitgetrokken, wordt Andri plaatsvervangend voor heel Andorra door de bezetters als schuldige aangewezen en van kant gemaakt.

 

Wat inhoud betreft is het stuk pure horror, dat op indringende wijze antisemitisme en discriminatie aan de kaak stelt. Het stuk is hoogst actueel en wordt ook nu nog regelmatig opgevoerd.

In het volgende fragment begint Andri zich steeds meer te identificeren met de rol als buitenstaander, zoals hem die door de anderen is opgedrongen.

 

 

BARBLIN: Andri, schläfst du?

ANDRI: Nein.

BARBLIN: Warum gibst du mir keinen Kuss?

ANDRI: Ich bin wach Barblin, ich denke….

BARBLIN: …..die ganze Nacht.

ANDRI: …..ob’s wahr ist, was die andern sagen.

Barblin lag auf seinen Knien, jetzt richtet sie sich auf, löst ihr Haar.

ANDRI: Findest du, sie haben recht?

BARBLIN: Fang jetzt nicht wieder an.

ANDRI: Vielleicht haben sie recht?

Barblin beschäftigt sich mit ihrem Haar.

Vielleicht haben sie recht.

 

BARBLIN: Du hast mich ganz zerzaust.

ANDRI: Meinesgleichen sagen sie, hat kein Gefühl.

BARBLIN: Wer sagt das?

ANDRI: Manche.

BARBLIN: Jetzt schau dir meine Bluse an.

ANDRI: Alle.

BARBLIN: Soll ich sie ausziehen?

Sie zieht ihre Bluse aus.

ANDRI: Meinesgleichen, sagen sie, ist geil, aber ohne Gemüt, weißt du? –

BARBLIN: Andri, du denkst zuviel!

Sie legt sich wieder hin.

Max Frisch, Andorra, Zweites Bild

 

Zeer goede opvoering van Andorra door het Düsseldorfer Schauspielhaus. Klik op de foto.

 

Biedermann und die Brandstifter

Frisch heeft hele mooie filosofische romans geschreven, maar ook wel andersoortige werken, waar je flink om kunt lachen. Een voorbeeld daarvan is zijn toneelstuk Biedermann und die Brandstifter – Ein Lehrstück ohne Lehre uit 1958.

Uit angst en lafheid levert de Biedermann, de brave burger, zich uit aan twee brandstichters. Zij terroriseren hem, Biedermann neemt ze in zijn woning op en accepteert hun onbeschoftheden. Overal in de stad woeden regelmatig branden. Hoewel Biedermann kan vermoeden dat zijn beide gasten daarmee te maken hebben, sluit hij zijn ogen voor de werkelijkheid en onderneemt hij niets. Zelfs niet als de Brandstifter benzinetanks bij hem op zolder willen opslaan en Biedermann om lucifers vragen. Uiteindelijk keert het lot zich tegen Biedermann en gaat zijn eigen huis in vlammen op.

Dit Lehrstück ohne Lehre – een leerstuk zonder moraal, oorspronkelijk een hoorspel – laat zien dat de mens uit eigen belang de waarheid niet onder ogen wil zien. Symbolisch staan de Brandstifter voor het nazisme, dat met zijn almachtsfantasieën met name onder het gewone volk veel aanhang wist te verkrijgen.

 

Meer over Max Frisch bij Planet Schule.

Theater Basel – Biedermann und die Brandstifter, 2014

 

 

Friedrich Dürrenmatt – De wereld een labyrint

 

Centre Dürrenmatt, Neuchâtel. Link naar het museum

De Zwitser Friedrich Dürrenmatt (1921 – 1990) was een veelzijdig kunstenaar. Hij is vooral beroemd geworden met zijn toneelstukken en spannende detectives maar heeft daarnaast een uitgebreid oeuvre van hoorspelen, verhalen, romans, gedichten en ook hele bijzondere kunstwerken nagelaten. Zijn vroegere woonhuis in de buurt van het meer van Genève is een prachtig museum, waar je zijn schilderijen en tekeningen kunt bekijken. Over zijn kunstenaarschap schreef hij:

 

Es handelt sich nicht darum zu entscheiden, ob ich ein ausübender Künstler werde oder nicht. (…) Das Problem liegt bei mir ja ganz anders. Soll ich malen oder schreiben. Es drängt mich zu beidem.

