8. Klassiek (1786 – 1805)

Die Weimarer Klassik

Het beroemdste standbeeld van Goethe en Schiller. Ze werden in 1857 door de beeldhouwer Ernst Rietschel vereeuwigd voor het Nationaltheater van Weimar. Het standbeeld is historisch niet erg correct: De kleding die zij dragen is uit de tijd van 1857 en anders dan in de werkelijkheid zijn de dichters hier even groot. En ze kijken ook nog eens allebei een andere kant op…

De Klassik is in Duitsland verbonden met de namen van twee stadjes en met de namen van twee grote schrijvers. De stad Weimar, het regeringscentrum, is verbonden met de schrijver Johan Wolfgang Goethe (1749-1832) en Jena met de naam van de dichter en professor voor geschiedenis: Friedrich Schiller (1759-1805). De periode van hun vriendschap werd als hoogtepunt van een literaire ontwikkeling beschouwd en spoedig als ‘klassiek’ bestempeld. De plaats Weimar, waar zich een groot deel van de toenmalige Duitse intelligentsia had gevestigd, werd wel het Athene van Duitsland genoemd. De vriendschap tussen Goethe en Schiller bestond vanaf 1794 en duurde tot de dood van Schiller in 1805. Voordat zij bevriend raakten, waren beide schrijvers elk afzonderlijk al erg beroemd geworden in hun Sturm und Drang-tijd.

Met een classicus bedoelen we in het Nederlands iemand die Klassieke Talen, Grieks en Latijn, heeft gestudeerd. In het Latijn werd het woord classicus oorspronkelijk gebruikt voor iemand die tot de hoogste inkomensgroep behoorde. Classicus kreeg ook de betekenis van eersterangs of voorbeeldig. Aanvankelijk sloeg de term klassiek op de voorbeeldfunctie die de auteurs uit de Klassieke Oudheid hadden voor de literatuur. Later werd klassiek ook wel in algemene zin gebruikt voor een nationale bloeitijd van hoogstaande literatuur. Meestal werd er in zo’n bloeiperiode dan teruggegrepen op de literatuur van de Klassieke Oudheid, soms via de cultuur van de Renaissance, als voorbeelden, waarbij welbewust de tijd van de Middeleeuwen werd overgeslagen.
Duitse geschiedenis:  Meer info over wat er in Duitsland in deze tijd gebeurde. Klik hier voor achtergrondinformatie

Weimar en Goethes Italiaanse reis

Goethe moet naar Weimar komen!

Dat wilde althans de nog jeugdige hertog Carl August, die op achttienjarige leeftijd de regeringsverantwoordelijkheid van zijn moeder, hertogin Anna Amalia, overnam. Goethe was in Duitsland beroemd geworden door zijn briefroman Die Leiden des jungen Werthers (1774). Weimar stelde, zoals zovele kleine Duitse stadjes en staatjes in die tijd, in politiek en economisch opzicht niet erg veel voor. Maar de hertog en de hertogin wilden zich door kunstenaars en wetenschappers laten omringen en van hun hof een centrum van progressieve cultuur maken. Goethe had in 1776 besloten om op hun uitnodiging in te gaan. Vanaf 1779 was hij minister in Weimar. Hij hield zich hier niet alleen bezig met zaken rond het theater in Weimar, maar onder andere ook met de staatsfinanciën, de mijnbouw en het leger. De dagelijkse beslommeringen ging deze vroegere Stürmer und Dränger in de loop der jaren steeds meer als dwang ervaren. Gedichten schreef hij nog wel maar grotere projecten zoals toneelstukken of de Faust, bleven onafgemaakt liggen. Daarom vroeg hij verlof. Uit zijn brieven blijkt, dat het niet makkelijk was om zich uit het sociale leven in Weimar terug te trekken. Klik hier voor de special over het leven van Goethe

Een van de bekendste portretten van Goethe: Goethe in der Campagna (Campagna = Italiaans voor het platteland). Geschilderd door Johann Heinrich Wilhelm Tischbein (ca. 1787).

