Special: De familie Mann: een ‘amazing family’

 

 

Eine sonderbare Familie

 

Was für eine sonderbare Familie sind wir! Man wird später Bücher über uns – nicht nur über einzelne von uns – schreiben. (Klaus Mann, 1936)

 

Deze woorden van de oudste zoon van Thomas Mann zijn werkelijkheid geworden. Bijna geen kunstenaarsfamilie uit Duitsland heeft de laatste vijftig jaar zo in de belangstelling gestaan als deze ‘verbazingwekkende’ familie. Dat heeft in de eerste plaats te maken met wat zij allen op literair en artistiek vlak gepresteerd hebben. Maar dat is ook te danken aan het bewogen leven dat zij noodgedwongen door de ontwikkelingen in het Duitsland van de vorige eeuw geleden hebben.

Aan bijna geen andere familie is de tragiek van dit land tussen de Reichsgründung in 1871 en de Untergang ervan in 1945 beter af te lezen dan aan de geschiedenis van de familie Mann.

Niet ten onrechte draagt de nog niet zo lang geleden uitgebrachte documentaire en speelfim over deze familie de titel: Die Manns – Ein Jahrhundertroman. (Bekijk de film op DVD!)

Een eeuw vol tegenstellingen, met hoop en vooruitgang, dictatuur en gedwongen emigratie, wederopbouw en deling, heeft duidelijk zijn sporen in het leven van deze familie nagelaten.

 

Documentaire uit 1992 over Thomas Mann (voor liefhebbers; Engelstalig; 44′):

 

 

De familie in vogelvlucht

 

Geboortehuis van Thomas Mann in Lübeck, in oorspronkelijke staat.

Geboortehuis met Katia en Thomas Mann (in 1953).

 

Thomas Mann wordt vier jaar na zijn broer Heinrich in 1875 in de stad Lübeck geboren. Hier groeien zij op in een rijke, welgestelde familie van koopmannen en bestuurders. Beide broers begonnen al vroeg te schrijven. Zij gingen daarin spoedig elk een eigen weg die tot langdurige spanningen tussen beiden zou leiden. Over zijn jeugd zegt Thomas Mann:

 

Meine Kindheit war gehegt und glücklich. Wir fünf Geschwister (…) wuchsen auf in einem eleganten Stadthause, das mein Vater sich und den Seinen erbaut hatte, und erfreuten uns eines zweiten Heims in dem alten Familienhause bei der Marienkirche, das meine Großmutter väterlicherseits allein bewohnte und das heute als ‘Buddenbrook-Haus’ einen Gegenstand der Fremdenneugier bildet. (TB.)

 

Heinrich en Thomas Mann

Aan hun schooltijd in Lübeck houden beide broers minder goede herinneringen over. Heinrich verlaat de school zonder diploma en gaat een opleiding tot boekhandelaar volgen. Thomas moet verschillende klassen overdoen en komt niet veel verder dan de vijfde (in Duitsland de elfde) klas. Beiden verwerken hun ervaringen op school later in prachtige romans, waarmee zij erg beroemd zijn geworden. Heinrich schrijft Professor Unrat, over de tragische ondergang van de gymnasiumleraar Raat en in Buddenbrooks laat Thomas Mann de kleine Hanno onder hetzelfde schoolsysteem lijden, waar hij zelf het slachtoffer van is geworden.

Na de dood van vader Thomas Johann Heinrich Mann, die behalve zakenman ook senator in Lübeck en consul (zakenbehartiger) voor Nederland was, verhuist de familie in 1893 naar München.

Thomas werkt korte tijd bij een verzekeringsmaatschappij, maar hij besluit na het verschijnen van zijn eerste novelle Gefallen, zich geheel aan het schrijven te gaan wijden. In 1904 leert Thomas Katia Pringsheim kennen, met wie hij spoedig trouwt. Zij krijgen zes kinderen van wie Erika, Klaus en Golo de drie oudste en ook de bekendste zijn.

 

Katia Mann met haar zes kinderen: Monika, Golo, Michael, Klaus, Elisabeth und Erika.

 

TV-programma over Thomas Mann in de serie Dichter dran (Planet Schule; 9′).

Planet Wissen heeft een site over leven en werk van Thomas Mann.

 

 

Thomas Mann – Nichts erlebt und fast alles beschrieben …

 

Tonio Kröger (1903)

 

Ich stehe zwischen zwei Welten, bin in keiner daheim und habe es infolgedessen ein wenig schwer. (Tonio Kröger)

 

Tonio Kröger is het meest gelezen werk van Thomas Mann. Het wordt ook wel het meest karakteristieke voor hem genoemd. Het literaire klimaat waarin Thomas Mann met zijn schrijverschap begon, werd bepaald door de Jahrhundertwende. Deze periode wordt gekenmerkt door een mengelmoes van ideeën en kunstrichtingen, waarin het leven van een kunstenaar als iets hogers wordt beschouwd dan het gewone burgerlijke bestaan.

Deze spanning tussen burger en kunstenaar is een thema dat in het werk van Thomas Mann regelmatig terugkeert. Zijn hoofdpersonen worden ook getekend door een zekere levensmoeheid en het besef van een naderende dood. Vaak hebben zij geen vaste maatschappelijke positie meer en leven zij van de rente van een groot vermogen. Alle grote doelen zijn in hun leven bereikt, de vraag naar de zin van alles speelt op de achtergrond een belangrijke rol.

 

De wereld lijkt in verval en alleen wie een intellectuele en kunstzinnige sensibiliteit ontbeert, houdt er misschien nog een naïef vooruitgangsoptimisme op na.

Tonio Kröger is een voorbeeld van zo’n hoofdpersoon. Hij lijdt onder zijn artistieke aanleg. Hij wil graag aan een normaal burgerlijk bestaan deelnemen, zoals zijn vriend Hans Hansen. Hans is een sportieve, blonde, goeduitziende jongen, die aanvankelijk weinig op heeft met de dromerige, meer artistieke Tonio. Hans Hansen gaat er later ook met Tonio’s jeugdliefde vandoor. Uiteindelijk vindt Tonio zijn weg in het leven wel. Hij wordt een succesvol schrijver, maar al zijn verlangens en liefde zullen nooit geheel beantwoord worden.

Wie het meest liefheeft, moet ook het meest lijden, houdt Thomas Mann ons in deze niet zonder spot en relativering geschreven novelle voor. Het is in zekere zin de uitdrukking van hoe hij zelf over zijn eigen schrijverschap denkt. De spanning tussen kunstenaar en burger is het hoofdthema van deze novelle.

Zelf noemde hij Tonio Kröger ook wel zijn Werther, naar het vroege werk van Johann Wolfgang von Goethe over een soortgelijke hoofdpersoon.

 

Tonio Kröger, Hoofdstuk 1 kun je hier lezen.

 

Tonio Kröger, Hoofdstuk 1

Die Wintersonne stand nur als armer Schein, milchig und matt hinter Wolkenschichten über der engen Stadt. Naß und zugig war’s in den giebeligen Gassen, und manchmal fiel eine Art von weichem Hagel, nicht Eis, nicht Schnee.

Die Schule war aus. Über den gepflasterten Hof und heraus aus der Gatterpforte strömten die Scharen der Befreiten, teilten sich und enteilten nach rechts und links. Große Schüler hielten mit Würde ihr Bücherpäckchen hoch gegen die linke Schulter gedrückt, indem sie mit dem rechten Arm wider den Wind dem Mittagessen entgegen ruderten; kleines Volk setzte sich lustig in Trab, daß der Eisbrei umherspritzte und die Siebensachen der Wissenschaft in den Seehundsränzeln klapperten. Aber hie und da riß alles mit frommen Augen die Mützen herunter vor dem Wotanshut und dem Jupiterbart eines gemessen hinschreitenden Oberlehrers …

»Kommst du endlich, Hans?« sagte Tonio Kröger, der lange auf dem Fahrdamm gewartet hatte; lächelnd trat er dem Freunde entgegen, der im Gespräch mit anderen Kameraden aus der Pforte kam und schon im Begriffe war, mit ihnen davon zu gehen … »Wieso?« fragte er und sah Tonio an…. »Ja, das ist wahr! Nun gehen wir noch ein bißchen.«

Tonio verstummte, und seine Augen trübten sich. Hatte Hans es vergessen, fiel es ihm erst jetzt wieder ein, daß sie heute mittag ein wenig zusammen spazieren gehen wollten? Und er selbst hatte sich seit der Verabredung beinahe unausgesetzt darauf gefreut!

»Ja, adieu, ihr!« sagte Hans Hansen zu den Kameraden. »Dann gehe ich noch ein bißchen mit Kröger.« – Und die beiden wandten sich nach links, indes die anderen nach rechts schlenderten.

Hans und Tonio hatten Zeit, nach der Schule spazieren zu gehen, weil sie beide Häusern angehörten, in denen erst um vier Uhr zu Mittag gegessen wurde. Ihre Väter waren große Kaufleute, die öffentliche Ämter bekleideten und mächtig waren in der Stadt. Den Hansens gehörten schon seit manchem Menschenalter die weitläufigen Holzlagerplätze drunten am Fluß, wo gewaltige Sägemaschinen unter Fauchen und Zischen die Stämme zerlegten. Aber Tonio war Konsul Krögers Sohn, dessen Getreidesäcke mit dem breiten schwarzen Firmendruck man Tag für Tag durch die Straßen kutschieren sah; und seiner Vorfahren großes altes Haus war das herrschaftlichste der ganzen Stadt … Beständig mußten die Freunde, der vielen Bekannten wegen, die Mützen herunternehmen, ja, von manchen Leuten wurden die Vierzehnjährigen zuerst gegrüßt …

Beide hatten die Schulmappen über die Schultern gehängt, und beide waren sie gut und warm gekleidet; Hans in eine kurze Seemanns-Überjacke, über welcher auf Schultern und Rücken der breite, blaue Kragen seines Marineanzuges lag, und Tonio in einen grauen Gurtpaletot. Hans trug eine dänische Matrosenmütze mit schwarzen Bändern, unter der ein Schopf seines bastblonden Haares hervorquoll. Er war außerordentlich hübsch und wohlgestaltet, breit in den Schultern und schmal in den Hüften, mit freiliegenden und scharf blickenden stahlblauen Augen. Aber unter Tonios runder Pelzmütze blickten aus einem brünetten und ganz südlich scharf geschnittenen Gesicht dunkle und zart umschattete Augen mit zu schweren Lidern träumerisch und ein wenig zaghaft hervor … Mund und Kinn waren ihm ungewöhnlich weich gebildet. Er ging nachlässig und ungleichmäßig, während Hansens schlanke Beine in den schwarzen Strümpfen so elastisch und taktfest einherschritten …

Tonio sprach nicht. Er empfand Schmerz. Indem er seine etwas schräg stehenden Brauen zusammenzog und die Lippen zum Pfeifen gerundet hielt, blickte er seitwärts geneigten Kopfes ins Weite. Diese Haltung und Miene war ihm eigentümlich.