Het gaat er niet om om te bepalen of ik een uitvoerend kunstenaar word of niet. (…) Bij mij ligt het probleem anders. Moet ik schilderen of schrijven. Ik voel me tot beide aangetrokken.

 

Ikarus

Dürrenmatt was een wijnkenner en levensgenieter, maar daarnaast sloot hij niet de ogen voor de problemen van zijn tijd. Uit zijn tekeningen en schilderijen spreekt een grote bezorgdheid over de nieuwe ontwikkelingen op het gebied van techniek en atoombewapening. Een voorbeeld daarvan is Ikarus, de man die in zijn overmoed met zijn technische uitvinding naar de zon wilde vliegen, maar daarbij ten val kwam.

 

Als een rode draad loopt dit thema, dat hij steeds op originele en komische wijze weet te verwerken, door vrijwel al zijn toneelstukken heen.

 

Turm zu Babel I, 1952

Labyrinth I: Der entwürdigte Minotaurus, 1962

Opvallend zijn Dürrenmatts werken met thema’s uit de mythologie. Hij was goed thuis in de wereld van verhalen over de mens, die op zoek is naar zin, liefde en zelfverwerkelijking. De Griekse mythologie, maar ook Bijbelse verhalen hebben hem altijd weten te boeien. In zijn werk kom je vaak figuren tegen als Ikarus of Prometheus, die het vuur van de goden stal, of de Minotaurus, het monster in het labyrint, dat alleen door de list van een vrouw – met behulp van de draad van Ariadne – verslagen kon worden. Ook de toren van Babel kom je in zijn kunstwerken tegen.

De torenbouw van Babel of de verslagen Minotaurus in het labyrint zijn directe verwijzingen naar de hoofdthema’s van zijn literaire werk. Het lijkt alsof zijn toneelstukken en romans een moderne illustratie willen zijn bij deze afbeeldingen van de klassieke verhalen uit de mythologie. De daarin aangesneden waarheden beschouwde Dürrenmatt als hoogst actueel: de mens die in zijn overmoed als een god probeert te zijn – denk aan de torenbouw van Babel – en de mens, die in zijn eigen bouwwerk verstrikt dreigt te raken – de wereld is als een labyrint.

Film over Dürrenmatt (10′):

 

Die Panne

Typerend voor het werk van Friedrich Dürrenmatt zijn de novelle en het komische hoorspel Die Panne (1955), die hij ook tot een toneelstuk bewerkt heeft.

Een vertegenwoordiger strandt door een defect aan zijn poenerige auto in een dorp, waar hij betrokken raakt in een rechtszaak. Die zaak begint als luchtig spel ter vermaak van gepensioneerde juristen maar eindigt voor de nogal naïeve en domme hoofdpersoon tamelijk dramatisch. De vertegenwoordiger heeft nauwelijks door hoezeer hij in de maling wordt genomen en vernederd. Alsof er niets is gebeurd, stapt hij de volgende dag vrolijk in zijn auto op weg naar huis.

Dürrenmatt wil hiermee zeggen dat de wereld vooral een wereld van Panne is. Voor echte tragiek en helden is in deze tijd geen plaats meer. De mens zit in de moderne wereld gevangen in een web, zijn handelingsvrijheid is beperkt en zijn denkvermogen schiet tekort om zich aan zijn onmondigheid te ontworstelen. Het is niet voor niets dat in dit hoogst komische stuk het licht niet echt opgaat. Iedereen heeft te veel gedronken en alles speelt zich af in de avond bij kaarslicht. De Verlichting, deze droom der rede, is voor altijd een droom gebleven, lijkt hij te willen zeggen.

