20. Duitstalige literatuur 1989 – heden

 

 

 

 

Historische achtergrond – Het nieuwe politieke landschap

 

Zwei plus Vier Vertrag (link naar film, 4′)

 

De Duitse eenheid is sinds 1990 met horten en stoten tot stand gekomen. De opbouw van de nieuwe Bundesländer heeft grote hinder ondervonden van veertig jaar dictatuur en economisch wanbeleid. De problemen die dit met zich meebracht, werden versterkt door een economische crisis in de jaren negentig, met werkloosheid tot wel twintig procent in de voormalige DDR en grote financiële afhankelijkheid van het Westen. Een kant en klare oplossing voor de problemen van de hereniging was er niet. Intussen schreed de globalisering, aangewakkerd door intensiever gebruik van de nieuwe media, zoals computer, internet en de invoering van nieuwe productiemethoden, met rasse schreden voort.

In 1992 werd het verdrag van Maastricht getekend en de basis gelegd voor een gemeenschappelijke munt – de euro – , die in 2002 in heel Europa zou worden ingevoerd. Nog één keer kon een coalitie onder leiding van Helmut Kohl (CDU) aan de macht blijven. Het regeringscentrum werd in 1996 van Bonn naar Berlijn verplaatst.

Toenmalig minister-president Ruud Lubbers (1939 – 2018) over het verdrag van Maastricht. (5′)

In 1998 echter moest Kohl na 16 jaar Bundeskanzler te zijn geweest, plaatsmaken voor een rood-groene regering onder leiding van Gerhard Schröder (SPD), die het slechts tot 2005 zou volhouden. Deze regeringsperiode werd enigszins gekenmerkt door chaos. Beide coalitiepartijen (SPD en Güne/Bündnis 90, van Joschka Fischer) waren niet zo goed op elkaar ingespeeld. De op de verre achtergrond nog meespelende idealen van de jaren zestig en zeventig, waar deze linkse partijen zich oorspronkelijk toe verplicht hadden, bleken niet zo eenvoudig aan nieuwe tijden aan te passen.

Gerhard Schröder und Joschka Fischer

Dat neemt niet weg, dat er wel degelijk het één en ander bereikt is, zoals afspraken over de atoompolitiek, vergoedingen voor vroegere dwangarbeiders onder het nazi-regime en de regeling van immigratie door middel van moderne wetgeving. Het lukte echter niet, ondanks een nieuw programma dat de economie nieuwe impulsen moest geven, om het aantal werklozen terug te brengen.

‘Agenda 2010’ en de hervorming van de sociale bijstand, ‘Hartz-IV’ genaamd, die hieraan moesten bijdragen, stuitten op veel weerstand in de samenleving. Rechtse partijen gingen de plannen niet ver genoeg en links kritiseerde Schröder vanwege sociale kaalslag.

 

Meer over de oorlog in Joegoslavië (9′):

 

Internationaal moest de regering Schröder een houding bepalen ten aanzien van de oorlog in het voormalige Joegoslavië (1992 – 1995), de oorlog in Irak na de aanval op het WTC in New York op 11 september 2001 en de dreiging van het islamitische terrorisme. Vanwege het grote stemmenverlies voor de rood-groene coalitie in de deelstaat Nordrhein-Westfalen (Noordrijnland-Westfalen), stuurde Schröder aan op nieuwe verkiezingen, die hij tot ieders verrassing nipt verloor.

Gerhard Schröder treedt af als Bundeskanzler (2005) Angela Merkel wordt Bundeskanzlerin (tot 2020)

Sinds 2005 is Angela Merkel (CDU) afwisselend met de  liberale FDP en de sociaal-democratische  SPD aan de macht. Zij bouwde voort op het nieuwe politieke klimaat dat Schröder voorbereid had. Dit werd gekenmerkt door grote aandacht voor het milieu, modernisering van de verzorgingsstaat en het serieus nemen van de uitdagingen van de globalisering.

De EU breidde zich intussen uit tot 28 lidstaten in 2013. De relatie met Rusland onder Putin werd er niet gemakkelijker op, vanwege zijn agressieve politiek ten aanzien van  Oekraïne. De onverwacht grote stromen vluchtelingen naar Europa uit het door burgeroorlog getroffen Syrië plaatsten Duitsland in 2015 voor één van de grootste uitdagingen sinds de wederopbouw van het land.

 

 

1. Afscheid van illusies

Vier keer Stunde Null

 

Duitsland heeft vier keer opnieuw moeten beginnen. Vier keer heeft het land een zogenaamde Stunde Null doorgemaakt:

  • Na 1871 toen het Duitse rijk onder Bismarck tot stand kwam,
  • in 1918 na de nederlaag in de Eerste Wereldoorlog en het einde van het keizerrijk,
  • na de Tweede Wereldoorlog (8 mei 1945) toen het land opgedeeld werd (BRD en DDR)
  • en tot slot met de Val van de Muur (9 november 1989) en de Duitse hereniging op 3 oktober 1990.

Elk nieuw begin ging gepaard met een nieuwe behoefte aan oriëntatie.

 

Eind van de negentiende eeuw, in de tijd van een razendsnelle industrialisering en het ontstaan van onzekerheden zie je overal in Duitse steden plotseling standbeelden van de schrijvers Goethe en Schiller verschijnen. Zij konden in de tijd van de Reichsgründung (1871), in de tijd van de Jahrhundertwende (rond 1900) en bij de overgang naar de twintigste eeuw, nog als vaste oriëntatiepunten in een in alle opzichten onzekere tijd dienst doen.

Bij de overgang naar de eenentwintigste eeuw wordt het lastiger om een beroep te doen op een vastomlijnd cultureel erfgoed als nieuw oriëntatiepunt voor de toekomst. De hereniging van beide Duitslanden was weliswaar een gevolg van een revolutie van onderop en gedragen door het volk. Maar deze ging eveneens gepaard met een verlies aan zekerheden.

Men nam definitief afscheid van ‘grote verhalen’, van oude ideologieën en van communistische illusies. De Amerikaanse historicus Francis Fukuyama sprak in dit verband van het einde der geschiedenis. Wat hij daar precies mee bedoelde kun je nalezen via de link onder de foto:

 

 

2. Demonstratie op de Alexanderplatz: keerpunt

Op 4 november 1989, nog voor de Val van de Muur, vond er een vele uren durende demonstratie plaats op de Alexanderplatz in Oost-Berlijn. Hier traden schrijvers, toneelspelers en politici op. Ondanks de zeer kritische geluiden ten aanzien van het regime sprak niemand over het einde van de DDR, maar veeleer over een hervorming van het land.

 

Bekijk hier een uitzending over de manifestatie van 4 november 1989 (4′):

 

Bij de eerste vrije verkiezingen op 18 maart 1990 bleek echter uit de resultaten met 48% stemmen voor de CDU en 21% voor de SPD, dat er een duidelijke keuze voor het westerse, democratische en kapitalistische model was gemaakt. Dit waren historische momenten, want hiermee kwam een eind aan de communistische ideologie, die sinds 1917 de strijd had aangebonden tegen het fascisme en tegen het kapitalisme.

Tegenstanders van het fascisme hadden nu geen alternatieven meer. Voor een hele generatie schrijvers en intellectuelen die in Duitsland in de jaren dertig was geboren, moest het begrip ‘waarheid’ opnieuw uitgevonden en gedefinieerd worden. Voor een representatieve rol was voor hen in de toekomst noch in Oost-, noch in West-Duitsland veel ruimte meer.

De ‘kleinkinderen’ (die Enkel) krijgen het vanaf nu voor het zeggen.

Het artikel over de nieuwe generatie schrijvers vind je in dit nummer van de Der Spiegel (link onder de cover).

 

 

 

3. Op zoek naar nieuwe wegen: het verhaal moet verteld

Ook in de kunst wordt een verhaal verteld. In deze tijd van grote veranderingen begon een onbestemd gevoel van richtingloosheid post te vatten. Men had het idee op een kruispunt of een wissel/Weiche te staan. Neo Rauch heeft daarbij alle hoop op de jeugd gevestigd (zie op het schilderij het Skateboard met daarop Weiche, de jeugd bepaalt de richting).

Doris Ziegler is in haar kunstwerk Große Passage (1989/90) minder zeker van de toekomst. Een groep mensen wandelt over een brug, maar welke toekomst op hen wacht na deze overgang naar de nieuwe tijd is onzeker. Erg gelukkig zien de mensen er in elk geval niet uit.

 

Neo Rauch, Weiche, 1999

Doris Ziegler, Große Passage, 1989/1990

De jongere generatie bekommert zich vooral om de verkoopcijfers, zou je kunnen zeggen en minder om deelname aan het actuele politieke debat. Dat betekent niet dat zij zich niet interesseert voor wat er om haar heen gebeurt. Maar de wereld is onoverzichtelijker geworden. De welvaartsstaat heeft zijn doel bereikt. Er is geen eenduidige of heldere definitie van ‘waarheid’ meer. De moderne maatschappij is een bont palet, een veelvoud van naast elkaar bestaande belangengroepen, die elk hun eigen ‘waarheid’ nastreven. Sommigen zijn vooral begaan met de positie van de vrouw of van migranten, anderen zetten zich in voor het milieu of maken zich zorgen om de biotechnologie en de snelle digitalisering.

Van links naar rechts: Karen Duve, Thomas Lehr, Benjamin Lebert. Elke Naters, Thomas Brussig; liggend: Jenny Erpenbeck.

Duitse schrijvers rond de eeuwwisseling sluiten zich voor deze thema’s niet af, maar zij willen te midden van de nieuwe onoverzichtelijkheid in de eerste plaats ‘specialist’ zijn, een vakman die het verstaat om zijn publiek op originele wijze en met onderhoudende verhalen te boeien. Hij is daarbij wars van moralisme of van het verkondigen van een politieke theorie. Er wordt hooguit al vertellend en voorzichtig over de wereld nagedacht.