Plötzlich schob Hans seinen Arm unter den Tonios und sah ihn dabei von der Seite an, denn er begriff sehr wohl, um was es sich handelte. Und obgleich Tonio auch bei den nächsten Schritten noch schwieg, so ward er doch auf einmal sehr weich gestimmt.

»Ich hatte es nämlich nicht vergessen, Tonio,« sagte Hans und blickte vor sich nieder auf das Trottoir, »sondern ich dachte nur, daß heute doch wohl nichts daraus werden könnte, weil es ja so naß und windig ist. Aber mir macht das gar nichts, und ich finde es famos, daß du trotzdem auf mich gewartet hast. Ich glaubte schon, du seist nach Hause gegangen, und ärgerte mich …«

Alles in Tonio geriet in eine hüpfende und jubelnde Bewegung bei diesen Worten.

»Ja, wir gehen nun also über die Wälle!« sagte er mit bewegter Stimme. »Über den Mühlenwall und den Holstenwall, und so bringe ich dich nach Hause, Hans … Bewahre, das schadet gar nichts, daß ich dann meinen Heimweg allein mache; das nächste Mal begleitest du mich.«

Im Grunde glaubte er nicht sehr fest an das, was Hans gesagt hatte, und fühlte genau, daß jener nur halb so viel Gewicht auf diesen Spaziergang zu zweien legte wie er. Aber er sah doch, daß Hans seine Vergeßlichkeit bereute und es sich angelegen sein ließ, ihn zu versöhnen. Und er war weit von der Absicht entfernt, die Versöhnung hintanzuhalten …

Die Sache war die, daß Tonio Hans Hansen liebte und schon vieles um ihn gelitten hatte. Wer am meisten liebt, ist der Unterlegene und muß leiden, – diese schlichte und harte Lehre hatte seine vierzehnjährige Seele bereits vom Leben entgegengenommen; und er war so geartet, daß er solche Erfahrungen wohl vermerkte, sie gleichsam innerlich aufschrieb und gewissermaßen seine Freude daran hatte, ohne sich freilich für seine Person danach zu richten und praktischen Nutzen daraus zu ziehen. Auch war es so mit ihm bestellt, daß er solche Lehren weit wichtiger und interessanter achtete, als die Kenntnisse, die man ihm in der Schule aufnötigte, ja, daß er sich während der Unterrichtsstunden in den gotischen Klassengewölben meistens damit abgab, solche Einsichten bis auf den Grund zu empfinden und völlig auszudenken. Und diese Beschäftigung bereitete ihm eine ganz ähnliche Genugtuung, wie wenn er mit seiner Geige (denn er spielte die Geige) in seinem Zimmer umherging und die Töne, so weich, wie er sie nur hervorzubringen vermochte, in das Plätschern des Springstrahles hinein erklingen ließ, der drunten im Garten unter den Zweigen des alten Walnußbaumes tänzelnd emporstieg …

Der Springbrunnen, der alte Walnußbaum, seine Geige und in der Ferne das Meer, die Ostsee, deren sommerliche Träume er in den Ferien belauschen durfte, diese Dinge waren es, die er liebte, mit denen er sich gleichsam umstellte und zwischen denen sich sein inneres Leben abspielte, Dinge, deren Namen mit guter Wirkung in Versen zu verwenden sind und auch wirklich in den Versen, die Tonio Kröger zuweilen verfertigte, immer wieder erklangen.

Dieses, daß er ein Heft mit selbstgeschriebenen Versen besaß, war durch sein eigenes Verschulden bekannt geworden und schadete ihm sehr, bei seinen Mitschülern sowohl wie bei den Lehrern. Dem Sohne Konsul Krögers schien es einerseits, als sei es dumm und gemein, daran Anstoß zu nehmen, und er verachtete dafür sowohl die Mitschüler wie die Lehrer, deren schlechte Manieren ihn obendrein abstießen, und deren persönliche Schwächen er seltsam eindringlich durchschaute. Andererseits aber empfand er selbst es als ausschweifend und eigentlich ungehörig, Verse zu machen, und mußte all denen gewissermaßen recht geben, die es für eine befremdende Beschäftigung hielten. Allein das vermochte ihn nicht, davon abzulassen….

Da er daheim seine Zeit vertat, beim Unterricht langsamen und abgewandten Geistes war und bei den Lehrern schlecht angeschrieben stand, so brachte er beständig die erbärmlichsten Zensuren nach Hause, worüber sein Vater, ein langer, sorgfältig gekleideter Herr mit sinnenden blauen Augen, der immer eine Feldblume im Knopfloch trug, sich sehr erzürnt und bekümmert zeigte. Der Mutter Tonios jedoch, seiner schönen, schwarzhaarigen Mutter, die Consuelo mit Vornamen hieß und überhaupt so anders war als die übrigen Damen der Stadt, weil der Vater sie sich einstmals von ganz unten auf der Landkarte heraufgeholt hatte, – seiner Mutter waren die Zeugnisse grundeinerlei …

Tonio liebte seine dunkle und feurige Mutter, die so wunderbar den Flügel und die Mandoline spielte, und er war froh, daß sie sich ob seiner zweifelhaften Stellung unter den Menschen nicht grämte. Andererseits aber empfand er, daß der Zorn des Vaters weit würdiger und respektabler sei, und war, obgleich er von ihm gescholten wurde, im Grunde ganz einverstanden mit ihm, während er die heitere Gleichgültigkeit der Mutter ein wenig liederlich fand. Manchmal dachte er ungefähr: Es ist gerade genug, daß ich bin, wie ich bin, und mich nicht ändern will und kann, fahrlässig, widerspenstig und auf Dinge bedacht, an die sonst niemand denkt. Wenigstens gehört es sich, daß man mich ernstlich schilt und straft dafür, und nicht mit Küssen und Musik darüber hinweggeht. Wir sind doch keine Zigeuner im grünen Wagen, sondern anständige Leute, Konsul Krögers, die Familie der Kröger … Nicht selten dachte er auch: Warum bin ich doch so sonderlich und in Widerstreit mit allem, zerfallen mit den Lehrern und fremd unter den anderen Jungen? Siehe sie an, die guten Schüler und die von solider Mittelmäßigkeit. Sie finden die Lehrer nicht komisch, sie machen keine Verse und denken nur Dinge, die man eben denkt und die man laut aussprechen kann. Wie ordentlich und einverstanden mit allem und jedermann sie sich fühlen müssen! Das muß gut sein … Was aber ist mit mir, und wie wird dies alles ablaufen?

Diese Art und Weise, sich selbst und sein Verhältnis zum Leben zu betrachten, spielte eine wichtige Rolle in Tonios Liebe zu Hans Hansen. Er liebte ihn zunächst, weil er schön war; dann aber weil er in allen Stücken als sein eigenes Widerspiel und Gegenteil erschien. Hans Hansen war ein vortrefflicher Schüler und außerdem ein frischer Gesell, der ritt, turnte, schwamm wie ein Held und sich der allgemeinen Beliebtheit erfreute. Die Lehrer waren ihm beinahe mit Zärtlichkeit zugetan, nannten ihn mit Vornamen und förderten ihn auf alle Weise, die Kameraden waren auf seine Gunst bedacht, und auf der Straße hielten ihn Herren und Damen an, faßten ihn an dem Schopfe bastblonden Haares, der unter seiner dänischen Schiffermütze hervorquoll und sagten: »Guten Tag, Hans Hansen, mit deinem netten Schopf! Bist du noch Primus? Grüß’ Papa und Mama, mein prächtiger Junge …«

So war Hans Hansen, und seit Tonio Kröger ihn kannte, empfand er Sehnsucht, sobald er ihn erblickte, eine neidische Sehnsucht, die oberhalb der Brust saß und brannte. Wer so blaue Augen hätte, dachte er, und so in Ordnung und glücklicher Gemeinschaft mit aller Welt lebte, wie du! Stets bist du auf eine wohlanständige und allgemein respektierte Weise beschäftigt. Wenn du die Schulaufgaben erledigt hast, so nimmst du Reitstunden oder arbeitest mit der Laubsäge, und selbst in den Ferien, an der See, bist du vom Rudern, Segeln und Schwimmen in Anspruch genommen, indes ich müßiggängerisch und verloren im Sande liege und auf die geheimnisvoll wechselnden Mienenspiele starre, die über des Meeres Antlitz huschen. Aber darum sind deine Augen so klar. Zu sein wie du …

Er machte nicht den Versuch, zu werden wie Hans Hansen, und vielleicht war es ihm nicht einmal sehr ernst mit diesem Wunsche. Aber er begehrte schmerzlich, so, wie er war, von ihm geliebt zu werden, und er warb um seine Liebe auf seine Art, eine langsame und innige, hingebungsvolle, leidende und wehmütige Art, aber von einer Wehmut, die tiefer und zehrender brennen kann als alle jähe Leidenschaftlichkeit, die man von seinem fremden Äußern hätte erwarten können.

Und er warb nicht ganz vergebens, denn Hans, der übrigens eine gewisse Überlegenheit an ihm achtete, eine Gewandtheit des Mundes, die Tonio befähigte, schwierige Dinge auszusprechen, begriff ganz wohl, daß hier eine ungewöhnlich starke und zarte Empfindung für ihn lebendig sei, erwies sich dankbar und bereitete ihm manches Glück durch sein Entgegenkommen – aber auch manche Pein der Eifersucht, der Enttäuschung und der vergeblichen Mühe, eine geistige Gemeinschaft herzustellen. Denn es war das Merkwürdige, daß Tonio, der Hans Hansen doch um seine Daseinsart beneidete, beständig trachtete, ihn zu seiner eigenen herüberzuziehen, was höchstens auf Augenblicke und auch dann nur scheinbar gelingen konnte …

»Ich habe jetzt etwas Wundervolles gelesen, etwas Prachtvolles …« sagte er. Sie gingen und aßen gemeinsam aus einer Tüte Fruchtbonbons, die sie beim Krämer Iwersen in der Mühlenstraße für zehn Pfennige erstanden hatten. »Du mußt es lesen, Hans, es ist nämlich Don Carlos von Schiller … Ich leihe es dir, wenn du willst …«

»Ach nein«, sagte Hans Hansen, »das laß nur, Tonio, das paßt nicht für mich. Ich bleibe bei meinen Pferdebüchern, weißt du. Famose Abbildungen sind darin, sage ich dir. Wenn du mal bei mir bist, zeige ich sie dir. Es sind Augenblicksphotographien, und man sieht die Gäule im Trab und im Galopp und im Sprunge, in allen Stellungen, die man in Wirklichkeit gar nicht zu sehen bekommt, weil es zu schnell geht …«

»In allen Stellungen?« fragte Tonio höflich. »Ja, das ist fein. Was aber Don Carlos betrifft, so geht das über alle Begriffe. Es sind Stellen darin, du sollst sehen, die so schön sind, daß es einem einen Ruck gibt, daß es gleichsam knallt …«

»Knallt es?« fragte Hans Hansen … »Wieso?«

»Da ist zum Beispiel die Stelle, wo der König geweint hat, weil er von dem Marquis betrogen ist … aber der Marquis hat ihn nur dem Prinzen zuliebe betrogen, verstehst du, für den er sich opfert. Und nun kommt aus dem Kabinett in das Vorzimmer die Nachricht, daß der König geweint hat. ›Geweint?‹ ›Der König geweint?‹ Alle Hofmänner sind fürchterlich betreten, und es geht einem durch und durch, denn es ist ein schrecklich starrer und strenger König. Aber man begreift es so gut, daß er geweint hat, und mir tut er eigentlich mehr leid, als der Prinz und der Marquis zusammengenommen. Er ist immer so ganz allein und ohne Liebe, und nun glaubt er einen Menschen gefunden zu haben, und der verrät ihn …«

Hans Hansen sah von der Seite in Tonios Gesicht, und irgend etwas in diesem Gesicht mußte ihn wohl dem Gegenstande gewinnen, denn er schob plötzlich wieder seinen Arm unter den Tonios und fragte:

»Auf welche Weise verrät er ihn denn, Tonio?«

Tonio geriet in Bewegung.