‘Om drie uur ’s nachts verliet ik stilletjes Karlsbad, anders had men mij niet laten gaan’ (Italienische Reise, 3 september 1786). Dan begint voor Goethe de Grand Tour naar Italië. Aanvankelijk zou hij enkele maanden wegblijven, maar diep onder de indruk van al het schone dat hij daar uit de tijd van de Klassieke Oudheid aantreft, duurt zijn eerste reis naar Italië anderhalf jaar.
In 1790 reist hij voor een tweede keer naar Italië. Dat Goethe zich in Rome niet alleen door hoogstaande cultuur en schone kunsten liet imponeren, blijkt wel uit de gedichten die hij aanvankelijk onder ‘erotica romana’ wilde uitgeven:

Froh empfind ich mich nun auf klassischem Boden begeistert,
Vor- und Mitwelt spricht lauter und reizender mir.
Hier befolg ich den Rat, durchblättre die Werke der Alten
Mit geschäftiger Hand, täglich mit neuem Genuß.
Aber die Nächte hindurch hält Amor mich anders beschäftigt;
Werd ich auch halb nur gelehrt, bin ich doch doppelt beglückt.
Und belehr ich mich nicht, indem ich des lieblichen Busens
Formen spähe, die Hand leite die Hüften hinab?Vertaling:Opgewekt voel ik mij nu, begeesterd door zoveel klassieks om mij heen,
Verleden en heden zetten mij aan tot nieuwe dingen.
Hier volg ik het advies, ik bestudeer dagelijks
met nieuw enthousiasme en vol ijver de klassieke werken.
Maar ’s nachts houdt Amor mij op andere wijze bezig;
al word ik dan half zo geleerd, ik word tweekeer zo gelukkig.
En steek ik niets op, als ik de vormen van een lieftallige borst
bespied en mijn hand de heupen betast?(Römische Elegien VI; Goethe Werke, Darmstadt 1998, blz 89) De Elegien werden in 1795 voor het eerst gedrukt in Schillers tijdschrift ‘Die Horen’. Vertaling Jos Kleemans.

Op zijn reis naar het oude Rome heeft Goethe zijn evenwicht hervonden. Tegenover de hertog Carl August bekende hij voortaan het liefst als kunstenaar te willen werken. Met regeringszaken hield hij zich na zijn terugkeer in Weimar dan ook alleen nog bezig, als hij daartoe speciale opdrachten kreeg. Intussen kon hij zich dan, net als een kunstenaar uit de klassieke oudheid, volledig concentreren op wat hij als zijn eigenlijke opdracht beschouwde: natuur en kunst. Goethe legde zijn kunstopvatting kernachtig vast met de regels: In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister, Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben‘ (Uit het gedicht ‘Natur und Kunst’ van J.W. Goethe, 1802. Voor het eerst gedrukt in 1818:

Natur und Kunst – Goethe

Natur und Kunst, sie scheinen sich zu fliehen,
Und haben sich, eh’ man es denkt, gefunden;
Der Widerwille ist auch mir verschwunden,
Und beide scheinen gleich mich anzuziehen.

Es gilt wohl nur ein redliches Bemühen!
Und wenn wir erst in abgemeßnen Stunden
Mit Geist und Fleiß uns an die Kunst gebunden,
Mag frei Natur im Herzen wieder glühen.

So ist’s mit aller Bildung auch beschaffen:
Vergebens werden ungebundne Geister
Nach der Vollendung reiner Höhe streben.

Wer Großes will, muß sich zusammen raffen;
In der Beschränkung zeigt sich erst der Meister,
Und das Gesetz nur kann uns Freiheit geben.

 

Opvoeding door kunst en literatuur

Weimar mag dan wat achteraf in Midden-Europa gelegen zijn, de Franse Revolutie en de bloedige nasleep ervan bleven er niet onopgemerkt. Friedrich Schiller, sinds 1789 professor voor het vak geschiedenis in Jena (vlakbij Weimar), keurde het bloedige verloop van de Franse Revolutie resoluut af. De staat heeft andere instrumenten nodig om de op zich goede ideeën van de Verlichting en van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid, broederschap – te kunnen realiseren, vond hij.