Hoewel Dürrenmatt nogal zwaar op de hand lijkt met deze maatschappijkritische thema’s, is zijn werk toch altijd heel erg grappig. Deze tijd van banaliteiten vraagt om komedies, zegt hij.

Overspoeld en overmand door de ontwikkeling van de techniek kan alleen een goede komedie, die overigens slechts weinigen echt zullen begrijpen, misschien een omkeer bij het publiek bewerkstelligen.

De wereld – een gekkenhuis

In de jaren zestig nam de bewapening alleen maar toe, werd er een vreselijke oorlog in Vietnam gevoerd en werden er nog bovengronds gevaarlijke kernproeven gedaan. Van verdragen, gesprekken en redelijkheid was op een bepaald moment ten tijde van de Koude Oorlog nauwelijks sprake.

Dit waren in Europa ook op economisch gebied de jaren van de ontnuchtering na de tijd van het Wirtschaftswunder. De uitwassen van het kapitalisme kwamen duidelijk aan het licht: een ongezonde levensstijl door velen, stress op de werkvloer en burn-out. De vraag ‘Wie is hier eigenlijk gek?’ drong zich als het ware vanzelf op.

Twee toneelstukken van Dürrenmatt zijn erg bekend en worden ook nog regelmatig opgevoerd: Die Physiker (1962) en Der Besuch der alten Dame (1956). Ze stellen op hoogst komische wijze serieuze problemen aan de orde.

 

Die Physiker

 

De natuurwetenschapper Dr. Möbius heeft zich in een psychiatrische inrichting laten opsluiten, omdat hij bang is dat men zijn ontdekking van de atoombom zou kunnen misbruiken. In de inrichting bevinden zich nog twee geleerden, Newton en Einstein, die echter gestuurd zijn door twee geheime diensten, die met elkaar rivaliseren. Zij moeten Möbius zijn geheim ontfutselen. Om niet ontdekt te worden vermoordt elk van de drie geleerden een verpleegster. Als om die reden de politie voor een onderzoek komt, vernietigt Möbius zijn formules. De werkelijke gestoorde in het verhaal, de eigenaar van de kliniek en arts Mathilde von Zahnd, had echter kort daarvoor de formules weten te kopiëren en doet een poging daarmee de wereldheerschappij te veroveren.

 

De zelfvernietiging van de mens is niet tegen te houden:

Was einmal gedacht wurde, kann nicht mehr zurückgenommen werden.

Kennis in de handen van verkeerde mensen kan een catastrofale uitwerking hebben en dat is een realiteit waar de mensheid nog dagelijks mee te maken heeft.

 

Der Besuch der alten Dame

 

Het verarmde plaatsje Güllen krijgt bezoek van de steenrijke vrouw Claire Zachanassian die het dorp enorme sommen geld in het vooruitzicht stelt. Hieraan verbindt zij echter één voorwaarde: haar vroegere geliefde, Albert Ill, moet om het leven gebracht worden. Ill heeft, zo blijkt uit het verloop van het stuk, ooit een affaire gehad met Klara Wäscher maar hij heeft hun buitenechtelijke kind nooit erkend. Klara diende destijds het dorp te verlaten.

Klara is nu als Claire Zachanassian en multimiljardair teruggekeerd om zich op Albert Ill te wreken. De bevolking wil daar weliswaar eerst niet aan toegeven maar Claire heeft ervoor gezorgd dat het dorpje economisch geheel van haar afhankelijk is: de moord, die economisch noodzakelijk is, wordt door de bevolking uiteindelijk gepleegd. De stad wordt weer welvarend en niemand vindt het vreemd, dat recht en moraal voor geld hebben moeten wijken.