Literatuur rond de eeuwwisseling verandert van karakter. De nieuwe generatie wil vooral ‘verhalen vertellen’. Een goed voorbeeld vinden Die neuen deutschen Dichter in de succesvolle ‘postmoderne’ roman Das Parfum (1985) van Patrick Süskind.

Een toonaangevende generatie schrijvers uit het verleden maakt plaats voor de kleinkinderen. De leidende rol van gerenommeerde schrijvers als Heinrich Böll, Siegfried Lenz, Günther Grass en Christa Wolf, die de Duitse schuldvraag een centrale plaats in hun werk gaven, lijkt voorbij.

 

Link naar een kritisch artikel over dit boek.

Een opzienbarende publicatie van Daniel Goldhagen (Hitlers willige Vollstrecker, 1996) plaatst het oude thema van de Tweede Wereldoorlog opnieuw in het centrum van de politieke belangstelling in Duitsland.

Er worden in de jaren negentig ook heftige debatten gevoerd over het op te richten gedenkteken in Berlijn ter herdenking van de volkerenmoord op Sinti en de Holocaust van de Joden.

Maar de nieuwe generatie schrijvers van na de Wende voelt zich niet meer in de eerste plaats het geweten van de natie, zoals vroeger Böll en Grass. Zij roerden zich in de jaren zestig en zeventig in West-Duitsland in een kritische oppositie van schrijvers tegen de staat.

Denkmal Sinti und Roma Berlin, 2012 (Link naar film, 5′)

In de DDR was de rol van de schrijvers een andere. Zij moesten wat het verleden betreft juist solidair zijn met het regime. De DDR was immers een ‘anti-fascistische staat’.

Met het aantreden van de Enkelkinder/kleinkinderen in het nieuwe verenigde Duitsland lijkt een politieke rol van de schrijvers in elk geval wat dit thema betreft minder urgent.

(Zie voor de politieke rol van de literatuur bijvoorbeeld Günther Grass’ Die Blechtrommel.)

 

De literatuur van rond de eeuwwisseling wordt ook wel als een Nieuw Realisme beschouwd. Daarmee wordt bedoeld, dat de nieuwe generatie schrijvers afscheid nemen van het postmoderne standpunt uit de jaren tachtig, dat je met een tekst in principe alle kanten op kunt. Er zou geen waarheid zijn of anders gezegd, de schrijver laat de interpretatie van zijn tekst geheel vrij en volledig aan zijn lezers over. Nietzsche had in Über Wahrheit und Lüge im außermoralischen Sinne (1873) geschreven:

Tatsachen gibt es nicht, nur Interpretationen. Feiten bestaan niet, alleen interpretaties.

 

Thomas Mann (1875 – 1955) als voorbeeld.

Kenmerkend voor de nieuwe literatuur is dat zij een objectief bestaande wereld wil weergeven, die echt is, reëel bestaand en (her-) kenbaar. Zoals de realisten zich eind van de negentiende eeuw tegen romantische fantasieën wilden afzetten, zo breekt nu een nieuwe generatie schrijvers met het zogenaamde postmoderne denken, waarin literatuur tot soms niet meer dan een willekeurig spel met tekens verworden was.

Thomas Mann heeft lang op navolgers moeten wachten. Maar hier lijken schrijvers op te staan die net als Thomas Mann bewust in de traditie van Theodor Fontane willen staan. Verhalen worden weer verteld.

 

 

 

Vragen en opdrachten bij deze paragrafen over literatuur staan op de onderwijspagina van het DIA/UvA. (Zie Hoofdstuk 10 – 14 op de site van het DIA.)

 

 

 

4         Literatuur rond 2000: Een veelheid aan stemmen

 

4.1       Wende-literatuur: de Duitse hereniging als thema

4.2      Opnieuw gedenken: aandacht voor slachtoffers van oorlog en dictatuur

4.3      Coming of age romans: Irony is over

4.4      De stem van migranten: grenzen voorbij

4.5      Nieuwe literaire vormen: Lesebühnen en graphic novel

4.6.     Overige stemmen…

 

4.1

Wende-literatuur: de Duitse hereniging als thema

 

Christa Wolf (1929 – 2011)

Heiner Müller (1929 – 1995)

Volker Braun (geb. 1939)

 

Het begrip “Wende” wordt meestal verbonden met de zeilsport. De wind komt van voren en het schip moet van koers veranderen om nog vooruit te kunnen komen. In de geschiedenis van Duitsland wordt Wende met de Val van de Muur (9 november 1989) en het einde van de DDR in verband gebracht. Wendeliteratur is vooral:

Literatuur die terugblikt op het leven in de voormalige DDR;

Literatuur die direct na de Val van de Muur verschijnt;

Literatuur die zich expliciet met de gevolgen van de Duitse eenwording bezighoudt.

De nieuwe literatuur die de Wende als thema heeft, beweegt zich aanvankelijk tussen  heimwee, ook wel Ostalgie genoemd en een humoristische afrekening met de generatie die in de opbouw van een socialistische staat heeft geloofd.

Tot de eerste groep behoren veelal de oudere en gevestigde schrijvers, zoals Volker Braun, Heiner Müller en Christa Wolf.

De tweede groep wordt onder anderen vertegenwoordigd door Thomas Brussig en Jens Sparschuh.

Verder zijn er beschrijvingen van de meer persoonlijke ervaringen van een leven in de DDR, zoals de boeken van Claudia Rusch en Jana Hensel. Of er nog grote Wenderomane volgen is de vraag, maar tot dit genre zouden familiegeschiedenissen gerekend kunnen. Daarvan zijn Eugen Ruge, In Zeiten des abnehmenden Lichts en Uwe Tellkamp, Der Turm tot nu toe de meeste bekende en meest gelezen voorbeelden.

 

Ostalgie

 

Uit de film Good Bye Lenin; Karl Marx Allee, Lenin wordt verplaatst.

Op 26 november 1989 verscheen in belangrijke kranten in de voormalige DDR nog de tekst Für unser Land. Hierin pleitte een grote groep schrijvers en intellectuelen uit de DDR voor een doorstart van de economisch en politiek failliete DDR als alternatief voor het kritiekloos opgaan in de BRD. Hoe goed bedoeld ook om de culturele verworvenheden en de goede kanten van de DDR niet zomaar op te offeren, dit appel kwam veel te laat en werd door velen zelfs als verraad beschouwd. Tot de ondertekenaars behoorden Volker Braun en Christa Wolf.

 

Für unser Land

Unser Land steckt in einer tiefen Krise. Wie wir bisher gelebt haben, können und wollen wir nicht mehr leben. Die Führung einer Partei hatte sich die Herrschaft über das Volk und seine Vertretungen angemaßt, vom Stalinismus geprägte Strukturen hatten alle Lebensbereiche durchdrungen. Gewaltfrei, durch Massendemonstrationen hat das Volk den Prozeß der revolutionären Erneuerung erzwungen, der sich in atemberaubender Geschwindigkeit vollzieht. Uns bleibt nur wenig Zeit, auf die verschiedenen Möglichkeiten Einfluß zu nehmen, die sich als Auswege aus der Krise anbieten.

Entweder können wir auf der Eigenständigkeit der DDR bestehen und versuchen, mit allen unseren Kräften und in Zusammenarbeit mit denjenigen Staaten und Interessengruppen, die dazu bereit sind,in unserem Land eine solidarische Gesellschaft zu entwickeln, in der Frieden und soziale Gerechtigkeit, Freiheit des einzelnen,Freizügigkeit aller und die Bewahrung der Umwelt gewährleistet sind.

Uit de film Good Bye Lenin.

Oder wir müssen dulden, daß, veranlaßt durch starke ökonomische Zwänge und durch unzumutbare Bedingungen, an die einflußreiche Kreise aus Wirtschaft und Politik in der Bundesrepublik ihre Hilfe für die DDR knüpfen, ein Ausverkauf unserer materiellen und moralischen Werte beginnt und über kurz oder lang die Deutsche Demokratische Republik durch die Bundesrepublik Deutschland vereinnahmt wird.

Laßt uns den ersten Weg gehen. Noch haben wir die Chance, in gleichberechtigter Nachbarschaft zu allen Staaten Europas eine sozialistische Alternative zur Bundesrepublik zu entwickeln. Noch können wir uns besinnen auf die antifaschistischen und humanistischen Ideale, von denen wir einst ausgegangen sind. Alle Bürgerinnen und Bürger, die unsere Hoffnung und unsere Sorge teilen, rufen wir auf, sich diesem Appell durch ihre Unterschrift anzuschließen. Berlin, den 26. November 1989.

 

Good Bye Lenin!

In de film Good Bye Lenin wordt het geloof in de DDR op komische wijze aan de orde gesteld. De moeder van Alexander Kerner is overtuigd communist. Zij raakt krijgt een hartaanval als zij hoort dat haar zoon mee gedaan heeft bij een demonstratie in oktober 1989.  Zij raakt in een coma. Pas na de val van de muur ontwaakt zij. Haar zoon wil voor haar verborgen houden dat de DDR niet meer bestaat. Dat leidt tot komische en tragische situaties. Deze succesvolle film is van 2003, maar is nog steeds zeer de moeite van het bekijken waard.

 

Volker Braun

Eén van de ondertekenaars van dit appel was de schrijver Volker Braun (Dresden, 1939). Met Peter Hacks en Heiner Müller wordt hij tot de belangrijkste dichters uit de tijd van de DDR gerekend. In zijn gedicht Das Eigentum zet hij vraagtekens bij de snelle inlijving van de DDR in de BRD.

Das Eigentum (Volker Braun, 1990)

Da bin ich noch: mein Land geht in den Westen.
KRIEG DEN HÜTTEN FRIEDE DEN PALÄSTEN.
Ich selber habe ihm den Tritt versetzt.
Es wirft sich weg und seine magre Zierde.
Dem Winter folgt der Sommer der Begierde.
Und ich kann bleiben wo der Pfeffer wächst.
Und unverständlich wird mein ganzer Text
Was ich niemals besaß wird mir entrissen.
Was ich nicht lebte, werd ich ewig missen.
Die Hoffnung lag im Weg wie eine Falle.
Mein Eigentum, jetzt habt ihrs auf der Kralle.
Wann sag ich wieder mein und meine alle.