Schiller geloofde in opvoeding of liever, in een degelijke vorming (Bildung) van alle staatburgers. De kern van deze opvoeding zag hij, evenals Goethe, in het klassieke schoonheidsideaal. Een intensieve omgang met de kunst en de literatuur van de klassieke oudheid, zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan de verbetering van de samenleving.

De toneelstukken, die Goethe en Schiller in deze tijd schreven, stonden dan ook in dienst van het uitdragen van de idee van de humaniteit en vrijheid. Toneel beschouwden zij als scholing in praktische wijsheid en als richtingwijzer voor de verlichte burger, die hier meer kon leren dan via wetgeving of religie mogelijk was. De ‘jonge wilden’ zoals Goethe en Schiller uit de Sturm und Drang-tijd wel werden genoemd, lijken in Weimar hun wildste haren te hebben verloren. In plaats van de eenzijdige nadruk op vrijheid en gevoel, komt een streven naar harmonie tussen verstand én gevoel, zelfontplooiing én zelfbeschikking, plicht én vrijheid in dienst van ware menselijkheid naar Grieks voorbeeld, gekenmerkt door het streven naar kennis van het Goede, het Ware en het Schone. In Goethe’s Iphigenie auf Tauris breekt Iphigeneia met ‘het oude lied’, waarin de willekeur en wreedheid van de goden nog bezongen wordt. In plaats daarvan vertegenwoordigt Iphigeneia goedheid, recht en mildheid. Zo wordt Iphigeneia als ‘reine Seele’ tot voorbeeld voor een nieuwe humaniteit. Goethe speelde zelf in 1779 in een allereerste versie van dit stuk de rol van Orestes.

Samenwerking Goethe en Schiller

‘Wie niet bemint en nooit eens dwaalt, laat hij zich toch begraven’, zegt Goethe. Regelmatig reisde Goethe naar Jena om er met zijn vriend Schiller samen te werken. Tijdens de maaltijden bedachten zij hun 926 Xenien. In het oude Griekenland gaf men zijn gasten gewoonlijk een geschenk onder het zeggen van een korte spreuk (in een vaste vorm: distichon met hexameters en pentameters; xenos betekent: vreemde, gast). Beide vrienden namen in de Xenien hun tijdgenoten en literaire tegenstanders in een vaak scherpe satirische toon op de hak. Dat zij hierbij graag een glaasje dronken, blijkt wel uit de brieven aan zijn vrouw, waarin Goethe menigmaal schreef: ‘stuur mij nog wat flesjes Port en Madeira …’ (zomer 1792).

Ondanks de ernst van de eigenlijke thema’s, zouden vele citaten uit hun toneelstukken en ballades in teksten van de moderne hip hop-scene niet misstaan. Er valt ook regelmatig heel wat te lachen om het werk van beide heren. Schiller schreef in deze periode naast ballades vooral werken met historische thema’s zoals: Maria Stuart (1800), Die Jungfrau von Orleans (1801) en
Wilhelm Tell (1804). Goethe werkte onder andere aan Egmont (1787), Iphigenie auf Tauris (1786 – 1788) en sloot eindelijk zijn Faust, Tragödie erster Teil in 1806 af.

Friedrich Schiller

Schiller verhuisde in 1787 naar Weimar. Hier ontmoette hij Goethe een enkele keer, maar van vriendschap was aanvankelijk nog geen sprake. In 1789 werd hij professor voor geschiedenis en filosofie in Jena. Evenals Goethe bleef Schiller de idealen van de Franse Revolutie – vrijheid, gelijkheid, broederschap – trouw, maar met het bloedige verloop van deze revolutie kon hij niet instemmen. In de politiek turbulente tijd kon hij zich in het naar verhouding rustige Weimar aan kunst en wetenschap wijden.Van grote invloed op hem waren de studie van de werken van de Duitse filosoof Immanuel Kant (1724-1804) en de briefwisseling met de Berlijnse hoogleraar Wilhelm von Humboldt (1767-1835) over kunst en opvoeding.