»Ja, die Sache ist,« fing er an, »daß alle Briefe nach Brabant und Flandern …«

»Da kommt Erwin Jimmerthal,« sagte Hans.

Tonio verstummte. Möchte ihn doch, dachte er, die Erde verschlingen, diesen Jimmerthal! Warum muß er kommen und uns stören! Wenn er nur nicht mit uns geht und den ganzen Weg von der Reitstunde spricht … Denn Erwin Jimmerthal hatte ebenfalls Reitstunde. Er war der Sohn des Bankdirektors und wohnte hier draußen vorm Tore. Mit seinen krummen Beinen und Schlitzaugen kam er ihnen, schon ohne Schulmappe, durch die Allee entgegen.

»Tag, Jimmerthal,« sagte Hans. »Ich gehe ein bißchen mit Kröger …«

»Ich muß zur Stadt,« sagte Jimmerthal, »und etwas besorgen. Aber ich gehe noch ein Stück mit euch … Das sind wohl Fruchtbonbons, die ihr da habt? Ja, danke, ein paar esse ich. Morgen haben wir wieder Stunde, Hans.« – Es war die Reitstunde gemeint.

»Famos!« sagte Hans. »Ich bekomme jetzt die ledernen Gamaschen, du, weil ich neulich die Eins im Exerzitium hatte …«

»Du hast wohl keine Reitstunde, Kröger?« fragte Jimmerthal, und seine Augen waren nur ein Paar blanker Ritzen …

»Nein …« antwortete Tonio mit ganz ungewisser Betonung.

»Du solltest,« bemerkte Hans Hansen, »deinen Vater bitten, daß du auch Stunde bekommst, Kröger.«

»Ja …« sagte Tonio zugleich hastig und gleichgültig. Einen Augenblick schnürte sich ihm die Kehle zusammen, weil Hans ihn mit Nachnamen angeredet hatte; und Hans schien dies zu fühlen, denn er sagte erläuternd:

»Ich nenne dich Kröger, weil dein Vorname so verrückt ist, du, entschuldige, aber ich mag ihn nicht leiden. Tonio … Das ist doch überhaupt kein Name. Übrigens kannst du ja nichts dafür, bewahre!«

»Nein, du heißt wohl hauptsächlich so, weil es so ausländisch klingt und etwas Besonderes ist …« sagte Jimmerthal und tat, als ob er zum Guten reden wollte.

Tonios Mund zuckte. Er nahm sich zusammen und sagte:

»Ja, es ist ein alberner Name, ich möchte, weiß Gott, lieber Heinrich oder Wilhelm heißen, das könnt ihr mir glauben. Aber es kommt daher, daß ein Bruder meiner Mutter, nach dem ich getauft worden bin, Antonio heißt; denn meine Mutter ist doch von drüben …«

Dann schwieg er und ließ die beiden von Pferden und Lederzeug sprechen. Hans hatte Jimmerthal untergefaßt und redete mit einer geläufigen Teilnahme, die für Don Carlos niemals in ihm zu erwecken gewesen wäre … Von Zeit zu Zeit fühlte Tonio, wie der Drang zu weinen ihm prickelnd in die Nase stieg; auch hatte er Mühe, sein Kinn in der Gewalt zu behalten, das beständig ins Zittern geriet …

Hans mochte seinen Namen nicht leiden, – was war dabei zu tun? Er selbst hieß Hans, und Jimmerthal hieß Erwin, gut, das waren allgemein anerkannte Namen, die niemand befremdeten. Aber »Tonio« war etwas Ausländisches und Besonderes. Ja, es war in allen Stücken etwas Besonderes mit ihm, ob er wollte oder nicht, und er war allein und ausgeschlossen von den Ordentlichen und Gewöhnlichen, obgleich er doch kein Zigeuner im grünen Wagen war, sondern ein Sohn Konsul Krögers, aus der Familie der Kröger … Aber warum nannte Hans ihn Tonio, solange sie allein waren, wenn er, kam ein dritter hinzu, anfing, sich seiner zu schämen? Zuweilen war er ihm nahe und gewonnen, ja. Auf welche Weise verrät er ihn denn, Tonio? hatte er gefragt und ihn untergefaßt. Aber als dann Jimmerthal gekommen war, hatte er dennoch erleichtert aufgeatmet, hatte ihn verlassen und ihm ohne Not seinen fremden Rufnamen vorgeworfen. Wie weh es tat, dies alles durchschauen zu müssen! … Hans Hansen hatte ihn im Grunde ein wenig gern, wenn sie unter sich waren, er wußte es. Aber kam ein dritter, so schämte er sich dessen und opferte ihn auf. Und er war wieder allein. Er dachte an König Philipp. Der König hat geweint …

»Gott bewahre,« sagte Erwin Jimmerthal, »nun muß ich aber wirklich zur Stadt! Adieu, ihr, und Dank für die Fruchtbonbons!« Darauf sprang er auf eine Bank, die am Wege stand, lief mit seinen krummen Beinen darauf entlang und trabte davon.

»Jimmerthal mag ich leiden!« sagte Hans mit Nachdruck. Er hatte eine verwöhnte und selbstbewußte Art, seine Sympathien und Abneigungen kundzugeben, sie gleichsam gnädigst zu verteilen … Und dann fuhr er fort, von der Reitstunde zu sprechen, weil er einmal im Zuge war. Es war auch nicht mehr so weit bis zum Hansenschen Wohnhause; der Weg über die Wälle nahm nicht so viel Zeit in Anspruch. Sie hielten ihre Mützen fest und beugten die Köpfe vor dem starken, feuchten Wind, der in dem kahlen Geäst der Bäume knarrte und stöhnte. Und Hans Hansen sprach, während Tonio nur dann und wann ein künstliches Ach und Jaja einfließen ließ, ohne Freude darüber, daß Hans ihn im Eifer der Rede wieder untergefaßt hatte, denn das war nur eine scheinbare Annäherung, ohne Bedeutung.

Dann verließen sie die Wallanlagen unfern des Bahnhofes, sahen einen Zug mit plumper Eilfertigkeit vorüberpuffen, zählten zum Zeitvertreib die Wagen und winkten dem Manne zu, der in seinen Pelz vermummt zuhöchst auf dem allerletzten saß. Und am Lindenplatze, vor Großhändler Hansens Villa, blieben sie stehen, und Hans zeigte ausführlich, wie amüsant es sei, sich unten auf die Gartenpforte zu stellen und sich in den Angeln hin und her zu schlenkern, daß es nur so kreischte. Aber hierauf verabschiedete er sich.

»Ja, nun muß ich hinein,« sagte er. »Adieu, Tonio. Das nächste Mal begleite ich dich nach Hause, sei sicher.«

»Adieu, Hans,« sagte Tonio, »es war nett, spazieren zu gehen.«

Ihre Hände, die sich drückten, waren ganz naß und rostig von der Gartenpforte. Als aber Hans in Tonios Augen sah, entstand etwas wie reuiges Besinnen in seinem hübschen Gesicht.

»Übrigens werde ich nächstens ›Don Carlos‹ lesen!« sagte er rasch. »Das mit dem König im Kabinett muß famos sein!« Dann nahm er seine Mappe unter den Arm und lief durch den Vorgarten. Bevor er im Hause verschwand, nickte er noch einmal zurück.

Und Tonio Kröger ging ganz verklärt und beschwingt von dannen. Der Wind trug ihn von hinten, aber es war nicht darum allein, daß er so leicht von der Stelle kam.

Hans würde ›Don Carlos‹ lesen, und dann würden sie etwas miteinander haben, worüber weder Jimmerthal noch irgend ein anderer mitreden konnte! Wie gut sie einander verstanden! Wer wußte, – vielleicht brachte er ihn noch dazu, ebenfalls Verse zu schreiben? … Nein, nein, das wollte er nicht! Hans sollte nicht werden, wie Tonio, sondern bleiben, wie er war, so hell und stark, wie alle ihn liebten und Tonio am meisten! Aber daß er ›Don Carlos‹ las, würde trotzdem nicht schaden … Und Tonio ging durch das alte, untersetzte Tor, ging am Hafen entlang und die steile, zugige und nasse Giebelgasse hinauf zum Haus seiner Eltern. Damals lebte sein Herz; Sehnsucht war darin und schwermütiger Neid und ein klein wenig Verachtung und eine ganze keusche Seligkeit.

(Gutenberg.org)

 

 

Das Eisenbahnunglück (1909)

 

(Rolf Escher, Illustratie bij Das Eisenbahnunglück.)

 

Etwas erzählen? Aber ich weiß nichts. Gut, also ich werde etwas erzählen. (Das Eisenbahnunglück)

‘Op een keer, het is inmiddels twee jaar geleden, heb ik een spoorwegongeluk meegemaakt, alle details staan mij nog helder voor ogen.’ Zo begint het grappige verhaal Das Eisenbahnunglück. Op weg naar Dresden had Thomas Mann dit ongeluk zelf in 1906 meegemaakt.

 

Mann is sterk beïnvloed door de grote vertellers uit de negentiende eeuw, zoals bijvoorbeeld Theodor Fontane (foto li.), die hij om zijn magistrale vertelkunst diep bewonderde. Het bijzondere van deze schrijvers, ook wel de realisten genoemd, was dat zij door de nauwkeurige wijze waarop zij hun hoofdpersonen beschreven, bijna een heel tijdperk wisten te karakteriseren. In deze vertelkunst oefende Mann zich van begin af aan heel bewust en hij deed dat met groot succes.