Beluister het gedicht van Volker Braun.

 

In 1813 had Georg Büchner een revolutionair pamflet geschreven met daarin de woorden:

Frieden den Hütten! krieg den Palästen! Vrede aan de hutten! Oorlog aan de paleizen! (Der Hessische Landbote.)

De hutten staan hier voor de schamele behuizing van het arme proletariaat. De paleizen zijn de overdadige woonplaatsen van de rijken. De rijken dienen bestreden te worden en de armen verdienen vrede. Volker Braun keert in zijn gedicht deze regel bewust om. De DDR heeft wat het socialisme oorspronkelijk beloofde misschien nog niet kunnen verwezenlijken. Maar het is nog maar de vraag of we met de Wende niet nog verder van een socialistische toekomst verwijderd zijn geraakt, zo wil Braun zeggen.

Niet iedereen begreep Brauns hardnekkige vasthouden aan dit ideaal van een niet voltooid socialisme. Zelf heeft hij immers herhaaldelijk geleden onder de censuur in de DDR en de controle van de Stasi (de binnenlandse veiligheidsdienst).

In zijn Unvollendete Geschichte  uit 1975, later herzien in 1997, analyseert Braun nauwkeurig hoe het systeem in de DDR hem ongemerkt misbruikt heeft.

Uitvoerige website over het werk van Volker Braun met Lesungen uit zijn werk.

Hoe de Stasi te werk ging en hoe zoveel intellectuelen en schrijvers in hun naïviteit slachtoffer geworden zijn van het politieke systeem in de DDR wordt in de spannende film Das Leben der Anderen (2006) uit de doeken gedaan. Bekijk deze film.

 

Heiner Müller

Heiner Müller (1928 – 1995) heeft de geschiedenis van de DDR van de oprichting tot het einde van nabij meebeleefd. Müller is in de jaren dertig tijdens de opkomst van het Nationaalsocialisme opgegroeid. Zijn vader was lid van de SAP (Sozialistische Arbeiterpartei) en een fel tegenstander van Hitler. Hij werd regelmatig gevangen genomen. In 1958 schreef Müller de tekst Der Vater, waarin hij de traumatische herinnering als vierjarig kind aan het wegvoeren van zijn vader verwerkt.

Ich wache auf, der Himmel vor dem Fenster schwarz, Lärm von Stimmen und Schritten. Nebenan wurden Bücher auf den Boden  geworfen. Ich hörte die Stimme meines Vaters, heller als die fremden Stimmen. Ich stieg aus dem Bett und ging zur Tür. Durch den Türspalt sah ich, wie ein Mann meinem Vater ins Gesicht schlug. Frierend, die Decke bis zum Kinn hochgezogen, lag ich im Bett, als die Tür zu meinem Zimmer aufging. In der Tür stand mein Vater, hinter ihm die Fremden, groß, in braunen Uniformen. Sie waren zu dritt. Einer hielt mit der Hand die Tür auf. Mein Vater hatte das Licht im Rücken, ich konnte sein Gesicht nicht sehen. Ich hörte ihn leise meinen Namen rufen. Ich antwortete nicht und lag ganz still. Dann sagte mein Vater: Er schläft. Die Tür wurde geschlossen. Ich hörte, wie sie ihn wegführten, dann den kurzen Schritt meiner Mutter, die allein zurückkam.

Deze vroege ervaring van Müller blijft hem zijn hele leven achtervolgen. Je zou zijn gehele oeuvre, waarin hij in zijn gedichten, essays en toneelstukken voortdurend en onverbloemd stelling neemt ten aanzien van politieke vraagstukken, als een definitieve afrekening met zijn vroegere ‘lafheid’ kunnen beschouwen. Ook later, als hij bewust in de DDR blijft wonen, leverde hij in tijden van Stalinisme – toen dat bepaald niet ongevaarlijk was – in toneelstukken als  Der Lohndrücker en Die Korrektur openlijk  kritiek op het regime van de DDR. Sommige van zijn stukken werden in de DDR dan ook niet opgevoerd. Müller blijft vanaf de jaren zestig buiten de partij. Noodgedwongen kiest hij dan klassieke thema’s uit de oudheid of bewerkingen van Shakespeare als uitgangspunt voor zijn toneelstukken. Maar ondanks zijn kritische houding krijgt hij steeds weer prijzen en wordt hem het werken in de DDR niet geheel onmogelijk gemaakt.

Als in 1976 Wolf Biermann niet meer naar de DDR terug mag keren, schaart Müller zich openlijk onder de critici van het regime. Kort voor de val van de muur spreekt hij op de grote demonstratie op de Alexanderplatz, waar hij uitgefloten wordt. Anders dan Braun treurt Müller niet over het verdwijnen van de DDR, hoewel hij allerminst gelukkig is met de ontwikkelingen in het Westen. Van Ostalgie is bij hem geen sprake, maar wel van een zekere zwaarmoedigheid.  Aan het eind van zijn leven, als hij al behoorlijk ziek is, rekent hij in Germania 3 Gespenster am Toten Mann met alle utopieën af.

Hij laat de slachtoffers, de handlangers, de opportunisten en de verraders stuk voor stuk aan het woord komen, van Rosa Luxemburg en Stalin tot Walter Ulbricht en Hitler. Aan het eind van het stuk citeert Müller de kosmonaut Jurij Gagarin: Dunkel Genossen ist der Weltraum/sehr Dunkel.

 

Müller legt in 1989 ook zelfkritiek aan de dag. In zijn gedicht Selbstkritik denkt hij vooral aan zijn eigen opportunisme uit de jaren vijftig:

 

SELBSTKRITIK

Meine Herausgeber wühlen in alten Texten
Manchmal wenn ich sie lese überläuft es mich kalt Das
Habe ich geschrieben IM BESITZ DER WAHRHEIT
Sechzig Jahre vor meinem mutmaßlichen Tod
Auf dem Bildschirm sehe ich meine Landsleute
Mit Händen und Füßen abstimmen gegen die Wahrheit
Die vor vierzig Jahren mein Besitz war
Welches Grab schützt mich vor meiner Jugend

Glückloser Engel 2 uit 1989 illustreert Müllers afrekening met illusies over de toekomst. Wacht na de val van de muur de afgrond?

 

Glückloser Engel 2

Zwischen Stadt und Stadt
Nach der Mauer der Abgrund
Wind an den Schultern die fremde
Hand am einsamen Fleisch
Der Engel ich höre ihn noch
Aber er hat kein Gesicht mehr als
Deines das ich nicht kenne

 

Meer gedichten van Heiner Müller kun je hier beluisteren.

Gesprek met Heiner Müller (Planet Schule; 15′):

 

 

Humoristisch afscheid

Van Ostalgie of zwaarmoedigheid is bij een jongere generatie dichters nauwelijks iets te bespeuren. In het gedicht 12/11/89 van Durs Grünbein (Dresden, 1962) wordt een geheel andere toon aangeslagen. De Wende wordt daarin als een bevrijding van verouderde ideologieën en voorstellingen gevierd. (Meer over Grünbein in het vorige hoofdstuk.)

 

Durs Grünbein

12/11/89  (Durs Grünbein)

Komm zu dir Gedicht, Berlins Mauer ist offen jetzt.

Wehleid des Wartens, Langweile in Hegels Schmalland

Vorbei wie das stählerne Schweigen… Heil Stalin.

Letzter Monstranzen Glanz, hinter Panzern verschanzt.

Langsam kommen die Uhren auf Touren, jede geht

anders.

Pech für die Kopffüßler, im Brackwasser abgesackt.

Revolutionsschrott en masse, die Massen genasführt.

Im Trott von bankrotten Rotten, was bleibt ein Gebet:

Heiliger Kim Il Sung, Phönix Pjönjangs, bitt für uns.

 

 

Bert Papenfuß

Het volgende gedicht van Bert Papenfuß-Gorek (1956) gaat nog een stap verder. Hierin wordt op humoristische toon in de geest van Dada de draak gestoken met het oude DDR-jargon. Papenfuß is bekend van de ludieke culturele happenings in zijn vroegere café in Berlijn Prenzlauer Berg en maakte deel uit van de zogenaamde Prenzlauer Berg-connection. Prenzlauer Berg was een vervallen wijk in Oost-Berlijn, waar direct voor en na de Wende de alternatieve kunst-scene zich gevestigd had.

 

DIE LICHTSCHEUEN SCHEICHE VERSUNKENER REICHE

wilhelm, walter, erich, egon
& wie sie nicht noch alle hießen
die abgehalfterten ellerkongen
beispielloser sozialer großexperimente
blockwarte, oberaufseher & generalsekretäre
die über uns wachten in unserer ohnmacht
getrübt von abschottungsmaßnahmen
im vorfelde ökonomischer zerklüftung
erfreute sich viel volks der lebenslust
& insonders sinnenfreude, inneren querelen
sowohl als auch der grausamkeit verschiedener

nunmehr versiegter übergeschnappter
ist es, wenn man so will, zu danken
daß ihr übertriebener gesellschaftsentwurf
versangundklangloste; despotenpech
jetzt herrschen sie, wie ich wiederholt
von vorläufern & wiedergängern gehört
im abgrunde unter den hohnlochländern
& ihr alter egos, diese scheuchen
verantwortung-rücksicht-partnerschaft-
freiheit-wohlstand-sicherheit-gemäß
unverdrossen stockenbalkenbiegungsmäßig
über ihre ehemaligen wirtschaftsgebiete
im subkultmund: untertanentraufen
die noch schnell aufblühen, bevor sie
unentschieden flattern die fittiche
der unentschlossenheit, verglühen
: menschenschicksal, ihr unternietzschen

 

Nadat in duidelijk stafrijm de vroegere DDR-machthebbers (Wilhelm Pieck, Walter Ulbricht, Erich Honecker, Egon Krenz) nog eenmaal opgesomd worden en het zo voor een laatste keer maar volstrekt zonder daadwerkelijke macht voor het zeggen krijgen, komt het volk in een paar tussenzinnen aan bod.