De vriendschap met Goethe dateert van 1794. Hun directe samenwerking komt tot uitdrukking in de bijdrages aan tijdschiften als ‘die Horen’ (naar de Griekse goden voor de jaargetijden ‘Horai’ genoemd) en de ‘Xenien-Almanach’, waarin tijdgenoten op scherpe toon om hun burgerlijke ideeën bekritiseerd worden. In 1799 verhuist Schiller definitief naar Weimar. Ondanks een tamelijk ernstige longziekte weet hij ook in de laatste jaren van zijn leven veel te publiceren. Voor zijn toneelstukken kiest hij vooral historische thema’s, waarvan Wilhelm Tell (1804) misschien nog wel het bekendste is. In 1805 sterft Schiller aan een longontsteking.

Schillers Wilhelm Tell

In Interlaken wordt jaarlijks gedurende de zomermaanden de Wilhelm Tell in een min of meer realistische setting opgevoerd tijdens de Tellspiele.

Kort voor zijn dood in 1804 voltooide Friedrich Schiller het toneelstuk Wilhelm Tell, de vrijheidsstrijder en de nationale volksheld van de Zwitsers. Schiller was zelf nooit in Zwitserland geweest, maar hij kende het land alleen uit de verhalen van Goethe, die er in de jaren 1775 en 1779 een reis naartoe had gemaakt. Ondanks dat is de ‘Wilhelm Tell’ toch het nationale epos van de Zwitsers geworden.

Wilhem Tell komt samen met een aantal gezworenen – de Eidgenossen – in opstand tegen de Habsburgse keizer (het verhaal speelt rond 1300), die in Zwitserland vertegenwoordigd wordt door de landvoogd Gessler. Gessler dwingt de Zwitsers een hoed die symbool voor hemzelf staat, te groeten en de Zwitsers ervaren dit als een vernedering. Als Tell weigert de hoed te groeten, neemt Gessler zijn zoontje als gijzelaar. Gessler dwingt Tell om met een handboog een appel van het hoofd van zijn zoontje te schieten. Nadat hem dit gelukt is, vuurt Tell ook een pijl op Gessler af en vermoordt hem. Het Zwitserse volk verklaart zich hierop onafhankelijk.

Naast de appelscène is voor de ZwitSers de zogenaamde Rütlischwur van belang. Op de Rütliwiese, hoog in de bergen in de buurt van Luzern, zouden vertegenwoordigers van de drie Urkantone van Zwitserland – Schwyz, Uri en Unterwalden – elkaar een eed van trouw in hun strijd voor onafhankelijkheid hebben gezworen. Bij Schiller is te lezen:

Rösselmann:
Bei diesem Licht, das uns zuerst begrüsst
Von allen Völkern, die tief unter uns
Schweratmend wohnen in dem Qualm der Städte,
Lasst uns den Eid des neuen Bundes schwören.
– Wir wollen sein ein einzig Volk von Brüdern,
In keiner Not uns trennen und Gefahr.Alle sprechen es nach mit erhobenen drei Fingern.– Wir wollen frei sein wie die Väter waren,
Eher den Tod, als in der Knechtschaft leben.Wie oben.– Wir wollen trauen auf den höchsten Gott
Und uns nicht fürchten vor der Macht der Menschen.Wie oben. Die Landleute umarmen einander.(Schiller, Wilhelm Tell, 2. Aufzug, 2. Szene)

 

Beroemde balladen van Goethe en Schiller

Een ballade is een gedicht met epische (verhalende) en dramatische elementen met vaak een tragische afloop. Goethe geeft in zijn ballades de voorkeur aan de verhouding tussen mens en natuur (denk aan zijn Erlkönig of aan der Zauberlehrling). Schiller kiest vaak filosofische thema’s voor zijn gedichten waarin een bepaalde hoogstaande morele idee wordt behandeld. In der Handschuh bijvoorbeeld staat liefdeloosheid centraal. Bekijk / beluister hier Der Handschuh en der Zauberlehrling [openen in een nieuw scherm]

Goethes levenswerk: Faust

Eugène Delacroix (1798-1863), Méphistophélès dans les airs, 1828.