 

In Das Eisenbahnunglück luistert en kijkt Thomas Mann vooral naar zijn hoofdpersonen. Dat levert bijzonder grappige en vermakelijke taferelen op. Zo blijkt een eerst nog wat chic geklede en zich voornaam voordoende heer met hondje na het ongeluk een tamelijk trieste persoon. Geheel blootsvoets en volledig in verwarring zijn omstanders uitscheldend, de conducteur noemt hij ‘Affenschwanz’, gekleed in een beetje vreemde pyjama, ietwat lullig dus, verandert de heer in een komische karikatuur van zich zelf. Zich gedragend als een kind roept hij angstig om hulp.

Ironie – Thomas Mann drijft de spot met de werkelijkheid

Net als Fontane laat Thomas Mann zien dat de realiteit een andere is dan de uiterlijke schijn wil doen geloven. Alles lijkt uiteindelijk doortrokken van een ondergangsstemming en van verval (Dekadenz). Thomas Mann laat zich hierbij overigens niet, zoals bij de kunstenaars rond de Jahrhundertwende gewoon was, meeslepen in een verheerlijking van deze decadentie.

Opvallend is voor hem met name de spot die hij met dit decadente levensgevoel drijft, er moet om gelachen kunnen worden. Thomas Mann is een scepticus, die zich nooit vereenzelvigt met de realiteit. Kenmerkend voor zijn stijl is daarom de ironie.

Door middel van ironie of spot – het woord ironie komt uit het Grieks en heeft met het opzetten van een masker te maken – houdt hij bewust distantie, bewaart hij neutraliteit ten opzichte van de werkelijkheid. Het zijn de kenmerken van zijn realisme.

Een mooi voorbeeld zijn daarvan ook de beschrijvingen van de tragikomische lotgevallen van Der kleine Herr Friedmann (1898). Deze verhalen en de genoemde novelle Tonio Kröger zijn goede inleidingen op het zeer uitgebreide en lang niet altijd eenvoudige oeuvre van Thomas Mann.

 

 

Buddenbrooks – Verfall einer Familie (1901)

In 1901 verschijnt in twee delen de roman Buddenbrooks – Verfall einer Familie. Met dit boek wordt Thomas Mann op slag beroemd, eerst in Duitsland en vanaf de jaren twintig over de hele wereld. Als Thomas Mann in 1929 de Nobelprijs voor literatuur krijgt, heeft hij die prijs aan dit boek, misschien wel zijn beste, te danken.

Thema is de geschiedenis van een rijk koopmansgeslacht uit Lübeck, waarvan hij de ondergang van 1835 tot 1875 volgt en nauwkeurig beschrijft. Voor dit boek heeft hij ruim gebruik gemaakt van de geschiedenis van zijn eigen voorgeslacht, een rijke patriciërsfamilie uit Lübeck.

In het begin gaat het nog goed met het geslacht Buddenbrooks. Maar geleidelijk aan verdwijnt de daadkracht uit de familie en begint het verval met zoon Christian. De laatste nakomeling, Hanno Buddenbrook, is een gevoelige jongen, die eigenlijk alleen maar oog heeft voor kunst en muziek. Vanaf zijn geboorte is hij al niet erg opgewassen tegen het leven. Uiteindelijk sterft Hanno op jonge leeftijd aan typhus.

De roman bestaat uit elf delen. Vaak wordt er in verband met deze roman gewezen op een parallel met de elf bedrijven van Wagners Der Ring des Nibelungen. De kleine Hanno improviseert op de piano zelf regelmatig op thema’s uit Wagners Ring. Maar nog opvallender is de fantastische opbouw van de roman. Door te spelen met motieven en herhalingen imiteert Thomas Mann voortdurend Wagners muziekkunst.

Zoals Wagner (foto re.) via terugkerende Leitmotive in de muziek de luisteraar van het concrete gebeuren op het toneel meevoert naar wat geweest is en nog komen gaat, zo maakt ook Thomas Mann gebruik van een verteller, die zich door middel van herhalingen van motieven distantieert van zijn hoofdpersonen en er tevens de spot mee drijft.

Zeer goede radiouitzending over Buddenbrooks (swr2; 27′):

Buddenbrooks – One of the 100 Must-Reads (3′):

 

 

Der Tod in Venedig (1912)

 

 

In mei 1911 verblijft Thomas Mann een week in het ‘Grand Hotel des Bains, Lido-Venise’. Op papier van het hotel schrijft hij een essay over Richard Wagner. Enkele dagen eerder was de door hem bewonderde componist Gustav Mahler (1860 – 1911) overleden wat hem die dagen volop bezighoudt. Zijn bewondering voor Wagner had hij in Buddenbrooks al gedemonstreerd en aan Gustav Mahler brengt hij met zijn novelle Der Tod in Venedig (1912) een indrukwekkende hommage:

 

Gustav Mahler

Gustav von Aschenbach war etwas unter Mittelgröße, brünett, rasiert. Sein Kopf erschien ein wenig zu groß im Verhältnis zu der fast zierlichen Gestalt. Sein rückwärts gebürstetes Haar, am Scheitel gelichtet, an den Schläfen sehr voll und stark ergraut, umrahmte eine hohe, zerklüftete und gleichsam narbige Stirn. Der Bügel einer Goldbrille mit randlosen Gläsern schnitt in die Wurzel der gedrungenen, edel gebogenen Nase ein. Der Mund war groß, oft schlaff, oft plötzlich schmal und gespannt; die Wangenpartie mager und gefurcht, das wohlausgebildete Kinn weich gespalten.

Bedeutende Schicksale schienen über dies meist leidend seitwärts geneigte Haupt hinweggegangen zu sein, und doch war die Kunst es gewesen, die hier jene physiognomische Durchbildung übernommen hatte, welche sonst das Werk eines schweren bewegten Lebens ist. … Sie beglückt tiefer, sie verzehrt rascher. Sie gräbt in das Antlitz ihres Dieners die Spuren imaginärer und geistiger Abenteuer, und sie erzeugt, selbst bei klösterlicher Stille des äußeren Daseins, auf die Dauer eine Verwöhntheit, Überfeinerung, Müdigkeit und Neugier der Nerven, wie ein Leben voll ausschweifender Leidenschaften und Genüsse sie kaum hervorzubringen vermag.

(Tod in Venedig, Slot Zweites Kapitel.)

 

 

Der Tod in Venedig is in de eerste plaats een liefdesgeschiedenis. De schrijver Gustav Aschenbach, op vakantie in Venetië, wordt op vijftigjarige leeftijd verliefd op de knappe Poolse jongen Tadzio.

Tegen beter weten in waarschuwt hij de familie niet voor de zich snel verspreidende cholera-epidemie. De liefde voor de jongen, die hij op het Lido van Venetië ontmoet, wordt hem noodlottig, want ook zelf vertrekt hij niet tijdig uit Venetië. Aan het eind van het boek sterft hij aan deze ziekte.

 

In verband met dit boek wordt er veelvuldig gewezen op de homo-erotische tendensen, waar Thomas Mann zelf in verschillende van zijn brieven naar verwijst en ook openlijk voor uitkomt. Belangrijker echter voor het begrip van deze prachtige novelle zijn de motieven uit de Griekse mythologie die Mann erin heeft verwerkt.

Het verhaal is eigenlijk een soort tragedie: de vijf hoofdstukken komen overeen met de vijf bedrijven van een klassiek theaterstuk en de oversteek van het vaste land naar het Lido van Venetië aan het begin van het verhaal zet de lezer direct op het spoor van Charon, de veerman die de doden over de Styx naar de onderwereld, de Hades, brengt. Aan een tragisch slot valt dan ook niet meer te ontkomen.

 

Lees hier het dramatische slot van deze novelle:

Tadzio, mit drei oder vier Gespielen, die ihm geblieben waren, bewegtesich zur Rechten vor der Hütte der Seinen, und, eine Decke über denKnieen, etwa in der Mitte zwischen dem Meer und der Reihe derStrandhütten in seinem Liegestuhl ruhend, sah Aschenbach ihm nocheinmal zu. Das Spiel, das unbeaufsichtigt war, denn die Frauen mochtenmit Reisevorbereitungen beschäftigt sein, schien regellos und arteteaus. Jener Stämmige, im Gürtelanzug und mit schwarzem, pomadisiertemHaar, der »Jaschu« gerufen wurde, durch einen Sandwurf ins Gesichtgereizt und geblendet, zwang Tadzio zum Ringkampf, der rasch mit demFall des schwächeren Schönen endete. Aber als ob in derAbschiedsstunde das dienende Gefühl des Geringeren sich in grausameRoheit verkehre und für eine lange Sklaverei Rache zu nehmen trachte,ließ der Sieger auch dann noch nicht von dem Unterlegenen ab, sonderndrückte, auf seinem Rücken knieend, dessen Gesicht so anhaltend in denSand, daß Tadzio, ohnedies vom Kampf außer Atem, zu ersticken drohte.

Seine Versuche, den Lastenden abzuschütteln, waren krampfhaft, sieunterblieben auf Augenblicke ganz und wiederholten sich nur noch alsein Zucken. Entsetzt wollte Aschenbach zur Rettung aufspringen, alsder Gewalttätige endlich sein Opfer freigab. Tadzio, sehr bleich,richtete sich zur Hälfte auf und saß, auf einen Arm gestützt, mehrereMinuten lang unbeweglich, mit verwirrtem Haar und dunkelnden Augen.Dann stand er vollends auf und entfernte sich langsam. Man rief ihn,anfänglich munter, dann bänglich und bittend; er hörte nicht. DerSchwarze, den Reue über seine Ausschreitung sogleich erfaßt habenmochte, holte ihn ein und suchte ihn zu versöhnen. EineSchulterbewegung wies ihn zurück. Tadzio ging schräg hinunter zumWasser. Er war barfuß und trug seinen gestreiften Leinenanzug mitroter Schleife.Am Rande der Flut verweilte er sich, gesenkten Hauptes mit einerFußspitze Figuren im feuchten Sande zeichnend, und ging dann in dieseichte Vorsee, die an ihrer tiefsten Stelle noch nicht seine Kniebenetzte, durchschritt sie, lässig vordringend, und gelangte zurSandbank. Dort stand er einen Augenblick, das Gesicht der Weitezugekehrt, und begann hierauf, die lange und schmale Streckeentblößten Grundes nach links hin langsam abzuschreiten. VomFestlande geschieden durch breite Wasser, geschieden von denGenossen durch stolze Laune, wandelte er, eine höchst abgesonderteund verbindungslose Erscheinung, mit flatterndem Haar dort draußenim Meere, im Winde, vorm Nebelhaft-Grenzenlosen.