De großexperimente van de oberaufseher en generalsekretäre zijn versangundklanglost, zij zijn opgedroogd omdat er geen contact met het volk meer is. Het is de vraag of het met het volk sindsdien beter gaat. Want van de belofte van ‘bloeiende landschappen’ (de woorden zijn van Helmut Kohl) in de hoge-lonen-landen is vooralsnog slechts een hohnlochland over.

Het lyrische ik wijst op de ontmanteling van de industrie en de hoge werkloosheid in de DDR direct na de Wende. De laatste regels wijzen met unentschlossenheit op de onzekerheid bij het volk in de nieuw ontstane situatie. Let op de venijnige kritiek in de laatste regel na de dubbele punt met een zinspeling op Nietzsches begrip Übermensch (en het misbruik daarvan in de Duitse geschiedenis).

 

Fragment uit een film over Papenfuß (4′):

Bert Papenfuß

 

 

Thomas Brussig en Jens Sparschuh

 

Thomas Brussig

Jens Sparschuh

 

Thomas Brussig

Nog duidelijker en op een satirische toon neemt Thomas Brussig (Oost-Berlijn, 1964) in Helden wie wir (1995) afstand van de DDR-ideologie. Op komische wijze steekt hij de draak met het geloof in de ‘waarheid’, zoals deze in de partijkrant van de SED, Neues Deutschland, na censuur aan de burgers werd opgediend. Alleen al de afbeelding op de voorkant van het boek zegt genoeg over hoe het Zentralorgan, zoals Neues Deutschland werd genoemd, het er in dit boek van af zal brengen.

De hoofdpersoon Klaus Uhltzscht vertelt een journalist van de New York Times, die de gesprekken opneemt, over zijn leven in de DDR. In een parodie op de roman van Christa Wolf, Der geteilte Himmel over de zogenaamde ‘noodzaak’ van de deling van beide Duitslanden, rekent Klaus Ultzscht genadeloos af met zijn achterlijke en preutse opvoeding en met het politieke systeem van de DDR, dat zijn bevolking kleineert. Hij vertelt zijn geschiedenis als een soort carnavalesk verhaal – een clown is aan het woord –  waarvan de kern is, dat hij als enige echt verantwoordelijk is voor de val van de muur. Met zijn ‘Schwanz’ heeft hij de hefboom bij de doorgang in de muur geopend.

Klaus woonde de demonstratie van 4 november 1989 bij op de Alexanderplatz. Daar viel hij over een bord van een demonstrant en hij belandde in het ziekenhuis. Door een verkeerde behandeling kwam hij met een extra grote ‘Schwanz’ uit het ziekenhuis. Wat er daarna gebeurde en hoe hij het klaarspeelde de muur te openen kun je in het hoofdstuk Der geheilte Pimmel nalezen. Hier volgt een citaat uit dit hoofdstuk:

 

Ein Mann ging hinaus in die Nacht, ein Mann mit seinem Schwanz … Nix mehr mit Kleiner Trompete … Als ich aus dem Krankenhaus entwischte, wollte ich zunächst zur Wurstfrau fahren. Sie hatten mich wegen meiner Kleinen Trompete ausgelacht … Ich kam nie bei ihr an. Sie wohnte in der Isländischen Straße, einer Seitenstraße der Bornholmer Straße, genau, der Bornholmer Straße, an deren Ende der Grenzübergang war. Davor drängelten sich sogenannte Volksmassen, die aus mir damals unverständlichen Gründen darauf hofften, die Himmelspforte werde gleich geöffnet, auf das sie in den Westen strömen dürfen. Es waren Tausende, und sie standen ein paar Grenzsoldaten gegenüber, die das Gittertor bewachten und nur einen Spalt öffneten, wenn ein Westmensch kam und seinen Paß zückte …

Dann begannen die Volksmassen zu schieben, allerdings nur symbolisch, aber was will man erwarten von einem Volk … Die Volksmassen waren, was ich nicht wußte, durch eine undurchsichtige Formulierung auf der Pressekonferenz von Günter Schabowski aufgescheucht: Wer ausreisen will, wollte Schabowski sagen, muß nicht mehr den Umweg über die tschechisch-westdeutsche Grenze nehmen, sondern könne gleich über die deutsch-deutsche Grenze ausreisen…” (Helden wie wir , blz. 313 -315.)

Bornholmerstraße

 

Brussig is vooral bekend geworden met de film Sonnenallee (1999) waarvoor hij het script heeft geschreven. Dit script heeft hij in hetzelfde jaar bewerkt tot een roman met de titel Am kürzeren Ende der Sonnenallee. Het verhaal gaat over Micha Kuppisch die met zijn familie in de Sonnenallee in Oost-Berlijn woont. Hij brengt zijn tijd met zijn vrienden door. Allen zijn op hetzelfde meisje verliefd, willen dezelfde in de DDR verboden muziek beluisteren en nemen het DDR-regime waar het te absurd wordt, in de maling.

Het verhaal is eigenlijk een liefdesgeschiedenis met een goede afloop. Micha is op Miriam verliefd. Zijn vriend Mario aanvankelijk ook, maar hij vindt later een wat oudere vrouw, die zich existentialist noemt. Met haar smeedt hij het plan om een actie te starten om de DDR geleidelijk aan te kopen. Hun vriend Wuschel doet alles voor platen van de Rolling Stones. Aan het eind van het boek zal één van de verkregen platen hem bij een schermutseling met de politie bij de muur weten te redden voor een schot met een pistool.

Het boek zit vol met komische scènes. Aan de ene kant steken ze de draak met de clichés die in het Westen over de DDR bestaan. Zo spelen de vrienden uitgehongerde DDR-burgers voor een toeristenbus uit West-Duitsland. Aan de andere kant maken ze het regime openlijk belachelijk. Mario verandert een propagandistische uitspraak van Lenin. Van Die Partei ist die Vorhut der Arbeiterklasse maakt hij: Die Partei ist die Vorhaut der Arbeiterklasse. Dit komt hem uiteindelijk op verwijdering van school te staan.

Brussig heeft vele boeken en teksten voor films en theater geschreven. De meeste spelen in de DDR of houden zich met de tijd rond de hereniging van beide Duitslanden bezig.  Am kürzeren Ende der Sonnenallee wordt wel als zijn beste, in elk geval als meest komische verhaal over het einde van de DDR beschouwd.

 Sonnenallee de film (90′):

 

Fragment uit Am kürzeren Ende der Sonnenallee:

Über Wochen und Monate brachte er es nie fertig, Miriam anzusprechen, und wenn sich die Gelegenheit hätte ergeben können, zum Beispiel bei der Schulspeisung, wenn sie plötzlich vor ihm in der Schlange stand, dann verkrümelte er sich wieder.  (blz 20)

Einmal, in einer echten Zwangslage, hat Micha dann doch versucht, Miriams Aufmerksamkeit auf sich zu lenken. Die „Zwangslage“ bestand darin, daß er zu einem Diskussionsbeitrag verdonnert worden war. Sein Freund Mario hatte die Parole Die Partei ist die Vorhut der Arbeiterklasse!, die in großen Lettern im Foyer der Schule prangte, an der richtigen Stelle um ein A bereichert. Mario wurde dafür verpetzt; eine Petze, die jeden verpetzte, fand sich immer. Leider stand Mario auf so einer Art Abschußliste. „Noch so ʼn Ding, und du bist fällig“, hieß es beim letztenmal, und da wurde er nur beim Rauchen erwischt. Und jetzt war er fällig – was immer das heißen sollte. Mario wollte Abitur oder mindestens eine Lehrstelle als Kfz-Mechaniker, aber plötzlich blühte ihm eine Karriere als Betonbauer, Zerspaner oder Facharbeiter für Umformtechnik. Doch als Marios Freund hat nun Micha das mit dem A auf sich genommen; vielleicht spielt dabei auch eine Rolle, dass sie gerade Schillers Bürgschaft durchgenommen hatten. Ganz sicher jedoch hätte Micha gern in dem Ruf gestanden, verwegene Taten zu vollbringen. Und ein A an der richtigen Stelle in einer roten Parole anzubringen war eine verwegene Tat. Leider wusste weder Mario noch Micha, dass die Parole auf Lenin zurückging. Der Strick, der einem Übeltäter um den Hals gelegt werden sollte, wurde wie folgt gedreht: Wer Lenin beleidigt, beleidigt die Partei. Wer die Partei beleidigt, beleidigt die DDR. Wer die DDR beleidigt, ist gegen den Frieden. Wer gegen den Frieden ist, muss bekämpft werden – und wie es aussah, hatte Micha Lenin beleidigt. Deshalb wurde er von seiner Direktorin, die mit dem Namen Erdmute Löffeling gestraft war, zu einem Diskussionsbeitrag verdonnert. Diskussionsbeiträge waren eine echte Strafe, obwohl sie eigentlich eine echte Ehre waren. Niemand wollte einen Diskussionsbeitrag halten. Jeder redete sich heraus. Dabei musste durchklingen, dass man wirklich gern würde, aber leider, leider durch widrige Umstände daran gehindert sei. „Ich habe Hemmungen vor so vielen Menschen.“ „Es gibt bestimmt Bessere.“ „Mir fällt nichts ein, was würdig genug wäre.“ „Ich bin kein guter Redner.“ „Ich hab keine Zeit, um mich vorzubereiten, meine Mutter ist krank.“ „Ich durfte schon im letzten Jahr.“ „Ich bin bestimmt heiser.“ Micha allerdings konnte sich nicht herausreden. Er hatte gesündigt und musste Reue zeigen. Sein Diskussionsbeitrag sollte heißen „Was uns die Zitate der Klassiker des Marxismus-Leninismus heute sagen.“ Miriam hatte noch nie mit Micha zu tun gehabt. Er befürchtete, für Miriam „der mit der roten Rede“ zu werden, wenn sie ihn ausgerechnet mit dieser Rede das erstemal wahrnimmt. Micha musste sich noch vorher bei Miriam in Szene setzen. Darin bestand die Zwangslage. (Am kürzeren Ende der Sonnenallee, 21, 22)

 

Jens Sparschuh

Een ander humoristisch boek over de hereniging van beide Duitslanden is van Jens Sparschuh (Chemnitz, 1955). Sparschuh is in de DDR opgegroeid, heeft in Leningrad filosofie en logica gestudeerd en later aan de Humboldt Universität in Berlijn gewerkt. Hij was actief in de beweging voor meer burgerrechten in de DDR: Neues Forum. Na de Wende heeft hij regelmatig gastcolleges in de VS gegeven. Sparschuh is schrijver van beroep.