 

Radioprogramma (17″) Klassiker der Schullektüre over Der Besuch der alten Dame. Klik op de foto.

 

 Theaterklassiker hier in de TV-bewerking van 1959:

 

Detectives

Vooral met zijn detectiveverhalen is Friedrich Dürrenmatt beroemd geworden. Bekende titels uit de jaren vijftig zijn Der Richter und sein Henker (1952), Der Verdacht (1953) en Das Versprechen (1958). Het zijn alle goed leesbare en heel spannende verhalen waarin het steeds draait om de bestrijding van het demonische in de mens.

In Das Versprechen staat de opheldering van een moord op een schoolmeisje centraal. Als de vermeende moordenaar in de cel verdwijnt, pleegt hij nog dezelfde avond zelfmoord. Iedereen denkt dat de zaak hiermee is opgelost, alleen de politiecommissaris Dr. Matthäi is niet overtuigd. Hij begint een spannende en rusteloze zoektocht naar de oplossing van de ingewikkelde puzzel.

De roman is een raamvertelling. De schrijver begint te vertellen, dat hij een lezing zal houden over de kunst van het schrijven van een detective. Op weg naar de lezing kan hij meerijden met een vroegere politiecommissaris. Deze gelooft niet in detectives. Hij vertelt de schrijver en passant de geschiedenis van een benzinepomphouder, een vroegere politiecommissaris die bij hem werkte. Dat brengt de schrijver op het idee voor zijn roman Das Versprechen. De titel heeft betrekking op de belofte (‘das Versprechen’) van Dr. Matthäi aan de moeder van het slachtoffer om de moord op te zullen oplossen. Het boek is verfilmd en wordt nog regelmatig in theaterbewerkingen opgevoerd.Fragment uit Das Versprechen van Friedrich Dürrenmatt.

 

Da begann plötzlich die Frau zu sprechen.

‘Wer ist der Mörder?’, fragte sie mit einer Stimme, die so ruhig und sachlich war, dass Matthäi erschrak.

‘Das werde ich schon herausfinden, Frau Moser.’

Die Frau schaute ihn nun an, drohend, gebietend. ‘Versprechen Sie das?’

‘Ich verspreche es, Frau Moser’, sagte der Kommissär, auf einmal nur vom Wunsche bestimmt, den Ort zu verlassen.

‘Bei Ihrer Seligkeit?’

Der Kommissär stutzte. ‘Bei meiner Seligkeit’, sagte er endlich. Was wollte er anders.

‘Dann gehen Sie’, befahl die Frau. ‘Sie haben bei Ihrer Seligkeit geschworen.’

 

Het boek werd in hetzelfde jaar als het verscheen (1958) verfilmd onder de titel Es geschah am helllichten Tag. Deze klassieker wordt nog regelmatig op de televisie herhaald.

 

 

De kracht van taal – Konkrete Poesie

 

In zijn Manifest van de concrete kunst (1930) schreef de Nederlandse schilder Theo van Doesburg:

Concrete en niet abstracte schilderkunst, want niets is concreter, werkelijker, dan een lijn, een kleur, een oppervlak.

De Stijl-groep, een toonaangevende richting in de Nederlandse schilderkunst, waar Van Doesburg, Rietveld en Mondriaan toe behoorden, was in zekere zin één van de voorlopers van de naoorlogse ‘concrete poëzie’.

Maar er waren meer bronnen van inspiratie voor deze dichters: de visuele gedichten van Apollinaire (1880 – 1918), het Expressionisme en de Dada-beweging in de kunst.

 

Apollinaires Il pleut en een moderne computerbewerking

La cravate et la montre
Het ritme van een Russische dans. Theo van Doesburg.

De Franse dichter Apollinaire was beroemd geworden met zijn ‘calligrammes’. Dat waren beeldgedichten waarin het visuele de inhoud of de betekenis van het gedicht direct ondersteunde. Een voorbeeld is ‘Il pleut’, het regent.