Abermals blieb erzur Ausschau stehen. Und plötzlich, wie unter einer Erinnerung, einemImpuls, wandte er den Oberkörper, eine Hand in der Hüfte, in schönerDrehung aus seiner Grundpositur und blickte über die Schulter zumUfer. Der Schauende dort saß wie er einst gesessen, als zuerst, vonjener Schwelle zurückgesandt, dieser dämmergraue Blick dem seinenbegegnet war. Sein Haupt war an der Lehne des Stuhles langsam derBewegung des draußen Schreitenden gefolgt; nun hob es sich, gleichsamdem Blicke entgegen, und sank auf die Brust, so daß seine Augen vonunten sahen, indes sein Antlitz den schlaffen, innig versunkenenAusdruck tiefen Schlummers zeigte. Ihm war aber, als ob der bleicheund liebliche Psychagog dort draußen ihm lächle, ihm winke; als ob er,die Hand aus der Hüfte lösend, hinausdeute, voranschwebe insVerheißungsvoll-Ungeheure. Und wie so oft machte er sich auf, ihm zufolgen.

Minuten vergingen, bis man dem seitlich im Stuhle Hinabgesunkenen zur Hilfe eilte. Man brachte ihn auf sein Zimmer. Und noch desselben Tages empfing eine respektvoll erschütterte Welt die Nachricht von seinem Tode.

(Tod in Venedig, Slot Fünftes Kapitel.)

 

 

 

Een heel mooie verfilming van deze novelle is van de beroemde Italiaanse film- en theaterregisseur Luchino Visconti. De muziek van Mahler speelt hierin een belangrijke rol.

 

 

Betrachtungen eines Unpolitischen (1918)

 

Thomas Mann beschouwt zich in de eerste plaats als een kunstenaar en houdt zich verre van politiek: ‘Für politische Freiheit habe ich gar kein Interesse’, schrijft hij in 1904. Zijn oudere broer Heinrich heeft hem dit van begin af aan verweten. Met hem verkeert hij dan ook langere tijd, in elk geval tot 1922, in onmin. Terwijl Thomas Mann in München als welgesteld burger op grote voet leeft, leidt Heinrich Mann, gedreven door onrust en noodgedwongen politiek actief in verband met de dreigende oorlog, een zwervend en weinig comfortabel bestaan.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog schrijft Thomas tussen 1915 en 1918 Betrachtungen eines Unpolitischen. Hierin discussieert Thomas met zijn broer over de taak van een kunstenaar. Pas na 1918 komt Thomas Mann schoorvoetend tot andere inzichten en legt hij ook de twist met zijn broer bij. In de rede Von deutscher Republik (1922) neemt hij afstand van zijn oude politieke standpunten en ontpopt hij zich als overtuigd democraat, zoals zijn broer graag veel eerder van hem had gezien. Bij veel Duitsers echter komt hem dit op het verwijt van Überläuferei te staan.

Grondige analyse van Manns politieke ‘bekering’  (radioprogramma voor liefhebbers; 22′).

 

 

Der Zauberberg: Verslag van een crisis (1924)

 

Na Der Tod in Venedig heeft het tamelijk lang geduurd voor er een volgend fictioneel werk van Thomas Mann verscheen. Dit had alles te maken met zijn persoonlijke politieke Wandlung. In Der Zauberberg legt Thomas Mann hiervan op monumentale wijze verantwoording af. Tevens brengt hij de belangrijkste politieke en kunstzinnige stromingen uit de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog op bijzonder komische wijze in kaart.

Hoofdpersoon van het boek is een jonge man: Hans Castorp. Hij wil voor drie weken op bezoek bij zijn neef Joachim Ziemßen, die in een sanatorium in Davos verblijft. Maar het bezoek loopt uit op een verblijf van zeven jaar waaraan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een abrupt einde maakt. Hans Castorp is de zoon van een rijke patriciër uit Hamburg. Hij discussieert met Settembrini, die de achttiende eeuwse Verlichting vertegenwoordigt. Tegenover hem staat Naphta. Hij is een revolutionair, een communist en tevens Jezuïet en een soort middeleeuwse fanatiekeling. Als hun tegenspeelster laat Thomas Mann een Russische vrouw, Clawdia Chauchat optreden, die vooral de liefde verbeeldt tegenover de koude Vernunft, de ratio.

Het boek eindigt in zekere zin met een open slot. Of Hans in de loopgraven van de oorlog omkomt, wordt in het midden gelaten. Duidelijk is wel, dat Thomas Mann met zijn vroegere elitaire estheticisme in dit boek afrekent:

Die Liebe steht dem Tode entgegen, nur sie, nicht die Vernunft, gibt gütige Gedanken. (Der Zauberberg, p. 686).

In extreme standpunten ziet hij na 1922 geen oplossing voor de problemen van zijn tijd. Eén van de hoogtepunten in Der Zauberberg is het moment waarop Hans Castorp na een droom tot dit inzicht komt. Hij laat Castorp zeggen dat het leven nu eenmaal moet worden aanvaard:

Mir träumte vom Stande des Menschen und seiner höflich-verständigen und ehrerbietigen Gemeinschaft, hinter der im Tempel das grässliche Blutmahl sich abspielt. Waren sie so höflich und reizend zueinander, die Sonnenleute, im stillen Hinblick auf eben dies Grässliche? Das wäre eine feine und recht galante Folgerung, die sie da zögen! Ich will es mit ihnen halten in meiner Seele und nicht mit Naphta – übrigens auch nicht mit Settembrini, sie sind beide Schwätzer….

Die beiden Pädagogen! Ihr Streit und ihre Gegensätze sind selber nur ein verworrener Schlachtenlärm, wovon sich niemand betäuben lässt, der nur ein Bisschen frei im Kopfe ist und fromm im Herzen. Mit ihrer aristokratischen Frage! Mit ihrer Vornehmheit! Tod oder Leben-Krankheit, Gesundheit – Geist und Natur. Sind das wohl Widersprüche? Sind das Fragen?….

Der Mensch ist Herr der Gegensätze, sie sind durch ihn, und also ist er vornehmer als sie. Vornehmer als der Tod, zu vornehm für diesen, – das ist die Freiheit seines Kopfes. Vornehmer als das Leben, zu vornehm für dieses, – das ist die Frömmigkeit in seinem Herzen. Da habe ich einen Reim gemacht, ein Traumgedicht vom Menschen. Ich will dran denken. Ich will gut sein. Ich will dem Tode keine Herrschaft einräumen über meine Gedanken! Denn darin besteht die Güte und Menschenliebe, und in nichts anderem. Der Tod ist eine grosze Macht…. Tod und Liebe, – das ist ein schlechter Reim, ein abgeschmackter, ein falscher Reim! Die Liebe steht dem Tode entgegen, nur sie, nicht die Vernunft, ist stärker als er. Nur sie, nicht die Vernunft gibt gütige Gedanken. Auch Form ist nur aus Liebe und Güte: Form und Gesittung verständig-freundlicher Gemeinschaft und schönen Menschenstaats – in stillem Hinblick auf das Blutmahl….. Ich will dem Tode Treue halten in meinem Herzen, doch mich

hell erinnern, dass Treue zum Tode und Gewesenen nur Bosheit und finstere Wollust und Menschenfeindschaft ist, bestimmt sie unser Denken und Regieren. Der Mensch soll um der Güte und Liebe willen dem Tode keine Herrschaft einräumen über seine Gedanken. (Der Zauberberg, p. 686.)

 

Trixie Hölsgens over de betovering van sneeuw. Waarom je Der Zauberberg echt lezen moet. Beluister hier de podcast van het DIA over Der Zauberberg (27′).

Engelse inleiding op Der Zauberberg (50′):

 

 

Opkomend fascisme

 

Als Thomas Mann in 1926 in Italië op vakantie is, maakt hij voor het eerst aan den lijve kennis met de onmenselijke kanten van het Italiaanse fascisme. Dat dwingt hem opnieuw tot een nog duidelijker politieke stellingname. In 1928 spreekt hij Neujahrswunsch an die Menschheit uit. Hierin neemt hij onomwonden afstand van de opkomende Hitlerclique in zijn land. Hij doet een appèl op het gezonde verstand.

Benito Mussolini, leider van de Italiaanse fascisten.

Thomas Mann verwerkt zijn aantekeningen uit 1926 tot zijn misschien meest politieke novelle Mario und der Zauberer (1930), zonder te vermoeden, dat wat hij in Italië had gezien ook in Duitsland mogelijk zou worden en er tot een demonische macht zou uitgroeien.

Zijn inzet voor de democratie wordt steeds belangrijker naarmate Duitsland verder afglijdt in de richting van het nationaal-socialisme van Adolf Hitler. Als in oktober 1930 de NSDAP van Hitler bij de verkiezingen veel zetels wint, reageert Thomas Mann met zijn beroemd geworden rede Deutsche Ansprache – Ein Appell an die Vernunft (Duitse rede – Een appèl aan de rede). Hij roept hierin op tot een verbond tussen de burgerlijke partijen en de sociaaldemocratie om het fascistische gevaar tegen te kunnen houden.

 

Emigratie – ‘Wo ich bin, ist Deutschland’

 

In januari 1933 voltooit Thomas Mann een essay over Richard Wagner onder de titel Leiden und Größe Richard Wagners. Ter gelegenheid van de vijftigste sterfdag van de componist draagt Thomas Mann dit essay op 10 februari 1933, kort na de Machtübernahme door de Nazi’s, in het Auditorium Maximum van de Ludwig-Maximilian-Universität van München voor een 500 man tellend publiek voor.

De toehoorders waren overwegend positief, alleen het nationaalsocialistische partijorgaan de Völkischer Beobachter vond de lezing helemaal niks. Thomas Mann waardeerde Wagner als vernieuwer van de muziek, maar hij had een afkeer van het nationalistische gedweep met Wagner door rechts-radicale vijanden van de Republiek van Weimar. De manier waarop zij na de Eerste Wereldoorlog vanaf 1924 van Bayreuth een soort religieus bedevaartsoord maakten, stuitte hem tegen de borst. Thomas Mann stond ondanks zijn waardering voor Wagner nogal ambivalent tegenover de musicus. Dit blijkt ook uit de titel van zijn essay. De manier waarop hij Wagner interpreteerde, in het licht van (de joodse psychoanalyticus) Sigmund Freud, beviel de Nazi’s helemaal niet.

Direct na de lezing reisde Thomas Mann naar Amsterdam, waar hij op uitnodiging in het concertgebouw dezelfde lezing voordroeg. Willem Mengelberg leidde daar een herdenkingsconcert. Daarna zou hij nog naar Brussel en Parijs reizen om er dezelfde lezing ten gehore te brengen.

Op 22 februari 1933 kwam zijn broer Heinrich Mann, arm en berooid, bij zijn jongere broer in Parijs aan. Hij was intussen uit de schrijversafdeling van de Preußische Akademie der Künste gezet en uit Berlijn verjaagd. Deze vereniging, die de belangen van schrijvers en kunstenaars behartigde, werd sinds het aan de macht komen van Hitler in 1933 steeds meer op de leest van de nazi-ideologie geschoeid. Dit betekende onder andere, dat schrijvers die het niet met Hitlers ideeën eens waren, niet langer mochten publiceren.