Zijn bekendste boek is Der Zimmerspringbrunnen (1995). Hierin beschrijft hij de lotgevallen van een werkloze DDR-burger, Lobek genaamd, die uiteindelijk na drie jaar een nieuwe baan als vertegenwoordiger van binnenhuisfontijnen vindt. Hij vindt een eigen model uit waarmee hij veel succes heeft. Hij gaat dan zo op in zijn werk, dat hij bijna psychotisch wordt. Zijn vrouw begrijpt hem niet meer en verlaat hem. Uiteindelijk eindigt Lobek als dakloze, een Penner, bij het Bahnhof Zoo.

Het boek is een komisch verhaal over het lot dat velen na de ontmanteling van de verouderde industrie in de DDR trof. Er is in dit boek bepaald geen sprake van heimwee naar vroeger (Ostalgie). Het boek is veeleer een satire op de nieuwe maatschappij waar de vrije markt onverbiddelijk de dienst uitmaakt.

Sparschuh heeft veel mooie boeken geschreven. Hier leest hij uit één van zijn latere boeken Das Leben kostet viel Zeit(2018)

 

Der Zimmerspringbrunnen is ook verfilmd (trailer):

 

 

Ervaringsberichten

 

Jana Hensel, Zonenkinder 

Zonenkinder is in vele talen vertaald.

In Zonenkinder (2002) verwoordt Jana Hensel (1976) op indringende wijze het ambivalente gevoel van een jonge generatie die, nauwelijks volwassen geworden, plotseling gedwongen wordt zijn verleden als een uit de mode geraakt kledingstuk te beschouwen. Haar boek is min of meer autobiografisch, maar door het meervoud in de titel suggereert Hensel dat haar ervaringen door een grotere groep van haar generatie gedeeld worden. Een ambivalent gevoel wil nog niet zeggen dat er bij haar van Ostalgie sprake is. Maar dat zij onder een jeugd in de DDR geleden heeft, daarvan is bij Hensel geen sprake. Sommigen verwijten Hensel, dat zij de tijd van haar jeugd te rooskleurig beschreven heeft, anderen prijzen haar omdat zij een goed beeld heeft geschetst. In elk geval vraagt zij aandacht voor de problematiek van jongeren uit de DDR, die zich van de ene op de andere dag aan totaal veranderde maatschappelijke verhoudingen moesten aanpassen. Jana Hensel werkt als journalist.

In 2017 verscheen haar nieuwe roman Keinland. Het boek is een liefdesroman over de ontmoeting van culturen, in dit geval aan de hand van de relatie tussen een Duits meisje en een Joodse jongen die in Israël gaat wonen. Een indrukwekkende roman over schuld, liefde en noodlot.

In 2019 publiceerde Hensel Wie alles anders bleibt. Geschichten aus Ostdeutschland. Dit is een verzameling van journalistieke artikelen over Oost-Duitsland. Het is een psychogram van een maatschappij die dertig jaar na de plotselinge Wende nog dagelijks met de gevolgen ervan wordt geconfronteerd.

Jana Hensel in gesprek bij Presseklub over de DDR (2009; 9′):

 

Mit einem Schlag hatte ich es satt, anders zu sein als all die anderen. Ich wollte meine Geschichten genauso einfach erzählen wie die Italiener, Franzosen oder Österreicher, ohne Erklärungen zu suchen und meine Erinnerungen in Worte übersetzen zu müssen, in denen ich sie nicht erlebt hatte und die sie mit jedem Versuch ein Stück mehr zerschlugen. Ich verstummte, und um ihre Party und ihr schönes warmes Wir-Gefühl nicht länger zu stören, hielt ich den Mund. Ich überlegte was ich stattdessen mit meiner Kindheit anfangen könnte, in welches Regal ich sie stellen oder in welchem Ordner ich sie heften könnte. Wie ein Sommerkleid war sie anscheinend aus der Mode geraten und taugte nicht einmal mehr für ein Partygespräch. Ich nahm noch einen Schluck aus dem Weinglas und beschloss, mich langsam auf den Weg zu machen. (Zonenkinder.)

 

Op de Frankfurter Buchmesse van 2017 sprak Jana Hensel over Keinland en Zonenkinder (18′).

 

 

Claudia Rusch, Meine freie deutsche Jugend 

Enigszins anders van toon, maar wel met humor, zoals Brussig, beschrijft Rusch (1971) in Meine freie deutsche Jugend haar verleden in de DDR. De titel verwijst naar de jongerenbeweging in de DDR: de Freie Deutsche Jugend (FDJ). Rusch beschrijft in dit boek haar beleving van die periode in haar leven. Haar ouders waren dissidenten en sympathiseerden met de chemicus Robert Havemann. Havemann was sinds 1964 een groot criticus van het DDR-regime. Hij werd scherp in de gaten gehouden vanwege zijn ontrouw aan de SED (SED, Sozialistische Einheitspartei Deutschland). Wie met hem in contact stond had het vaak niet makkelijk in de DDR.

Rusch beschrijft het leven van een jeugd tussen angst en vrijheid. Het boek is een knap verslag van een jeugd die zich ondanks partijdwang toch vaak vrij voelde maar tegelijk in angst leefde om buitengesloten te worden als je niet meedeed. In een nawoord schrijft de Oost-Duitse schrijver (en dissident), Wolfgang Hilbig over dit boek:

Es sind Texte, die ganz und gar auf Methoden verzichten, die den Leser zum sogenannten Lesen zwischen den Zeilen zwingen wollen, was mir die Lektüre von DDR-Literatur lange Zeit vergällt hat: Schreibweisen, die den Leser in Unklarheiten zu verstricken suchten, und die damit am Ende staatstragend waren, weil das DDR-System Unklarheit über seinen wahren Zustand brauchte. …

Die Geschichten von Claudia Rusch sind voller Wärme, voller Solidarität, sie verzichten auf Erfindungen, sie sprechen klar und ohne psychologisches taktieren vom Innenleben in einem Land, das seinen Leuten nicht gut gesonnen war: sie werden damit zu historischen Miniaturen auf scheinbar privater Ebene, oder sie werden in ihrer Abrundung eine Reihe von Beispielen für eine Zeit, in der ein Volk lernte, das Volk zu sein, nämlich eine Gesellschaft von Individuen, und das mit dem lauten Bekenntnis dieser Tatsache seine Regierung und deren Apparat von Spitzeln hinwegfegte. (W. Hilbig in: Rusch, Meine freie deutsche Jugend, 154, 155, 156)

 

Rusch’ beschrijvingen zijn miniaturen, kleine plaatjes van strikt persoonlijke ervaringen uit haar jeugd. Zij schrijft zonder enige vorm van terugverlangen of het land en het systeem mooier voor te willen stellen dan het was. Het is de kracht van haar boek dat zij de ‘strenge leerschool’ die de DDR voor haar was, met milde humor weet te beschrijven. Voor wie zoveel jaren na de val van de muur een idee wil krijgen van hoe het was om in de DDR op te groeien en vervolgens de Wende mee te maken, is dit boekje misschien wel de beste keus. Rusch is later ook succesvolle detectives gaan schrijven, met de hoofdpersoon Zapotek.

‘Jong in de DDR’ (NPO; 17′) gesprek met Claudia Rusch over leven in de DDR:

 

Hier volgt een fragment uit het boek Meine freie Deutsche Jugend over een dag aan het strand op een schoolreisje naar Frankrijk:

‘Es war ein brütend heißer Tag. Als der Bus endlich hielt, waren wir vollkommen durchgeschwitzt. Drinnen und draußen stand die Luft. Dessen ungeachtet war unsere Laune hervorragend. Wir freuten uns auf das kühle Bad, das uns gleich von den Strapazen der  Mittagsdemse befreien würde. Die Reiseleiterin hatte extra etwas Touristenfernes für uns ausgesucht. Ohne Liegen, Schirme und Holzbuden. Gut besucht, aber nicht voll. Urwüchsig mediterran sozusagen. Auf den ersten Blick sah die Côte d’Azur genauso aus wie Zingst oder Zinnowitz. Flache Dünen, heller Sand, keine Palmen. Alles wie in der DDR.

Wir rissen uns die Schuhe von den Füßen und zogen sie auf der Stelle wieder an. Der Sand kochte. Leicht verstimmt gingen wir also in Sandalen weiter zum Ufer. Dort legten wir die Badetaschen ab. Der Anblick der offenen See versöhnte uns. Voller Vorfreude klatschten wir in die Hände: na bitte, das Mittelmeer. Wir hielten einen Moment inne und taten dann etwas für Ostkinder völlig Natürliches: Wir zogen uns nackt aus und sprangen kreischend in die Fluten. Mit einem Schrei des Entsetzens tauchten wir alle wieder auf. Das Wasser war ganz anders, als wir es erwartet hatten. Es war badewannenwarm und vollkommen versalzen. Unsere Augen brannten wie Feuer. So hatten wir uns das nicht vorgestellt. Doch weit mehr als uns das Mittelmeer, verwirrten wir offenbar die Franzosen. Wir saßen kaum zum Trocknen auf den Handtüchern, als bereits die berittene französische Strandpolizei aufkreuzte und uns wild gestikulierend anwies, uns zu bedecken. Sie waren sehr wütend und sahen aus, als würden sie gleich schießen. Wir verstanden nicht sofort, was sie eigentlich aufregte.

