Goethe: Mailied / Prometheus

Mailied

“Alleen wie de natuur serieus neemt en volgt, kan goede literatuur schrijven. Ware literaire kunst komt voort uit een bijna bovenmenselijke, geniale scheppingsdrang van de individuele dichter. ” – dat waren de opvatting van de dichters uit de Sturm und Drang periode. Goethe schrijft zijn Mailied in 1771, als hij innig verliefd is op Friederike Brion. In dit gedicht wordt de nauwe samenhang tussen liefde en natuur in de vorm van een volkslied bezongen.

Deze hymne betekent een directe breuk met de vroegere dichtkunst uit de tijd van de Barok. De spanning tussen menselijke vergankelijkheid en de belofte van een eeuwig hiernamaals, maakt nu plaats voor de intense expressie van menselijke gevoelens als bijna goddelijke gave. Liefde, lente, de roes van wijn en vriendschap zijn vanaf nu de centrale thema’s in de literatuur.

Mailied – Johann Wolfgang von Goethe

Wie herrlich leuchtet
Mir die Natur!
Wie glänzt die Sonne!
Wie lacht die Flur!

Es dringen Blüten
Aus jedem Zweig
Und tausend Stimmen
Aus dem Gesträuch,

Und Freud und Wonne
Aus jeder Brust.
O Erd, o Sonne!
O Glück, o Lust!

O Lieb, o Liebe,
So golden schön,
Wie Morgenwolken
Auf jenen Höhn!

Du segnest herrlich
Das frische Feld,
Im Blütendampfe
Die volle Welt.

O Mädchen, Mädchen,
Wie lieb ich dich!
Wie blickt dein Auge!
Wie liebst du mich!

So liebt die Lerche
Gesang und Luft,
Und Morgenblumen
Den Himmelsduft.

Wie ich dich liebe
Mit warmem Blut,
Die du mir Jugend
Und Freud und Mut

Zu neuen Liedern
Und Tänzen gibst.
Sei ewig glücklich,
Wie du mich liebst!

Prometheus

Prometheus was een Griekse halfgod die het vuur van de goden had gestolen en zich zelf als schepper zag. Daarvoor werd hij door de goden gestraft. Hij werd aan de Kaukasus vastgeketend waar een adelaar hem dagelijks zijn lever uitpikte. Die lever groeide steeds weer aan. Zoals Prometheus het vuur van de goden steelt en zelf als schepper wordt voorgesteld, zo beschouwt de dichter Goethe zich nu als een bevrijder uit knellende en verouderde sociale banden. De mens neemt het heft nu pas goed in eigen hand. Als een genie schept hij, verbonden met god en natuur, zijn eigen wereld. Lees hier meer over de mythe over Prometheus

 

 

Bedecke deinen Himmel, Zeus,
Mit Wolkendunst!
Und übe, Knaben gleich,
Der Disteln köpft,
An Eichen dich und Bergeshöhn!
Mußt mir meine Erde
Doch lassen stehn,
Und meine Hütte,
Die du nicht gebaut,
Und meinen Herd,
Um dessen Glut
Du mich beneidest.Ich kenne nichts Ärmeres
Unter der Sonn als euch Götter.
Ihr nähret kümmerlich
Von Opfersteuern
Und Gebetshauch
Eure Majestät
Und darbtet, wären
Nicht Kinder und Bettler
Hoffnungsvolle Toren.Da ich ein Kind war,
Nicht wußte, wo aus, wo ein,
Kehrte mein verirrtes Aug
Zur Sonne, als wenn drüber wär
Ein Ohr zu hören meine Klage,
Ein Herz wie meins,
Sich des Bedrängten zu erbarmen.Wer half mir wider
Der Titanen Übermut?
Wer rettete vom Tode mich,
Von Sklaverei?
Hast du’s nicht alles selbst vollendet,
Heilig glühend Herz?
Und glühtest, jung und gut,
Betrogen, Rettungsdank
Dem Schlafenden dadroben?Ich dich ehren? Wofür?
Hast du die Schmerzen gelindert
Je des Beladenen?
Hast du die Tränen gestillet
Je des Geängsteten?

Hat nicht mich zum Manne geschmiedet
Die allmächtige Zeit
Und das ewige Schicksal,
Meine Herren und deine?

Wähntest du etwa,
Ich sollte das Leben hassen,
In Wüsten fliehn,
Weil nicht alle Knabenmorgen-
Blütenträume reiften?

Hier sitz ich, forme Menschen
Nach meinem Bilde,
Ein Geschlecht, das mir gleich sei,
Zu leiden, weinen,
Genießen und zu freuen sich,
Und dein nicht zu achten,
Wie ich.

Bedek je hemel, Zeus,
met wolkennevels!
En oefen je, net als een knaap
die distels knakt,
aan eiken en aan bergtoppen!
Moest mij mijn aarde
toch laten staan,
en mijn hut,
die jij niet hebt gebouwd,
en mijn haard,
om de gloed waarvan
jij mij benijdt.Ik ken niets armzaligers
onder de zon dan jullie goden.
Jullie voeden kommerlijk
met offeranden
en gebedszwemen
jullie majesteit
Jullie zouden hongeren,
waren niet kinderen en bedelaars
dwazen vol goede hoop.Toen ik een kind was,
niet wist waarheen en waar naartoe,
wendde ik mijn verdwaalde oog
naar de zon, als ware daarboven
een oor om mijn klagen te horen,
een hart zoals het mijne,
dat zich over deze benauwde ontfermt.Wie hielp mij tegen
de overmoed der Titanen?
Wie redde mij van de dood,
van slavernij?
Heb jij niet alles zelf voltooid,
heilig gloeiend hart?
En gloeide, jong en goed,
bedrogen, als redding
voor de slapenden daar boven?Ik jou eren? Waarvoor?
Heb jij ooit de pijnen gelenigd
van de belaste?
Heb jij ooit de tranen gedroogd
van de angstige?

Heeft niet mij tot een man gesmeed
de almachtige tijd
en het eeuwige noodlot,
mijn heersers en de jouwe?

Dacht jij soms,
ik zou het leven haten,
in woestenijen vluchten,
omdat niet al mijn jongensdromen
zouden uitkomen?

Hier zit ik, vorm mensen
naar mijn evenbeeld,
een geslacht, dat net als ik ben,
dat lijdt en weent,
geniet en blij is,
en jou geen aandacht schenkt
net zo min als ik.

(Vertaling Erwin de Vries)