De boekverbranding op 10 mei 1933.

Op 10 mei 1933 zou er een grote verbranding van hun boeken plaatsvinden. Heinrich Mann zag deze katastrofe aankomen en verliet daarom tijdig Duitsland. Hij adviseert Thomas om voorlopig uit Duitsland weg te blijven.

Dit advies volgt Thomas op en er volgt een leven in ballingschap dat tot zijn dood in 1955 zou duren. Eerst blijft hij enige tijd in Frankrijk, dan woont hij enkele jaren in de buurt van Zürich, in Küsnacht, in Zwitserland. Aanvankelijk onthoudt hij zich nog van openlijk politiek commentaar op de situatie in Duitsland. Hij distantieert zich zelfs, mede op aandringen van zijn uitgever, van het antifascistische tijdschrift Die Sammlung van zijn zoon Klaus.

In 1936 laat hij pas weer duidelijk in politieke zin van zich horen. Dit leidt ertoe dat Duitsland hem het staatsburgerschap en het eredoctoraat van de universiteit van Bonn ontneemt. Hij reageert hierop met zijn Brief an den Dekan der Philosophischen Fakultät in Bonn (1937).

Als hij in 1938 een gastprofessoraat aan de universiteit van Princeton krijgt aangeboden, besluit hij naar de Verenigde Staten te emigreren. Bij zijn aankomst in New York op 21 februari 1938 antwoordt hij tegen de pers op de vraag of hij de emigratie als een grote last ervaart:

It is hard to bear. But what makes it easier is the realization of the poisoned atmosphere in Germany. That makes it easier because it’s actually no loss. Where I am, there is Germany. I carry my German culture in me. I have contact with the world and I do not consider myself fallen.

 

Thomas Manns woning in Californië.

In 1940 verhuist hij naar Pacific Palisades bij Los Angelos en vanaf dat jaar zet hij zich ook volledig in voor de bevrijding van Duitsland en Europa van het nazisme. Beroemd zijn de radiotoespraken Deutsche Hörer die alle via de BBC over Europa en Duitsland werden uitgezonden.

In 1944 wordt Thomas Mann Amerikaans staatsburger.

 

Hier kun je een rede van Thomas Mann uit januari 1943 beluisteren, waarin hij over 10 Jahre Nationalsozialismus spreekt.

 

In 1945 zei hij ter gelegenheid van de bevrijding:

‘Ik zeg: het is ondanks alles een groot moment, de terugkeer van Duitsland tot de humaniteit.’

 

Voor Thomas Mann betekende deze weg een terugkeer naar de humanistische idealen van  Duitse schrijvers als Goethe, Schiller en Heine.

 

 

 

Zeer goede radiouitzending over het leven en werk van Thomas Mann (BrWissen; 20′):

 

 

Joseph und seine Brüder (1926 – 1943)

 

Een bijzondere plaats in zijn oeuvre neemt de meer dan 2000 pagina’s tellende Jozefroman in. In een terugblik schrijft hij:

Ich bin diesem Werke dankbar, das mir Stütze und Stab war auf einem Wege, der oft durch so dunkle Täler führte – Zuflucht, Trost, Heimat, Symbol der Beständigkeit war es mir, Gewähr meines eigenen Beharrens im stürmischen Wechsel der Dinge.

Ik ben dit werk dankbaar dat voor mij steun en toeverlaat was op een weg door vaak diepe dalen – een toevlucht, troost, een tehuis, een symbool van standvastigheid, de borg voor mijn eigen volhouden in de stormachtige maalstroom der dingen …(Vertaling J. K.)

 

Anubis

Onder duidelijke verwijzingen naar Psalm 23 wijst Thomas Mann erop dat dit werk hem de rust gaf, die hij in de onstuimige tijd van na zijn ‘Wandlung’ in 1922 (zijn ‘politieke bekering’) nodig had. De eerste ideeën voor dit werk stammen uit 1922. Het moest impliciet een verslag worden van zijn ‘bekering’ van conservatief nationalist tot overtuigd democraat en aanhanger van de Republiek van Weimar.

Thomas Mann heeft veel onderzoek gedaan voor dit boek. Evenals in zijn andere werken maakt hij veelvuldig gebruik van de (Griekse) mythologie. Wie het Jozefverhaal uit de bijbel (of Koran) niet kent, kan hier zijn kennis opvijzelen en krijgt er een originele versie van voorgeschoteld. Steeds weer duikt de jakhals op in het verhaal over Jakob, de vader van Jozef. Mann legt een verband tussen de Egyptische god met de hondenkop, Anubis, en de god Hermes, de bode van de Griekse goden. Waar deze verschijnen, draait alles om liefde die (zoals in Tod in Venedig) uiteindelijk de dood zal brengen.

In zijn eerdere werken hadden tegen de achtergrond van de Jahrhundertwende en niet in de laatste plaats onder invloed van Nietzsche, irrationele en conservatieve krachten steeds de boventoon gevoerd. Vanaf nu moest het licht over de duisternis gaan heersen, de rede het van de blinde wil gaan winnen en de kuise Jozef-figuur de bandeloze hartstochten beteugelen. Daarvoor viel zijn keuze op een geschiedenis uit de Egyptische wijsheidsliteratuur, zoals in joodse versie terug te vinden in de laatste 25 hoofdstukken van het boek Genesis.

Met woorden uit de geschriften van Nietzsche koos Thomas Mann vanaf nu voor het Apollinische tegen de redeloze drift van de god Dionysos. De grote thema’s uit de mythologie, waar Thomas Mann goed van op de hoogte was, wilde hij redden uit het pseudogermaanse en onredelijke perspectief, waarin de fascistische ‘Dunkelmänner’ het probeerden te plaatsen.

Als kritiek op het sterker wordende fascisme legt hij grote nadruk op het Europese humanistische gedachtegoed dat, zo staat voor hem in elk geval onomstotelijk vast, onmiskenbaar uit de geest van het Jodendom voortvloeit.

 

 

 

 

Mein wildestes Buch: Doktor Faustus (1947)

 

In dit boek zoekt Thomas Mann een verklaring voor wat ten diepste een mysterie voor hem is. Hoe kon in het land van dichters en denkers, van Luther, Goethe, Schiller en Heine, van vele geniale componisten en wetenschappers, zo’n duivelse geest aan de macht komen?

Het model voor een verklaring wordt hem geleverd door Dialektik der Aufklärung van de filosofen Max Horkheimer en Theodor Adorno. De romanhelden uit Doktor Faustus verbeelden de twee krachten, die Thomas Mann in de Duitse cultuur werkzaam zag en die hij ook bij zichzelf ontwaarde en misschien zelfs kenmerkend vond voor het menselijk bestaan in het algemeen.

Aan de ene kant staat de geniale kunstenaar en musicus Adrian Leverkühn, die zoals in de Faust van Goethe zijn ziel aan de duivel verkoopt. Aan de andere kant staat de leraar klassieke talen en geschiedenis Serenus Zeitblom, die het drama van dit leven twee jaar na de dood van zijn vroegere studievriend tussen 1943 en 1945 opschrijft.

In zijn pact met de duivel krijgt Leverkühn de door hem begeerde genialiteit en kan hij zijn muziekkunst tot grote hoogte ontwikkelen, maar wel ten koste van menselijkheid en liefde, hetgeen hem tenslotte slechts krankzinnigheid en lichamelijk verval brengt.

Het gesprek met de duivel (Fragment: Doktor Faustus, Hoofdstuk 25, p. 334 – 341; 7′).

Thomas Mann wil daarmee zeggen dat wie de macht van de Vernunft opgeeft, het risico loopt om slachtoffer te worden van een ongecontroleerd enthousiasme, wiens meester de duivel is, die het irrationele en de onnadenkendheid boven een kritische geest stelt.

Hij noemt zijn boek ‘das wildeste’. Doktor Faustus is één van de meest gecompliceerde romans van Thomas Mann, omdat hij er zoveel in kwijt wil en mee wil verklaren wil. Aanvankelijk dacht hij ook, dat dit zijn laatste roman zou worden.

Maar hierna zouden er nog twee romans volgen: Der Erwählte en Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull. Dit laatste is het mooiste van deze twee en goed te lezen.

Beluister hier de interessante podcast van het DIA, waarin Doktor Faustus wordt voorgesteld. (Door Trixie Hölsgens; taal: NL; 27′.)

 

 

 

Warum ich nicht nach Deutschland zurückkehre

 

 

Thomas Mann in Weimar, 1949

Behalve voor enkele gelegenheidsbezoeken, bijvoorbeeld ter herdenking van de tweehonderdste geboortedag van Goethe (1949), zou Thomas Mann nooit meer terugkeren naar Duitsland.

In een open brief met de titel Warum ich nicht nach Deutschland zurückkehre legt hij hiervan verantwoording af. Niet iedereen is gelukkig met zijn hierin ontvouwde these van de collectieve Duitse schuld.

 

 

Thomas Mann is in 1947 voor een kort bezoek in Nederland:

 

Op 12 augustus 1955 komt er een eind aan het leven van een zeer productieve schrijver. Thomas Mann had zich van meet af aan, veel meer dan zijn oudere en politiek geëngageerde broer Heinrich, studeren en schrijven als doel op zich gesteld. Dit leverde hem naderhand het treffende commentaar op:

Nichts erlebt und fast alles beschrieben.

Met zijn vrouw Katia, is Thomas Mann in Kilchberg bij Zürich begraven.

 

Gutes Deutsch?

Thomas Mann krijgt de Nobelprijs voor literatuur in 1929.

Realisme, ironie, decadentie en pessimisme, hierbij horen de namen van Fontane, Nietzsche en Schopenhauer. Thomas Mann had ze allemaal, evenals veel van zijn tijdgenoten hadden gedaan, nauwkeurig gelezen. Eigenlijk moet Goethe daaraan toegevoegd worden. Thomas Mann wilde een soort Goethe van de twintigste eeuw worden.

De sporen van al deze schrijvers en denkers zijn in zijn werken overal aanwezig. Soms heeft men Thomas Mann het hoogdravende karakter van zijn werk verweten. Dit negatieve aspect zou vooral tot uitdrukking komen in de ellenlange bladzijden met theoretische verhandelingen over diepzinnige thema’s uit de kunst, filosofie en literatuur die in zijn tijd, de tijd van de Jahrhundertwende, druk besproken werden.

Opstellen over zijn werk met titels als Der lange Satz bei Thomas Mann of Schreibt Thomas Mann gutes Deutsch? zeggen in dit verband genoeg.

Misschien kan niet iedereen zijn werk waarderen, maar zeer velen vinden dat je niet om de werken van Thomas Mann heen kunt.