Wir waren uns keiner Schuld bewusst. An den langen Ostsee-Stränden badeten alle nackt. Keiner von uns war auf die Idee gekommen, dass FKK (=naturisme) am Mittelmeer nicht üblich sein könnte. Wir hatten nicht mal Badesachen mitgenommen. Unsere Dolmetscherin bemühte sich redlich die angedrohte Geldstrafe abzuwenden. Mit bedeutungsschwangerer Miene erklärte sie den Polizisten, dass wir eine Jugendgruppe aus der DDR seien und dort sei Badekleidung gänzlich unbekannt. Das war zwar geschwindelt, aber es funktionierte. Die Herren auf den Pferden hatten ein Einsehen. Den Rest des Tages mussten wir wohl oder übel in Unterwäsche verbringen. Es war etwas gewöhnungsbedürftig, aber wir beschlossen, das Ganze komisch zu finden. Andere Länder, andere Sitten. Und so wurde unsere erste Begegnung mit dem Mittelmeer doch noch ein voller Erfolg.‘ Meine freie deutsche Jugend, 107, 108)

 

 

Grote Wenderomane

 

Eugen Ruge

In de laatste vijftien jaar zijn er verschillende grotere romans verschenen die de hereniging van beide Duitslanden als thema hebben. De boeken hebben met elkaar gemeen dat ze zowel de hemel in geprezen, als verguisd zijn door de critici. Het mooiste in dit genre, waarover de critici het ook het meeste eens zijn, is de roman van Eugen Ruge, In Zeiten des abnehmenden Lichts, 2011.

De roman vertelt vanuit verschillende perspectieven het verhaal van één familie, over drie generaties uitgesmeerd. De oudste generatie zijn de gevluchte communisten, nog volledig overtuigd vn het communistische ideaal. Bij de volgende generaties neemt het vertrouwen in het communisme langzaam af en ontstaat er zelfs een grote mate van afkeer.

De grootvader van de familie is voor Hitler naar Mexico gevlucht en in 1952 uit overtuiging naar de DDR teruggekomen. De zoon van zijn vrouw Charlotte, Kurt Umnitzer, wordt vanwege kritiek op Stalin in 1941 naar Siberië getransporteerd. Hij komt in 1956 met zijn Russische vrouw naar de DDR. Hun zoon Alexander vlucht kort voor de val van de muur in 1989 naar het Westen. Alexanders zoon is helemaal niet meer in het socialisme geïnteresseerd en vlucht in een bestaan vol alcohol en drugs. Intussen gaat het met de grootouders ook niet meer erg goed. Oma is verslaafd aan alcohol en opa is aan het dementeren, waardoor hij alles vergeet. Kortom, de straling van de ‘socialistische zon’ neemt gaandeweg in kracht af, de familie symboliseert louter Zeiten des abnehmenden Lichts.

Eugen Ruge is in 1954 in de Oeral geboren, heeft wiskunde gestudeerd in de DDR en werkte later aan de Humboldt Universität in Berlijn. In 1988 is hij naar het Westen gevlucht. Sindsdien werkt hij voor het theater en de radio. Zijn boek uit 2011 is enigszins autobiografisch.

In 2019 verscheen van zijn hand de roman Metropol waarin het leven van de grootouders tijdens hun Exil (emigratie) in Moskou in de jaren dertig en veertig centraal staat. In hotel Metropol (foto hierboven) werden emigranten in de tijd van Stalin ondergebracht en in de gaten gehouden.

Trailer van de film In Zeiten des abnehmenden Lichts.

Gesprek met Eugen Ruge bij de Deutsche Welle (49′):

 

Van de overige grote Wenderomane worden hier nog de volgende meest bekende titels genoemd:

Ingo Schulze, Simple Storys (1998)

Roman in 29 verhalen over DDR-burgers die kennis maken met het Westen.

Uwe Tellkamp, Der Turm (2008)

Bespreking van Der Turm.

Lutz Seiler, Kruso (2014)

Bespreking van Kruso  (Nederlands).

 

 

4.2

Opnieuw gedenken

 

Denkmal für die ermordeten Juden Europas (Peter Eisenman)

Voor zover het thema ‘oorlog’ een rol speelt, dan voornamelijk bij de ouderen onder de nieuwe generatie schrijvers, zoals bijvoorbeeld bij Bernhard Schlink in Der Vorleser (1995) of  Uwe Timm in Die Entdeckung der Currywurst (1993) en Am Beispiel meines Bruders (2003). Verder kan hier opnieuw Günter Grass genoemd worden met Im Krebsgang (2002).

Na de Val van de Muur werd ook de vraag naar een Holocaust-Mahnmal in Berlijn plotseling heel actueel. Veel moderne Duitse schrijvers mengden zich met hun romans over de Tweede Wereldoorlog onwillekeurig in de discussie over gedenken. In de discussies over de oprichting van een nieuw gedenkteken in Berlijn speelde ook de publicatie van Daniël J. Goldhagen, Hitlers Willing Executioners (1994) een rol.

 

 

Bernhard Schlink

Der Vorleser: Ich liebe die Geschichte

Hieronder vind je een hoofdstuk uit het boek Der Vorleser van Bernhard Schlink. Bernhard Schlink (1944) zei over dit boek in een interview  ‘Ich liebe die Geschichte’. Daarmee bedoelde hij in de eerste plaats dat je sommige thema’s niet anders dan via een verhaal aan de orde kunt stellen.

In Der Vorleser ontmoet de nog jonge Michael Berg per toeval een wat oudere vrouw, Hanna Schmitz, met wie hij een relatie krijgt. Hanna is in 1922 geboren, heeft de oorlog meegemaakt en zij is analfabeet, ze kan zelf niet lezen en nauwelijks schrijven. Het eerste deel van het boek gaat over hoe zich de relatie tussen Hanna en Michael ontwikkelt. Plotseling verdwijnt Hanna uit Michaels leven. Veel later, als Michael student is, ontmoet hij de vrouw opnieuw. In het kader van zijn studie rechten maakt hij een proces mee tegen vroegere nazi’s. Pas dan komt hij te weten dat Hanna Schmitz in de oorlog een kampbewaakster was. Deze onthulling stelt Michael voor nieuwe vragen, waarop hij in zijn verdere leven een antwoord moet zien te vinden.

In deze spannende en aangrijpende roman verwerkt Schlink het probleem van een naoorlogse generatie, die zich de vraag stelt hoe je in het reine kunt komen met mensen die je in je jeugd hebt liefgehad, maar vroeger nazi’s blijken te zijn geweest. Tijdens het proces dat hij op de tribune meemaakt, besluit hij liftend een bezoek te brengen aan het concentratiekamp Natzweiler-Struthof in de Elzas. (Natzweiler is nu een museum, link onder foto).

 

Onder deze link vind je het begin van Der Vorleser:

 

Begin van Der Vorleser:

‘Als ich fünfzehn war, hatte ich Gelbsucht. Die Krankheit begann im Herbst und endete im Frühjahr. Je kälter und dunkler das alte Jahr wurde, desto schwächer wurde ich. Erst mit dem neuen Jahr ging es aufwärts. Der Januar war warm, und meine Mutter richtete mir das Bett auf dem Balkon. Ich sah den Himmel, die Sonne, die Wolken und hörte die Kinder im Hof spielen. Eines frühen Abends im Februar hörte ich eine Amsel singen.

Mein erster Weg führte mich von der Blumenstraße, in der wir im zweiten Stock eines um die Jahrhundertwende gebauten, wuchtigen Hauses wohnten, in die Bahnhofstraße. Dort hatte ich mich an einem Montag im Oktober auf dem Weg von der Schule nach Hause übergeben. Schon seit Tagen war ich schwach gewesen, so schwach wie noch nie in meinem Leben. Jeder Schritt kostete mich Kraft. Wenn ich zu Hause oder in der Schule Treppen stieg, trugen mich meine Beine kaum. Ich mochte auch nicht essen. Selbst wenn ich mich hungrig an den Tisch setzte, stellte sich bald Widerwillen ein. Morgens wachte ich mit trockenem Mund und dem Gefühl auf, meine Organe lägen schwer und falsch in meinem Leib. Ich schämtemich, so schwach zu sein. Ich schämte mich besonders, als ich mich übergab. Auch das war mir noch nie in meinem Leben passiert. Mein Mund füllte sich, ich versuchte, es hinunterzuschlucken, preßte die Lippen aufeinander, die Hand vor den Mund, aber es brach aus dem Mund und durch die Finger. Dann stützte ich mich an die Hauswand, sah auf das Erbrochene zu meinen Füßen und würgte hellen Schleim.

Die Frau, die sich meiner annahm, tat es fast grob. Sie nahm meinen Arm und führte mich durch den dunklen Hausgang in den Hof. Oben waren von Fenster zu Fenster Leinen gespannt und hing Wäsche. Im Hof lagerte Holz; in einer offenstehenden Werkstatt kreischte eine Säge und flogen die Späne. Neben der Tür zum Hof war ein Wasserhahn. Die Frau drehte den Hahn auf, wusch zuerst meine Hand und klatschte mir dann das Wasser, das sie in ihren hohlen Händen auffing, ins Gesicht. Ich trocknete mein Gesicht mit dem Taschentuch.

»Nimm den anderen!« Neben dem Wasserhahn standen zwei Eimer, sie griff einen und füllte ihn. Ich nahm und füllte den anderen und folgte ihr durch den Gang. Sie holte weit aus, das Wasser platschte auf den Gehweg und schwemmte das Erbrochene in den Rinnstein. Sie nahm mir den Eimer aus der Hand und schickte einen weiteren Wasserschwall über den Gehweg.