Je ziet de beweging in het gedicht, het regent er ook echt. Tegenwoordig wordt dit gedicht vaak als inspiratie voor computerkunst gebruikt of als voorbeeld voor dichters, die hun gedichten met de computer maken. Denk hierbij aan de Nederlandse dichters Tonnus Oosterhoff en Huub Beurskens.

Door gebruik van de computer staan Apollinaire en de dichters van de Konkrete Poesie – de aanduiding is van de dichter Eugen Gomringer – weer volop in de belangstelling. Andere voorbeelden in de kunst die als inspiratiebron hebben gediend voor deze dichters, zijn de Nederlandse kunstenaar en schrijver Theo van Doesburg (1883 – 1931) en de Duitse schrijver Hugo Ball (1886 – 1927) geweest.

 

Een ander voorbeeld van voorlopers van Konktrete Poesie, de Dada-beweging, Hugo Ball (1886 – 1927): Karawane (door Lutz Görner; 8′).

 

Hoewel de situatie na de Tweede Wereldoorlog in Europa sterk veranderd was, vertoonde de concrete poëzie uit de jaren zestig grote overeenkomsten met deze kunstrichtingen. De kunstenaars en dichters wilden protesteren, kritiek leveren en de burgerlijke levensstijl op de hak nemen. De traditionele kunst, die puur nabootste en de werkelijkheid in eerste instantie probeerde af te beelden, was voor zo’n protest niet erg geschikt. Daarom werd er naar andere middelen gezocht dan naar nabootsing (mimesis) om iets krachtig en duidelijk te kunnen zeggen.

Het centrale en belangrijkste middel vonden deze dichters in de taal zelf. Was de taal, een letter, een taalteken, niet even concreet als een lijn, een kleur of een vlak op een schilderij? Kan het in de dichtkunst met meer zeggingskracht?

Deze dichters borduurden voort op het programma van Ingeborg Bachmann, die het ‘onzegbare’ wilde beschermen en tot uitdrukking wilde brengen.

De Zwitserse dichter Eugen Gomringer (1925) doet dat op veelzeggende wijze in zijn gedicht Schweigen.

 

Eugen Gomringer – Schweigen

Lees en beluister hier gedichten van Eugen Gomringer.

 

De Wiener Gruppe

 

Na 1945 werd er veel geëxperimenteerd in de kunst, vooral in landen waar men relatief weinig last van het Nazisme had gehad. Zo ontstonden er allereerst in Wenen maar ook in Zwitserland, enigszins ondergronds en op zekere afstand van wat de grote theaters aan kunst boden, in kelders, cafés en alternatieve theaters, verschillende groepen die experimenteerden met kunst en poëzie. Een voorbeeld daarvan was de Wiener Gruppe.

Experimenterend met liederen, cabaretnummers, montages en visuele gedichten wilden deze dichters zich bevrijden van een voorbijgegane tijd. Zij waren wars van metafysische diepzinnigheden en streefden naar concrete poëzie. De taal zelf werd het onderwerp van hun kunst, waarmee zij vrij experimenteerden. Vaak werd er bewust gekozen voor een dialect of werd er een eigen taal ontworpen om al provocerend een breuk met de elitaire en hoge kunstscheppingen uit het verleden tot stand te brengen. Eigenlijk wilden deze dichters laten zien, dat er in het spreken veelal niets of louter iets nietszeggends wordt gezegd.

Tot de Wiener Gruppe behoorde H. C. Artmann (1921 – 2000). Zijn voordrachten waren complete happenings, waarop hij het publiek met zijn gedichten tot schateren van het lachen wist te brengen: bevrijding in optima forma.