 

 

Katia Mann – een bijzondere vrouw

 

 

Katia Pringsheim (1883 – 1980), de vrouw van Thomas Mann, heeft veel meegemaakt. Zij moet hier genoemd worden, ook al heeft zij in tegenstelling tot de anderen uit de familie Mann nooit geschreven. Zij weigerde het te doen.

Ich habe tatsächlich mein ganzes, allzu langes Leben immer im strikt Privaten gehalten. Nie bin ich hervorgetreten, ich fand, das ziemte sich nicht. Ich sollte immer meine Erinnerungen schreiben. Dazu sage ich: in dieser Familie muss es einen Menschen geben, der nicht schreibt.

Haar memoires zijn op grond van gesprekken door anderen geredigeerd (Katia Mann, Meine ungeschriebenen Memoiren, Frankfurt am Main 1974). Zonder deze praktisch ingestelde en intelligente vrouw had deze familie het nooit zo ver kunnen brengen. Thomas Mann komt in haar herinneringen meer als dromer en een wat wereldvreemde figuur naar voren, zij moet de familie bij elkaar proberen te houden. Zij leert autorijden, hij niet, dat zegt misschien wel genoeg. Dochter Monika Mann oordeelt over haar ouders:

Theoretically he is the head, practically he is the child.

 

 

Heinrich Mann – Literatur und Politik sind nicht zu trennen

 

Literatur und Politik, die beide den Menschen zum Gegenstand haben, sind nicht zu trennen, schreef Heinrich Mann (1871-1950).

 

Heinrich (de broer van Thomas) vond dat schrijvers zich in een verbond tegen de machthebbers moesten keren. Met de machthebbers bedoelde hij vooral het ouderwetse keizerlijke Duitsland van het begin van de vorige eeuw. Met de toenmalige Obrigkeits- und Untertanenstaat wilde hij niets te maken hebben en in satirische geschriften en romans leverde hij felle kritiek op de schijnmoraal van zijn tijd. Zijn grote literaire voorbeelden waren de Franse realisten uit de negentiende eeuw en zijn politieke overtuiging werd gevoed door de idealen van de Franse Revolutie.

Tijdens de Republiek van Weimar zette hij zich uit volle overtuiging in voor een verbond van linkse partijen tegen het opkomende nationaal-socialisme. In 1933 worden zijn boeken verbrand en verboden. Evenals zijn broer Thomas vlucht ook Heinrich Mann naar de Verenigde Staten.

Zijn belangrijkste boeken zijn Professor Unrat uit 1905 en Der Untertan uit het jaar 1916. Heinrich Mann wil met zijn romans de maatschappij analyseren en misstanden bekritiseren. In feite zijn het kleine sociologische studies.

 

 

 

Professor Unrat oder Das Ende eines Tyrannen (1905)

 

 

In dit boek wordt een leraar aan een gymnasium, Professor Raat, door zijn leerlingen Unrat genoemd, verliefd op een eenvoudige zangeres die hij ’s avonds in het geheim in een louche kroeg bezoekt. Hij komt met haar in aanraking via zijn leerlingen, die hij voor onzedelijke misstappen in de avonduren wil behoeden. Als hij zich aan haar bekend maakt als hun leraar en zijn leerlingen strenge straffen in het vooruitzicht stelt, reageert zij: ‘Liebes Gottchen! Sie wollen Wurst machen aus dem Menschen!’ Inderdaad wil Raat van zijn leerlingen goede onderdanen maken.

Maar zelf is hij niet beter dan anderen en blijkt zijn moraal louter schijn. Hij trouwt met dit meisje en dat wordt hem door zijn omgeving niet in dank afgenomen. Dan vervalt hij uit wraak in een tamelijk machteloze rebellie tegen de maatschappij waarvan hij vroeger zelf de exponent was. Uiteindelijk wint de heersende orde en de burgerlijke moraal het van zijn opstandigheid. Raat wordt in verband met diefstal gearresteerd en gevangen genomen.

Dit boek is vooral beroemd geworden door de verfilming ervan onder de titel Der blaue Engel van regisseur Josef von Sternberg met Marlene Dietrich in de rol van zangeres.

 

 

Der Untertan (1914)

Hoofdpersoon uit dit boek is Diederich Heßling. Hij is het typische voorbeeld van de trouwe Duitse onderdaan die naar boven slijmt en naar beneden trapt. Aanvankelijk luidde de ondertitel: ‘Geschichte der öffentlichen Seele unter Wilhelm II.’

Pas na het ineenstorten van het Duitse keizerrijk in 1918 kon dit boek verschijnen. Sommige moderne critici loven dit boek vanwege de vooruitziende blik, waarmee Heinrich Mann de Unmoral van het Nazisme analyseert en ironiseert.

 

Vlucht uit Duitsland

Kort na Hitlers Machtübernahme op 30 januari 1933 wordt Heinrich uit zijn functie als president van de Sektion Dichtkunst der Preußischen Akademie der Künste ontslagen. Hij verlaat Duitsland en vestigt zich in Nice. Als Frankrijk in 1940 onder de voet wordt gelopen door Duitsland vlucht hij uiteindelijk naar Amerika waar hij zich bij zijn broer Thomas in Californië vestigt.

In deze jaren schrijft hij veel boeken, waaronder twee historische romans over de Franse volkskoning Henri IV: Die Jugend des Königs Henri Quatre en Die Vollendung des Königs Henri Quatre. Het eerste boek verschijnt in Amsterdam in 1935 bij uitgeverij Querido, waar in die tijd veel boeken van gevluchte Duitse auteurs uitgegeven werden. Heinrich Mann schetst in deze boeken de goede koning, als voorbeeld van humanistische tolerantie en van inzet voor een verenigd en vreedzaam Europa.

In de Verenigde Staten werkt Heinrich Mann met weinig succes als filmscriptauteur en moet hij zich, om het hoofd boven water te kunnen houden, door zijn jongere broer Thomas financieel en moreel laten ondersteunen. Na de oorlog krijgt hij van de DDR-regering het presidentschap van de nieuw opgerichte Deutsche Akademie der Künste aangeboden. Dit presidentschap aanvaardt hij. Maar voor hij het ambt kan uitoefenen, overlijdt hij in 1950 in Santa Monica. In 1961 wordt hij herbegraven op het Dorotheenstädtischer Friedhof in Oost-Berlijn.

 

 

Erika Mann – Gegen die Barbarei

Erika (1905 – 1969) is het oudste kind van Thomas en Katia Mann. Ze is vooral beroemd vanwege het caberet Die Pfeffermühle. Vanaf februari 1933 probeert zij in München met Die Pfeffermühle de ernstige politieke situatie in Duitsland door middel van chansons, toneel en cabaret onder de aandacht te brengen. Enkele weken na de oprichting ervan emigreert Erika met anderen naar Zwitserland. In Zürich blijft dit overigens ook daar niet onomstreden cabaret tot 1936 met veel succes bestaan.

Na een schandaal worden de voorstellingen elders in Europa voortgezet, waaronder in België en Nederland. Met meer dan duizend optredens, die het cabaret in die jaren in Europa verzorgt, oefent het grote invloed uit.

 

De eveneens uitgeweken joodse schrijver en journalist Joseph Roth zegt over hen:

 

Sie machen zehnmal mehr gegen Barbarei als wir alle Schriftsteller zusammen. (Joseph Roth.)

 

Al tijdens haar gymnasiumtijd krijgt Erika een rol bij het Deutsches Theater van de beroemde regisseur Max Reinhardt in Berlijn aangeboden. In 1925 speelt ze in het eerste stuk van haar broer Klaus Mann, Anja und Esther. Ze speelt daarin, samen met de toneelspeelster Pamela Wedekind – met wie Klaus toendertijd verloofd was – een lesbisch paar.

Het stuk, dat geregisseerd wordt door Erika’s latere echtgenoot Gustaf Gründgens, is een groot succes. Niet alleen vanwege het optreden van de inmiddels bekende Dichterkinder Erika en Klaus Mann, maar zeker ook door het taboe doorbrekende karakter ervan. De homoseksuele liefde werd toen niet openlijk besproken.

 

Programma i.v.m. tentoonstelling over Erika Mann (8′):

 

 

Op de vlucht

Erika Mann en W. H. Auden

Ook alle Dichterkinder wordt tussen 1933 en 1936 de Duitse nationaliteit ontnomen. Erika trouwt met de Engelse schrijver W. H. Auden, die openlijk voor zijn homoseksualiteit uitkomt. Vanaf 1937 leeft Erika in de Verenigde Staten. Als haar ouders haar een jaar later volgen, begeleidt Erika haar vader vanaf die tijd regelmatig op diens voordrachtsreizen. Zij helpt hem zijn teksten te redigeren en in het Engels te vertalen.

Als schrijfster is Erika met name bekend geworden met haar boek over de opvoeding van de jeugd in Nazi-Duitsland. Het boek verschijnt in 1938 eerst in de Verenigde Staten onder de titel School for Barbarians. Education under the Nazis en kort daarop bij de Nederlandse uitgeverij Querido in een Duitstalige uitgave onder de titel Zehn Millionen Kinder. Die Erziehung der Jugend im Dritten Reich.

Vanaf 1943 is Erika Mann oorlogsverslaggeefster voor het Amerikaanse leger en doet zij onder andere verslag van de invasie op het Europese vasteland op 6 juni 1944. In 1945 keert ze terug naar Duitsland om er voor de Londense krant de Evening Standard de Nürnberger Prozesse, het proces tegen hooggeplaatste nazi-misdadigers, te verslaan.

Hier kan je Erika Mann over deze processen horen (5′).

In de jaren vijftig wordt zij door de Amerikaanse geheime Dienst, de FBI, ‘seksueel pervers’ en een ‘actieve agent van de Komintern’ (de communistische Internationale) genoemd. Ze schrijft daarover:

 

Der Nazismus vertrieb mich aus meinem Geburtsland Deutschland, wo ich ziemlich erfolgreich gewesen war; Hitlers wachsender Einfluss in Europa veranlasste mich, den Kontinent zu verlassen; […] und jetzt sehe ich mich – ohne eigenes Verschulden – ruiniert in einem Land, das ich liebe und dessen Staatsbürgerin zu werden ich gehofft hatte.

Het nazisme heeft mij uit mijn geboorteland Duitsland verdreven, waar ik tamelijk succesvol was; Hitlers toenemende invloed dwong mij om het continent te verlaten; […] en nu zie ik mij, zonder eigen toedoen, geruïneerd in een land, dat ik liefheb en waarvan ik gehoopt had staatsburger te kunnen worden.’ (Vertaling J.K.)

 

In de Verenigde Staten heeft ze dan niets meer te zoeken. In 1952 volgt ze haar ouders naar hun vaste woonplaats in Europa. In de daarop volgende jaren tot haar dood in 1969 zet ze zich vooral in voor het beheer van de nalatenschap van haar vader en haar broer Klaus.