Sie richtete sich auf und sah, daß ich weinte. »Jungchen«, sagte sie verwundert, »Jungchen.« Sie nahm mich in die Arme. Ich war kaum größer als sie, spürte ihre Brüste an meiner Brust, roch in der Enge der Umarmung meinen schlechten Atem und ihren frischen Schweiß und wusste nicht, was ich mit meinen Armen machen sollte. Ich hörte auf zu weinen.

Sie fragte mich, wo ich wohnte, stellte die Eimer in den Gang und brachte mich nach Hause. Sie lief neben mir, in der einen Hand meine Schultasche und die andere an meinem Arm. Es ist nicht weit von der Bahnhof Straße in die Blumenstraße. Sie ging schnell und mit einer Entschlossenheit, die es mir leicht machte, Schritt zu halten. Vor unserem Haus verabschiedete sie sich.

Am selben Tag holte meine Mutter den Arzt, der Gelbsucht diagnostizierte. Irgendwann erzählte ich meiner Mutter von der Frau. Ich glaube nicht, dass ich sie sonst besucht hätte. Aber für meine Mutter war selbstverständlich, dass ich, sobald ich könnte, von meinem Taschengeld einen Blumenstrauß kaufen, mich vorstellen und bedanken würde. So ging ich Ende Februar in die Bahnhofstraße. (Der Vorleser, p. 5 – 6.)

Nederlandse vertaling:

‘Toen ik vijftien was, kreeg ik geelzucht. De ziekte begon in de herfst en eindigde in het voorjaar. Hoe kouder en donkerder het oude jaar werd, hoe ellendiger ik me voelde. Pas met het nieuwe jaar ging het de goede kant op. Januari was warm en mijn moeder maakte een bed voor me op het balkon. Ik zag de hemel, de zon, de wolken en hoorde de kinderen spelen op de binnenplaats. Vroeg op een avond in februari hoorde ik een merel zingen.

Mijn eerste wandeling bracht me van de Blumenstrasse, waar we op de tweede verdieping woonden van een kast van een huis dat rond de eeuwwisseling was gebouwd, naar de Bahnhofstrasse. Daar had ik op een maandag in oktober op weg van school naar huis staan overgeven. Al dagenlang had ik me ellendig gevoeld, ellendiger dan ooit in mijn leven. Elke stap kostte me inspanning. Als ik thuis of op school een trap op liep, konden mijn benen me nauwelijks dragen. Ik had ook geen zin in eten. Zelfs als ik hongerig aan tafel ging, voelde ik algauw weerzin opkomen.

’s Ochtends werd ik wakker met een droge mond en met het gevoel alsof mijn organen zwaar en verkeerd in mijn lijf lagen. Ik schaamde me dat ik er zo ellendig aan toe was. Ik schaamde me vooral toen ik stond over te geven. Ook dat was me mijn hele leven nog nooit overkomen. Mijn mond liep vol, ik probeerde het weg te slikken, perste mijn lippen op elkaar, hand voor mijn mond, maar het golfde mijn mond uit en tussen mijn vingers door. Toen zocht ik steun tegen de huismuur, keek naar het braaksel aan mijn voeten en kokhalsde alleen nog maar slijm.

De vrouw die zich over mij ontfermde deed dat bijna ruw. Ze pakte mijn arm en leidde me door de donkere gang naar de binnenplaats. Boven waren van raam tot raam drooglijnen gespannen en hing was. Op de binnenplaats lag hout opgeslagen; in een werkplaats waarvan de deur openstond, snerpte een zaag en vlogen de spaanders in het rond. Naast de deur naar de binnenplaats was een kraan. De vrouw draaide de kraan open, waste eerst mijn hand en smeet toen het water dat ze met haar holle handen opving in mijn gezicht. Ik droogde mijn gezicht af met mijn zakdoek.

‘Neem jij de andere!’ Naast de kraan stonden twee emmers, ze pakte er een en liet hem vollopen. Ik pakte de andere emmer, vulde die en volgde haar door de gang. Ze haalde wijd uit, het water kletste op het trottoir en spoelde het braaksel in de goot. Ze nam de emmer uit mijn hand en liet nog een plens water over het trottoir lopen.

Ze richtte zich op en zag dat ik huilde. ‘Jochie,’ zei ze verbaasd, ‘jochie.’ Ze sloeg haar armen om me heen. Ik was nauwelijks groter dan zij, voelde haar borsten tegen mijn borst, rook in de benauwenis van de omarming mijn slechte adem en haar verse zweet en wist niet wat ik met mijn armen moest doen. Ik hield op met huilen.

Ze vroeg me waar ik woonde, zette de emmers in de gang en bracht me naar huis. Ze liep naast me, in haar ene hand mijn schooltas en in haar andere mijn arm. Het is niet ver van de Bahnhofstrasse naar de Blumenstrasse. Ze liep snel en met een vastberadenheid die het me gemakkelijk maakte om haar bij te houden. Voor ons huis nam ze afscheid.

Dezelfde dag liet mijn moeder de dokter komen, die geelzucht constateerde. Ik moet mijn moeder over die vrouw hebben verteld. Ik geloof niet dat ik haar anders zou hebben bezocht. Maar voor mijn moeder was het vanzelfsprekend dat ik, zodra ik kon, van mijn zakgeld een bos bloemen zou kopen en haar zou gaan opzoeken om haar te bedanken. Zo ging ik eind februari naar de Bahnhofstrasse.’  (Vert. Gerda Meyerink.)

Bespreking van Der Vorleser in het Duits

 

Bernhard Schlink, zelf jurist en tot voor kort docent aan de Freie Universität in Berlijn, heeft veel mooie en heel leesbare boeken geschreven, waarin het thema schuld en recht centraal staan. Eén van zijn laatste boeken is Abschiedsfarben.

Gesprek met Bernhard Schlink over Der Vorleser (2009; Engelstalig; 14′).

Gesprek (uit 2020) met B. Schlink n.a.v. zijn verhalenbundel Abschiedsfarben (28′):

 

Der Vorleser is onder de titel The Reader ook verfilmd met Kate Winslet in de hoofdrol.

 

 

Uwe Timm

Die Entdeckung der Currywurst: raadsels

 

Deze novelle van Uwe Timm vertelt het verhaal over het ontstaan van de Currywurst. Anders dan de titel doet vermoeden, is dit slechts een motief in een novelle waarin de oorlog en de directe nasleep centraal staan. De verteller gaat op zoek naar het ontstaan van de Currywurst, maar krijgt eerst het verhaal te horen over een soldaat, Hermann Bremer, die in het laatste oorlogsjaar deserteert en op toevallige wijze in de rij voor de bioscoop Lena Brücker ontmoet. Zij neemt hem mee naar huis en verstopt hem voor de buitenwereld. De tijd doodt hij met het maken van een kruiswoordpuzzel. Het verblijf bij Lena is niet zonder risico, maar bevalt beiden wel. De woning wordt verschillende keren doorzocht, maar Herman Bremer weet steeds aan de controle te ontsnappen.

Als de oorlog voorbij is, probeert Lena eerst de afloop ervan voor Bremer verborgen te houden. Dit leidt tot komische situaties, want hoe houdt zij dit vol? Als foto’s van concentratiekampen in de kranten verschijnen, krijgt Lena het er te kwaad mee. Zij loopt eerst nog weg, maar als zij later terugkomt, is Bremer verdwenen. Dan komt haar eigen man terug, van wie zij al die tijd in de oorlog niets vernomen had. Zij zet hem spoedig weer de deur uit. Pas aan het eind van het boek krijgen we te horen hoe de Currywurst via een listige cyclus van ruilen op de zwarte markt door Lena Brücker vlak na de oorlog in Hamburg bij toeval ontstaan en uitgevonden is.

 

Uwe Timm noemt het verhaal een novelle. Het voldoet ook aan alle kenmerken van de novelle, een bijzondere gebeurtenis, de ding-symboliek en een duidelijk keerpunt, het is er allemaal in terug te vinden. Wie wil, kan hier zijn hart ophalen. Zo zoekt Bremer in het kruiswoordraadsel naar de namen van Homerus en de nymfen Calypso en Kirke. Deze laatsten houden door hun betovering in het verhaal van Homerus (in de Odyssee) de hoofdpersoon Odysseus op weg naar huis gevangen. Zo wordt ook Bremer door Lena’s leugens gevangen gehouden, maar hij doorziet dit raadsel en de vele andere raadsels waarin hij zich bevindt niet.

Timm speelt op kunstige wijze met dit thema en met het genre van de novelle. Dat maakt het boek niet moeilijk of minder leesbaar. Het is in de eerste plaats een spannende en komische geschiedenis, die goed past in de moderne verteltraditie van de nieuwe generatie schrijvers van rond de eeuwwisseling (van tweeduizend).

Uwe Timm leest uit Die Entdeckung der Currywurst (1′ – 5′).

Die Entdeckung der Currywurst is ook verfilmd:

 

 

Johannisnacht: de metamorfose van een stad

 

Reichstag verhüllt (Link naar film, 4′)

Een heel bijzonder boek is Johannisnacht (1996), dat geheel in het Berlijn van direct na de Wende speelt. De muur is net gevallen, de chaos in de stad is totaal. De hoofdpersoon Blok zoekt een begin voor zijn nieuwe roman, maar dat lukt hem niet. Gelukkig krijgt hij een verzoek om een artikel te schrijven over de aardappel. Dit brengt bij hem een opmerking van zijn oom in herinnering, die het maar steeds over Roter Baum had. De oom kon aardappelsoorten onderscheiden als de beste. Maar wat hij daarbij met Roter Baum bedoelde, was in de familie eigenlijk nooit opgehelderd, Blok vermoedt een aardappelsoort en gaat op onderzoek uit. Dit brengt hem op de meest onwaarschijnlijke en fantastische plaatsen in zowel West- als Oost-Berlijn (er vinden heel wat grensoverschrijdingen plaats in dit boek). De titel verwijst naar de vele raadselachtige situaties, waar Blok in verzeild raakt.