 

Beluister Artmann als hij dit gedicht voordraagt.

noch ana sindflud – H. C. Artmann

noch ana sindflud
san olawäu
de fenztabreln fafäud –
ka fogl singd mea en de bam
und de kefa schwiman en d lokn
med n bauch in da hee..

waun s d an bam beilsd
foen da dropfm aum huad
und en de kino drin
riacht s noch hei- und woefisch
de wos en ole rein xessn san..

noch ana sindflud
san olawäu
de fenztabreln fafäud –
owa mia san ole dasoffm
und kenan s goa nima seng
wia de gaunzn kefa so fakead daheaschwiman
mia kenan s a nima gschbian
wia r uns de owebeildn dropfm
fon de bam aum huad drepfön
uns ged a des gschraa fon de fegl nima r oo
und unsa nosn riacht nedamoe an schbenala mea
geschweige den an hei- oda woefisch..

noch ana sindflud
sama r ole medaranaund
saumt de hextn beag
d a s o f f m …

 

De wraak van de taal – Ernst Jandl

 

Ernst Jandl bij een voordracht in 1992

Een goed voorbeeld van wat deze dichters in de jaren zestig beweegt, zijn de gedichten van Ernst Jandl (1925 – 2000): kritiek op de maatschappij door middel van kritiek op de taal. Jandl schrijft gedichten die hun betekenis alleen prijsgeven door ze hardop te zeggen, zogenaamde Sprechgedichte.

Das Sprechgedicht wird erst durch lautes lesen wirksam.

Door een behendig spel met het omwisselen van vocalen en consonanten ontstaat een grappige wending of een kritische pointe.

Het beroemdste gedicht van Jandl is Wien: heldenplatz uit de bundel Laut und Louise (1966). Hoewel deze gedichten op het eerste gezicht misschien geen inhoud lijken te hebben, blijken ze bij nadere analyse en vooral bij voordracht uitermate concreet te zijn. Het zijn protesten tegen clichés, tegen verhullend taalgebruik en misstanden in de maatschappij.

 

wien : heldenplatz

der glanze heldenplatz zirka
versaggerte in maschenhaftem männchenmeere
drunter auch frauen die ans maskelknie
zu heften heftig sich versuchten, hoffensdick
und brüllzten wesentlich.

verwogener stirnscheitelunterschwang
nach nöten nördlich, kechelte
mit zu-nummernder aufs bluten feilzer stimme
hinsensend sämmertliche eigenwäscher.

pirsch!
döppelte der gottelbock von Sa-Atz zu Sa-Atz
mit hünig sprenkem stimmstummel.
balzerig würmelte es im männechensee
und den weibern ward so pfingstig ums heil
zumahn: wenn ein knie-ender sie hirschelte.

 

The great dictator Link naar Hitlers rede.

Op 15 mei 1938 hield Hitler zijn beroemde rede ter gelegenheid van de Anschluss van Oostenrijk bij het Duits rijk. Jandl was daar als jongetje van twaalf jaar bij aanwezig geweest. Pas in de jaren zestig verwerkt hij deze ervaring in dit gedicht. Als je dit gedicht hardop leest zoals Jandl hetzelf doet, dan is het niet moeilijk om naar de film The Great Dictator van Charlie Chaplin uit 1940 ook hier Hitler zelf aan het woord te horen.

Het komische spel waarin harde lip-, keel- en sisklanken elkaar in een voortdurend staccato afwisselen, alsof het een spraakgebrek betreft, zegt voldoende over de mogelijke betekenissen van het gedicht. In niet bestaande maar veelzeggende woorden als stirnscheitelunterschwang is de naam van Hitler met verwijzingen naar zijn altijd vreemde kapsel duidelijk te herkennen (stirnscHeITeLuntERschwang).

Of neem woorden als Sa-Atz zu Sa-Atz, het zijn mogelijk verwijzingen naar de SA en SS.

schtzngrmm en ottos mops

 

In een ander gedicht komt nog duidelijker tot uitdrukking wat concrete poëzie is. Schtzngrmm is een gedicht waarin rijm, regelmaat in het metrum en algemeen beschaafde taal ontbreken en de oorlog verbeeldt door een visuele en auditieve ervaring.