Je zou kunnen zeggen dat wat de ‘Ilias’ en de ‘Odyssee’ van Homeros voor het Grieks zijn, het Faust-drama van Goethe voor het Duits is. Het thema stamt uit de 16e eeuw. Een man sluit een verbond met de duivel, Mephistopheles, niet om rijkdom te vergaren maar om kennis en inzicht te verwerven. Zie ook de Dr. Faustus in de late middeleeuwen.

Een Duits volksboek over Faust uit 1587 komt in Engeland terecht. Daar wordt het bewerkt door de toneelschrijver Christopher Marlowe. Zijn bewerking ligt ten grondslag aan uitvoeringen van rondreizende toneelgezelschappen in Duitsland. Goethe schrijft dat hij in zijn jeugd met het Faust-thema in aanraking kwam via een poppenspel. Geheel in de geest van zijn tijd herdicht Goethe dit thema tot een groot epos over de mens op zoek naar kennis en vrijheid. Vrijwel zijn gehele leven is Goethe met het Faust-verhaal, bezig geweest. Uiteindelijk verscheen van hem Urfaust, Faust I en Faust II. Goethes Faust wordt nog regelmatig opgevoerd.

Faust I

Na de Prolog im Himmel – waarin God en de gevallen engel (= duivel) Mephistopheles strijden om de vraag of de mens nu tot het goede of het kwade geneigd is – treffen we de wetenschapper Faust aan in de nacht. Hij is vertwijfeld over zijn ontoereikende kennis.

Faust:
Habe nun, ach! Philosophie,
Juristerey und Medicin,
Und leider auch Theologie!
Durchaus studirt, mit heißem Bemühn.
Da steh ich nun, ich armer Thor!
Und bin so klug als wie zuvor;
Heiße Magister, heiße Doctor gar,
Und ziehe schon an die zehen Jahr’
Herauf, herab und quer und krumm,
Meine Schüler an der Nase herum –
Und sehe, daß wir nichts wissen können!
Das will mir schier das Herz verbrennen.
Zwar bin ich gescheidter als alle die Laffen,
Doctoren, Magister, Schreiber und Pfaffen;
Mich plagen keine Scrupel noch Zweifel,
Fürchte mich weder vor Hölle noch Teufel –
Dafür ist mir auch alle Freud’ entrissen,
Bilde mir nicht ein, was rechts zu wissen,
Bilde mir nicht ein, ich könnte was lehren,
Die Menschen zu bessern und zu bekehren.
Auch hab’ ich weder Gut noch Geld,
Noch Ehr’ und Herrlichkeit der Welt.
Es möchte kein Hund so länger leben!
Drum hab’ ich mich der Magie ergeben,
Ob mir, durch Geistes Kraft und Mund
Nicht manch Geheimniß würde kund;
Daß ich nicht mehr, mit saurem Schweiß,
Zu sagen brauche, was ich nicht weiß;
Daß ich erkenne, was die Welt
Im Innersten zusammen hält,
Schau’ alle Wirkenskraft und Samen,
Und thu’ nicht mehr in Worten kramen.(Faust I, 354-385)
Faust:
Nu heb ik filosofie,
rechten en medicijnen en, o spijt,
daarnaast ook nog theologie
lang gestudeerd met noeste vlijt.
Hier sta ik nu, ik arme dwaas!
niets wijzer dan ik was, helaas.
Ik ben magister, doctor bovendien,
en houd nu al zo’n jaar of tien
bij hoog en laag, van vroeg tot laat
al mijn studenten aan de praat –
beseffend niets te kunnen weten!
Dat heeft zich in mijn hart gevreten.
Wel ben ik wijzer dan al die papen,
doctoren, magisters en dat soort knapen,
‘k word niet gekweld door vrome twijfel,
ben ook niet bang voor hel of duivel –
Maar toch, mijn vreugde is gevlogen:
geen kennis waar ik op kan bogen,
geen mens die ik iets heb te leren
of tot iets hogers kan bekeren.
Ook heb ik nergens geld of goed,
niemand die mij met eerbied groet.
Geen hond die zo zou willen leven!
Dat heeft mij tot de magie gedreven:
Wie weet, als ik naar geesten luister
komt eindelijk meer licht in ’t duister.
Dan hoef ik niet meer, klam van ’t zweet,
te beweren dat ik zelf niet weet
maar krijg te zien welk krachtenspel
ten grondslag ligt aan dit bestel,
‘k doorgrond de zaden en het rijpen
en hoef niet steeds naar ’t woord te grijpen.
(Vertaling: Johann Wolfgang Goethe, Faust, Een tragedie, vertaald door Ard Posthuma, Amsterdam 2001, p. 29v)