 

 

Mein Vater, der Zauberer (postuum, 1996)

Mein Vater, der Zauberer is een brieven- en essayverzameling van Erika Mann die posthuum in 1996 verscheen. In deze verzameling is onder andere de beroemde brief opgenomen waarmee Erika haar vader tot emigratie overreedde.

Beroemd is ook Das letzte Jahr uit 1956, het indringende verslag van de bijzondere vader-dochter relatie die er tussen Thomas en Erika Mann bestond. Erika heeft haar leven sinds haar emigratie bijna geheel in dienst van het werk van haar vader gesteld. De brieven aan hem begint ze steeds met Lieber Zauberer of Lieber Z.

 

 

 

 

Klaus Mann – Lebensmüde

 

Klaus Mann (1906 – 1949) is de eerste van de familie Mann, die na de oorlog naar München terugkeert. Hij schrijft zijn vader na de aanblik van het ouderlijk huis, dat men twaalf jaar daarvoor had moeten verlaten:

Ich hatte mir’s schlimm vorgestellt, aber es war noch schlimmer… Dies kommt nur in bangen Träumen vor.

Voor Klaus wordt het daarna ook steeds moeilijker om zijn plaats in de wereld te hervinden. Na een opeenstapeling van teleurstellingen: de politieke situatie, geldnood, drugsgebruik en een verblijf in een kliniek, maakt hij in 1949 in Cannes, door een overdosis slaaptabletten in te nemen, een eind aan zijn leven.

 

Emigratie

Van jongs af aan had hij een innige band met zijn één jaar oudere zuster Erika, met wie hij ook in het politieke cabaret Die Pfeffermühle actief was. Tussen 1933 en 1935 geeft Klaus Mann bij uitgeverij Querido in Amsterdam het tijdschrift Die Sammlung uit. Hiermee biedt hij gevluchte en verbannen schrijvers een podium om hun teksten te publiceren. Klaus vertrekt in 1936 naar de Verenigde Staten waar hij vooral in New York woont. Hij neemt aan de oorlog deel als soldaat in het Amerikaanse leger en bezoekt Duitsland en Oostenrijk in 1945 als correspondent voor Amerikaanse soldatenkranten.

 

Ruhe gibt es nicht, bis zum Schluss – Der Wendepunkt (1949)

 

In de autobiografie Der Wendepunkt/Het keerpunt (1949), misschien wel het mooiste werk van Klaus Mann, krijg je een indringend beeld van de bewogen en dramatische geschiedenis van een familie op de vlucht voor Hitler. Klaus beschrijft hierin zijn problematische verhouding met zijn vader en vele andere details, die voor een goed begrip van het leven van deze amazing family van belang zijn.

Tot zijn bekendste werken behoren de vroege autobiografie Kind dieser Zeit (1932), de romans Flucht in den Norden (1934), Mephisto, Roman einer Karriere (1936) en Der Vulkan (1939). Vooral Mephisto is erg bekend geworden door de spannende verfilming ervan uit 1982.

 

Vergittertes Fenster

Interessant hoorspel van Klaus Mann over de laatste dagen van Ludwig II von Bayern (br2, 50′):

 

Mephisto, Roman einer Karriere (1936)

 

Alle Fehler des Menschen verzeih’ ich dem Schauspieler, keine Fehler des Schauspielers verzeih’ ich dem Menschen. (Goethe, Wilhelm Meister)

Een toneelspeler vergeef ik alle menselijke fouten, maar de mens vergeef ik de fouten van een toneelspeler niet. (Vert. JK)

 

Met dit Goethe-citaat opent de roman Mephisto, Roman einer Karriere. Hoofdpersoon is de toneelspeler Hendrik Höfgen, die in de tijd van het nazi-regime zijn idealen opgeeft om niet ontslagen te worden. Vooral zijn rol van Mephisto in Goethes Faust speelt hij meesterlijk en bevalt de nieuwe machthebbers.

De overeenkomsten tussen zijn eigen rol ten tijde van het nazi-regime en de tragische Faust-figuur bij Goethe zijn duidelijk. Het is de Duitse censuur ook niet ontgaan dat Klaus Mann in dit boek de onkritische en gewillige helpers van het duivelse Hitler-regime op de korrel wilde nemen.

 

 

Tot ver in de jaren tachtig van de vorige eeuw kon het boek niet bij een West-Duitse uitgever verschijnen. In 1956 verscheen het wel in de DDR en in 1963 wilde ook een West-Duitse uitgever het publiceren. Maar erfgenamen van Gustaf Gründgens, de vroegere geliefde van Erika Mann, hadden in de hoofdpersoon Höfgen, Gustaf duidelijk herkend. Het proces, ook wel het Duell der Toten genoemd, sleepte zich jarenlang voort.

Pas in 1981 kon het bij een West-Duitse uitgever worden gepubliceerd. Bij Querido in Amsterdam was het in 1936 wel uitgegeven. Klaus Mann had in een telegram aan de redactie van het Pariser Tageblatt in juni 1936 om een publicatieverbod te voorkomen al geschreven:

 

Nein, mein Mephisto ist nicht dieser oder jener. In ihm fließen vielerlei ‘Züge’ zusammen. Hier handelt es sich um kein ‘Porträt’, sondern um einen symbolischen Typus – der Leser wird beurteilen, ob auch um einen lebensvollen, dichterisch geschauten und gestalteten Menschen.

Nee, mijn Mephisto is niet deze of gene. Vele ‘trekken’ komen in hem samen. Het gaat hier niet om een portret van één iemand, maar om een menstype dat ergens voor staat – de lezer moet maar uitmaken of het gaat om een levensecht, naar de ideeën van een schrijver gevormd mens. (Vert. JK.)

 

Over zijn bedoelingen met de roman schrijft hij:

Dieses Buch ist nicht gegen einen Bestimmten geschrieben; vielmehr: gegen ‘den’ Karrieristen; gegen ‘den’ deutschen Intellektuellen, der den Geist verkauft und verraten hat. Dass er begabt ist, macht die Sache erst doppelt arg. Höfgen — der ‘Typ’ Höfgen, das ‘Symbol’ Höfgen — stellt der ruchlosen, blutbefleckten Macht ein großes Talent zur Verfügung. Für die propagandistischen Zwecke eines infernalischen ‘totalen Staates’ lässt er zynisch etwas missbrauchen, was fast Genie sein könnte, wenn es nur moralisch von einer reineren Substanz wäre.

Dit boek is niet tegen een bepaald iemand geschreven; maar veelmeer tegen de carrièremaker; tegen de Duitse intellectueel, die zijn intellect verkwanseld heeft. Dat hij talent heeft, maakt de zaak alleen maar erger. Höfgen, het type Höfgen, het symbool Höfgen – stelt zijn grote talent ter beschikking aan een gewetenloze en bloedbevlekte macht. Hij laat zich voor propagandistische doeleinden door een duivelse totale staat op cynische wijze misbruiken. Hij had een genie kunnen heten, als hij zich aan zijn morele principes had gehouden. (Vert. JK.)

 

Mephisto, film-fragment, waarin Hendrik Höfgen (gespeeld door Klaus Maria Brandauer) de rol van Mephisto vertolkt (3′):

 

 

Golo Mann – Briljant historicus

Golo – eigenlijk Gottfried – Mann (1909 – 1994) is het derde van zes kinderen van Thomas en Katia Mann. Na het gymnasium studeert hij filosofie en promoveert in 1932. Een jaar later emigreert ook hij, eerst naar Frankrijk, later naar Zwitserland. In 1940 vlucht hij samen met zijn oom Heinrich Mann naar de Verenigde Staten waar hij tussen 1942 en 1958 professoraten aan Amerikaanse universiteiten heeft. Na 1958 verblijft Golo Mann steeds in Europa waar hij aan verschillende universiteiten professor voor geschiedenis is.

Bekend wordt Golo Mann bij een breder publiek door zijn televisieoptredens en zijn biografieën over grote historische figuren zoals over de veldheer Wallenstein uit de Dertigjarige Oorlog (1618 – 1648) en de Duitse keizer Wilhelm II.

Andere belangrijke historische werken van Golo Mann zijn Deutsche Geschichte des 19. und 20. Jahrhunderts en Von Weimar nach Bonn, werken waarin hij de geschiedenis van Duitsland in een brede historische context weet te plaatsen. Zonder meer lezenswaardig is ook zijn autobiografie Erinnerungen und Gedanken. Eine Jugend in Deutschland (1986).

 

 

Monika en Elisabeth – Elk een eigen weg

Tot slot moeten hier nog de andere twee dochters van Thomas kort genoemd worden: Monika en Elisabeth. Monika schrijft over de relatie met haar vader:

Der ewige Kampf um das Gelingen – um jene Selbstbefreiung –, das inständig ichwärts gekehrte väterliche Wesen wirkte einschüchternd, ja beklemmend auf uns und gewährte zugleich eine große Freiheit.

Nadat haar man bij een ongeluk om het leven gekomen is, woont zij eerst bij haar ouders in de VS, later woont zij op Capri samen met een visser. Vanaf 1985 leeft zij met haar broer Golo in Kilchberg. Zij sterft in 1992.

Het meest haar eigen weg gaat Elisabeth Mann. Zij wordt hoogleraar en zet zich in voor het behoud van de oceaan. Zij is lid van de club van Rome. In 2002 sterft zij in Zwitserland. Een heel mooi en goed leesbaar boekje over deze bijzondere vrouw is van Kerstin Holzer, Elisabeth Mann-Borgese.

 

 

 

 

Michael Mann – Beroemd violist en Germanist

Michael Mann (1919 – 1977) is Thomas Manns jongste zoon en wordt een beroemd violist. Plotseling echter breekt hij zijn carrière op veertigjarige leeftijd af om literatuurwetenschap te gaan studeren. ‘Waarom zou ik de mensen muziek voorspelen, die zij toch niet zo graag horen’, zo zegt zijn moeder over hem in haar memoires. Michael werkt later als wetenschappelijk medewerker aan het German Department van de University of California in Berkeley.

In 1975 leest hij beroepshalve de dagboeken van zijn vader, die in dat jaar zijn vrijgegeven. Als hij de persoonlijke ontboezemingen van zijn vader over hem leest, grijpt hem dat allemaal waarschijnlijk zo aan, dat hij steeds depressiever wordt. Begin 1977 sterft hij aan het gebruik van drugs en alcohol – als het niet zo tragisch was, zou je nuchter opmerken dat het geheel in de traditie van de familie Mann was.

 

 

De volgende generatie: Frido Mann

De jongste zoon van Thomas, Michael Mann, had drie kinderen, waarvan Frido de bekendste is. Men zegt ook wel, dat de kleine Frido model heeft gestaan voor de figuur van Echo in de roman Doktor Faustus. Frido is later hoogleraar psychologie aan de universiteit van Münster geworden.

 

In een radio-uitzending spreekt hij openhartig en vol bewondering over zijn grootvader:

 

Reich-Ranicki over de familie Mann (Lauter schwierige Patienten; 2001; 60′.)