De dichters nemen door middel van taal wraak op de taal (van hun ouders). Ook dit gedicht moet je beluisteren om te begrijpen wat het wil zeggen. Het gedicht ottos mops behoort tot de klassieken van de concrete poëzie.

Beluister schtzngrmm

schtzngrmm

schtzngrmm
schtzngrmm
t-t-t-t
t-t-t-t
grrrmmmmm
t-t-t-t
s———c———h
tzngrmm
tzngrmm
tzngrmm
grrrmmmmm
schtzn
schtzn
t-t-t-t
t-t-t-t
schtzngrmm
schtzngrmm
tssssssssssssss
grrt
grrrrrt
grrrrrrrrrt
scht
scht
t-t-t-t-t-t-t-t-t-t
scht
tzngrmm
tzngrmm
t-t-t-t-t-t-t-t-t-t
scht
scht
scht
scht
scht
grrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrrr
t-tt

 

Beluister ottos mops

ottos mops trotzt

ottos mops trotzt
otto: fort mops fort
ottos mops hopst fort
otto: soso

otto holt koks
otto holt obst
otto horcht
otto: mops mops
otto hofft

ottos mops klopft
otto: komm mops komm
ottos mops kommt
ottos mops kotzt
otto: ogottogott

 

 

Lees, beluister en bekijk op deze website meer over leven en werk van Ernst Jandl.

 

Aan gene zijde van het ‘moeten’ – De leegte van de moraal

In de jaren zestig is literatuur politiek geworden. Maar het is niet zomaar tot een morele oproep om in actie te komen verworden, zoals je op grond van ‘man muss was tun’, een gedicht van Franz Mon (1926), zou kunnen denken. In deze literatuur wilde men juist de overdreven nadruk op moraal en plicht aan de kaak stellen. Want maar al te vaak had die nadruk op plicht tot verwerpelijk handelen geleid.

Dit protest, sloot goed aan bij de idealen van de buitenparlementaire oppositie en de studentenprotesten aan het eind jaren zestig en begin zeventig. Alles moet anders, zo was de leus.

Maar het gevaar bestaat, zegt Mon in zijn gedicht, dat het ‘men moet iets doen’ tot een leeg appèl verwordt. Achter zo’n appèl op grond van louter plicht, kan men zich makkelijk verschuilen. Authentiek handelen vraagt om meer, om iets anders, namelijk om het nemen van welbewuste beslissingen en het doen van subjectieve keuzes.

Begin jaren zeventig staan we op de drempel van een ander en nieuw literair klimaat in Duitsland.

 

 man muss was tun – Franz Mon (1967)

man muss was tun
muss man was tun
was muss man tun
tun muss man was

man hätte was getan
hätte man was getan
was hätte man getan
hätte man was getan

tun was man muss
was man tun muss
tun muss man was
was muss man tun

 

Op deze aandacht voor het politieke engagement in de literatuur zou in de jaren zeventig een reactie volgen. In plaats van aandacht voor maatschappijkritiek komt nu vooral een nadruk op subjectiviteit en individuele vrijheid.

Als keerpunt in de literatuur kan gewezen worden op de bundel Westwärts 1&2 van Rolf Dieter Brinkmann. De pop-art doet in navolging van ontwikkelingen in de Verenigde Staten dan definitief zijn intrede in de Europese literatuur. Wat dat voor gevolgen heeft voor de literatuurbeoefening in beide Duitslanden kun je in één van de volgende hoofdstukken lezen.

 

 

Ga naar de volgende periode:

Op de periode Naoorlogse literatuur in het Westen (1947 – 1968) volgt

DDR-literatuur

of ga naar Literatuur in beide Duitslanden 1968 -1990