Nadat Faust bekend heeft, dat hij met al dat studeren en getob, waarin hij op zoek was naar de hoogst mogelijke kennis omtrent mens en wereld, weinig opgeschoten is, glipt een hondje, een poedel, met hem zijn studeerkamer binnen:

 

Origineel

Faust:
Das also war des Pudels Kern!
Ein fahrender Skolast? Der Kasus macht mich lachen.

Mephistopheles:
Ich salutiere den gelehrten Herrn!
Ihr habt mich weidlich schwitzen machen.

Faust:
Wie nennst du dich?

(…)

Mephistopheles:
Ich bin der Geist, der stets verneint!
Und das mit Recht; denn alles, was entsteht,
Ist wert, daß es zugrunde geht.

(Faust I, 1323-1327 und 1338-1340)

Vertaling

Faust:
Dat was de kern van onze poedel dus!
Een rondreizend student! Dat noem ik pas een goeie!

Mephistopheles:
Mijn petje af, mijnheer de academicus!
Ik dacht u me liet verschroeien

Faust:
Wat is je naam?

(…)

Mephistopheles:
Ik ben de geest, die eeuwig ondermijnt.
En dat terecht! wat alles wat ontstaat
verdient dat het te gronde gaat.

(Vertaling: Johann Wolfgang Goethe, Faust, Een tragedie, vertaald door Ard Posthuma, Amsterdam 2001, p. 62v)

De poedel blijkt Mephistopheles, de duivel, te zijn aan wie Faust daarna zijn ziel verkoopt. Hij sluit met hem een weddenschap, om de fel begeerde kennis alsnog te verwerven. Faust zal het anders moeten aanpakken. Als studie en boekenwijsheid hem tot nu toe niet geholpen hebben, dan zal hij Mephistopheles’ advies moeten opvolgen. Alleen een kennismaking met het echte leven kan hem het benodigde inzicht verschaffen. Daarom laat hij Faust in de Auerbachs kelder in Leipzig kennismaken met het studentenleven en met de Hexenküche, waar de stijve wetenschapper door een heks tot een vlotte jongen wordt omgetoverd. Faust ontmoet het nog onbedorven en naïeve meisje Margarete, ook wel Gretchen geheten. Om deze dramatische liefdesgeschiedenis draait de rest van het eerste deel van de Faust. Gretchen wordt zwanger van Faust en om de schande van deze ongehuwde zwangerschap te ontlopen doodt de diep-religieuze Gretchen haar kind. Zij wordt voor deze babymoord veroordeeld en in een kerker vastgezet.

Faust wil Mephistopheles de schuld voor al dit kwaad in zijn leven in de schoenen schuiven, maar deze wijst Faust op zijn eigen verantwoordelijkheid. Uiteindelijk probeert Faust zijn geliefde uit de gevangenis te bevrijden. Maar Gretchen wijst zijn hulp af. Met een kwaad geweten wil zij niet langer op aarde leven, hier kan niemand haar meer helpen. Terwijl Faust bereid is om gedane zaken eenvoudig te vergeten, neemt Gretchen de schuld voor al haar daden volledig op zich. Aan het eind van Faust I wordt zij voor haar religieuze standvastigheid alsnog in de hemel opgenomen.

Origineel

Margarete:
Ich darf nicht fort; für mich ist nichts zu hoffen.
Was hilft es, fliehn? Sie lauern doch mir auf.
Es ist so elend, betteln zu müssen
Und noch dazu mit bösem Gewissen!
Es ist so elend, in der Fremde schweifen
Und sie werden mich doch ergreifen!

(Faust I, 4544-4549)

Vertaling

Ik mag niet weg, wat heb ik nog te hopen!
En waarom vluchten? Ze pakken me toch.
Niets ergers dan bedelen om eten,
nog bovendien met een slecht geweten!
Niets ergers dan zwerven in den blinde
en ze weten me toch te vinden!

(Vertaling: Johann Wolfgang Goethe, Faust, Een tragedie, vertaald door Ard Posthuma, Amsterdam 2001, p. 200v)

 

Faust II

Aan het eind van de Faust I lijkt Mephistopheles te winnen van Faust, maar Goethe schrijft intussen nog aan een tweede deel. Dat deel voltooit Goethe kort voor zijn dood in 1832. Aan het eind van zijn lange zoektocht wint Faust toch van Mephistopheles. Hij is dan tot het inzicht gekomen, dat al het getob over zin en samenhang in de wereld weinig waard is. Vrijheid moet dagelijks veroverd worden!

Origineel

Faust:
Ja! diesem Sinne bin ich ganz ergeben,
Das ist der Weisheit letzter Schluß:
Nur der verdient sich Freiheit wie das Leben,
Der täglich sie erobern muß.
(Faust II, 11573-11576)

Vertaling

Faust:
Ja, één devies ben ik steeds trouw gebleven,
geen andere wijsheid heeft voor mij gezag:
slechts hij verdient de vrijheid en het leven
die ervoor vecht van dag tot dag.

(Vertaling: Johann Wolfgang Goethe, Faust, Een tragedie, vertaald door Ard Posthuma, Amsterdam 2001, p. 460)

Voor zichzelf hebben de beide vrienden uit Weimar en Jena dit vrijheidsideaal, zoals uit het slot van Goethes gedicht die Lustigen von Weimar blijkt, in elk geval ten volle weten te realiseren:

“Spiel und Tanz, Gespräch, Theater,
Sie erfrischen unser Blut;
Laßt den Wienern ihren Prater;
Weimar, Jena, da ist’s gut!”

Vertaling: ‘Spel en dans, gesprek, theater, zijn verfrissend voor ons bloed. Laat die Wiener met hun Prater. Weimar, Jena, da’s pas goed!’
(Uit: Die Lustigen von Weimar, 1813. Vertaling: Jos Kleemans)

 

Beroemde citaten uit Faust

 

Faust is verplichte kost geweest voor ontelbare generaties. Daarom zijn een aantal Faust-citaten tot het alledaagse Duits gaan behoren. Bijvoorbeeld:

  • Dichter:
    Was glänzt, ist für den Augenblick geboren; Das echte bleibt der Nachwelt unverloren.
  • Der Herr:
    Es irrt der Mensch, solang’ er strebt.
  • Faust:
    Da steh ich nun, ich armer Thor! Und bin so klug als wie zuvor.
  • Mephistopheles:
    Ich bin ein Teil jener Kraft, die stets das Böse will, und stets das Gute schaft.
  • Faust:
    Das ist also des Pudels Kern.
  • Mephistopheles:
    Du siehst, mit diesem Trank im Leibe, Bald Helenen in jedem Weibe.
  • Faust:
    Mein schönes Fräulein, darf ich es wagen, Meinen Arm und Geleit Ihr anzutragen?
    Margarete: Bin weder Fräulein, weder schön, Kann ungeleitet nach Hause gehen.
  • Margarete:
    Mein Ruh’ist hin, Mein Herz ist schwer; Ich finde sie nimmer und nimmermehr.
  • Margarete:
    Heinrich! Mir graut’s vor dir