Aan het verhaal gaat een citaat uit Shakespeares Midsummer Night’s Dream vooraf:

So quick bright things come to confusion

Betovering en verhulling spelen een belangrijke rol in dit boek.

Aan het eind van het verhaal vlucht Blok in totale verwarring de stad uit, met de woorden ‘ik heb Berlijn gezien’. Een toevallige ontmoeting in de trein met een straatmuzikant brengt hem bij de oplossing.

Het boek is een meesterwerk. Verhaal na verhaal en verhaal in verhaal wordt verteld om maar dichter bij de oplossing van het raadsel van Roter Baum te komen. Timm speelt met het thema ‘verhulling en onthulling’, dat in 1995 letterlijk erg actueel was in Berlijn. De kunstenaar  Cristo had juist de Reichstag ingepakt en voor de renovatie weer uitgepakt. Hoofdstuk 2 van het boek heeft als titel: Der Reichstag, verhüllt.

Lees hier het begin van het boek Johannisnacht p. 7 – 19.

In dit humoristische boek over Berlijn zit een serieuze ondertoon. Soms klinkt ook het thema oorlog weer even tussen de regels door. Maar dat gebeurt toch op geheel andere wijze, dan in de veel zwaardere en vaak belerende toonzetting van de romans van bijvoorbeeld Heinrich Böll of Günther Grass, die de oorlog natuurlijk ook veel bewuster hadden meegemaakt.

Zo zou je het hoofdstuk Wannsee in Johannisnacht – denk aan de Villa am Wannsee, waar in 1942 tot de moord op de Joden werd besloten – ook buiten beschouwing kunnen laten. Ook al is het misschien wel de sleutel voor een juiste interpretatie van deze roman.

Haus der Wannsee-Konferenz

Hoe dit ook zij, voor de ontknoping van de avonturen van Blok op zoek naar de betekenis van Roter Baum maakt dat niet veel uit. Wat je dan overhoudt is een humoristisch, goed verteld en spannend verhaal over de chaos in Berlijn na de Val van de Muur.

Dat is ook precies waar het deze generatie schrijvers in de eerste plaats om gaat: vertel een goed verhaal.

 

Am Beispiel meines Bruders: een Mahnmal

 

Engelse vertaling van Am Beispiel meines Bruders

Met zijn indrukkende boek Am Beispiel meines Bruders (uit 2003) levert Timm impliciet een bijdrage aan de discussie over het op te richten gedenkteken/Mahnmal in Berlijn, het Mahnmal für die ermordeten Juden. Het boek is zelf ook eigenlijk een Mahnmal. Het is autobiografisch en gaat over zijn vader, moeder en zus, maar vooral over zijn broer, die in de oorlog aan het front in (de) Oekraine is omgekomen. Zijn broer herinnert hij zich eigenlijk alleen van een enkele foto. Verder bezit de familie brieven, een soort dagboek, dat onverwacht afbreekt:

Hiermit schließe ich mein Tagebuch, da ich für unsinnig halte, über so grausame Dinge wie sie manchmal geschehen, Buch zu führen.‘  (102)

 

‘Voor ik met dit boek begon’, schrijft Timm, ‘heb ik het boek van Christopher R. Browning gelezen:  Ganz normale Männer..….’

Fragment uit Am Beispiel meines Bruders:

Ich habe, als ich mit dieser Arbeit begann, mit diesem Versuch, über den Bruder zu schreiben , das Buch von Christopher R. Browning gelesen: Ganz normale Männer. Das Reserve-Polizeibataillon 101 und die „Endlösung“ in Polen. Was Browning belegt, anhand von Prozeßaussagen der damals noch lebenden Männer, ist, daß sie, als der Befehl kam, jüdische Zivilisten zu erschießen, Männer, Frauen und Kinder, den Befehl hätten verweigern können, ohne Disziplinarstrafen befürchten zu müssen. Es gab dafür Beispiele, auch in diesem Bataillon. Allerdings traten nur 12 von den etwa 500 Soldaten vor, gaben ihre Karabiner ab und bekamen andere Aufgaben.

Diejenigen – also die meisten, man müßte sagen, fast alle -, die nicht vortraten, nicht nein sagten, die gehorchten, töteten, nach anfänglichen Skrupeln, von Mal zu Mal selbstverständlicher, rücksichtloser, mechanischer – Tatbeschreibungen, die zu lesen man sich zwingen muß – das Unfaßliche. (103, 104)

 

Uiteindelijk gaat het boek natuurlijk ook over Timm zelf, maar dan vooral over de vraag hoe er nu herinnerd moet worden en hoe je met schuld in het reine kunt komen. Het is niet gering wat Timm daarover met dit boek zegt, minstens zo indrukwekkend als het gedenkteken in Berlijn zelf. Een prachtig boek, zoals alle boeken van Timm, goed leesbaar en zeer de moeite waard.

Uwe Timm leest het begin van Am Beispiel meines Bruders blz 9 – 12:

 

Uwe Timm heeft vier dochters. Voor elk heeft hij een grappig kinderboek geschreven. Het bekendste is Rennschwein Rudi Rüssel, dat ook verfilmd is en vele drukken heeft beleefd. Timm is één van de beroemdste Duitse schrijvers van dit moment. Hij heeft nog vele andere mooie boeken geschreven.

Toen het thema ‘de verwerking van het kolonialisme’ nog lang niet zo in het centrum van de belangstelling stond als nu, schreef Timm de indrukwekkende roman Morenga (1978). Op grond van verslagen van ooggetuigen vertelt hij het verhaal van de opstand van de Hottentotten en hun leider Morenga van rond 1904.

Voor wie meer wil weten over de Duitse koloniale geschiedenis en de oorlogen die in Zuidwest-Afrika gevoerd zijn (tegenwoordig Namibië) is dit boek onmisbaar.

Gesprek met Uwe Timm over zijn werk en de zogenaamde ‘Erinnerungskultur‘.

 

 

Mahnmal für die ermordeten Juden

Voor het Mahnmal für die ermordeten Juden zijn verschillende voorstellen gedaan:

  • Eén inzending stelde voor om de Brandenburgertor tot as te vermalen en met graniet te bedekken. (Inzending 1: Wie symbolisiert man eine Abwesenheit, eine Verlust?)
  • Een ander voorstel wilde een stuk Autobahn (bij Kassel) met de karakteristieke Kopfsteinpflaster plaveien, met daarboven een bord ‘Mahnmal für die ermordeten Juden Europas’. (Inzending 2: Überschrieben.)

 

1

2

  • Nog weer een ander voorstel was om op de Pariser Platz bij de Brandenburgertor een groot leeg diep gat van 80x40x50 te maken. (Inzending 3: Leerstelle.)
  • Verder zijn er in verschillende wijken in de vorm van bushalte-borden schrijnende teksten uit de (anti-joodse-)wetgeving van 1938 opgehangen. (Voorstel 4.)

 

3

4

 

Dit is het Mahnmal/gedenkteken dat er in 2005 gekomen is. De architect is Peter Eisenman (link onder foto):

 

 

 

Günter Grass

Im Krebsgang : In Krabbengang

 

‘Warum erst  jetzt?’ sagte jemand, der nicht ich bin. Weil Mutter mir immer wieder … Weil ich wie damals, als der Schrei überm Wasser lag, schreien wollte, aber nicht könnte … Weil die Wahrheit kaum mehr als drei Zeilen … Weil jetzt erst … (blz 7)

 

Met deze geheimzinnige woorden begint het taboedoorbrekende boek Im Krebsgang (2002; Nederlandse vertaling: In krabbengang) van Günter Grass (1925 – 2015). De verteller van dit spannende, deels echt gebeurde verhaal, is de journalist Paul Pokriefke. Pokriefke werd op wonderbaarlijke wijze gered van het door de Russen in 1945 naar de zeebodem getorpedeerde passagiersschip de Wilhelm Gustloff. Met dit schip, dat onder de Nazis dienst had gedaan als ‘vakantieschip’ van de nationaalsocialistische organisatie Kraft durch Freude, werden meer dan 10.000 Duitse gewonde militairen en vluchtelingen vanuit het benarde Gdynia in Oost-Pruisen naar het Westen gestuurd. Op 30 januari 1945 werd het schip door de Russen getorpedeerd. Met slechts ongeveer 1000 overlevenden geldt dit als de grootste scheepsramp in de geschiedenis.

Nu pas, in de jaren negentig, schrijft hij zijn verhaal, omdat hij vindt dat het moet. Tot die tijd had hij zijn geschiedenis verdrongen, hoewel zijn moeder hem herhaaldelijk verzocht had om het verhaal van zijn redding op te schrijven.

Via internet is Paul in de jaren negentig op het spoor gekomen, dat het schip met deze legendarische naam voortleeft op websites van actieve neonazi’s. Aarzelend, krebsend, zoals een kreeft zich voortbeweegt, doet hij onderzoek en probeert hij te begrijpen wat er in Duitsland rondom dit schip allemaal verzonnen wordt. Aan het eind van zijn relaas stelt hij somber vast:

Das hört nicht auf. Nie hört das auf.

De Gustloff in 1937

Paul voert in het boek de opdracht uit van een bekende schrijver (denk gerust aan Grass zelf) om de geschiedenis van de Wilhelm Gustloff op te schrijven. Daarmee zou een einde kunnen komen aan het angstvallige zwijgen over het politiek incorrecte thema van Duitsers als slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. Dat zwijgen over de vluchtelingenproblematiek en het lot van de Heimatvertriebene heeft immers alleen maar stof gegeven aan de fantasieën van een verwaarloosde jonge generatie neonazi’s, waar Pauls zoon inmiddels ook toebehoort.

In hoofdstuk één worden de draden gesponnen die in dit boek tot een hecht weefsel worden samengeknoopt en gaandeweg weer worden ontrafeld. Historische personen daarin zijn Wilhelm Gustloff, David Frankfurter en Alexander Marinesko. Gustloff is NSDAP-lid en probeert het gedachtegoed van Hitler in Zwitserland te verspreiden. Hij wordt in 1936 in Bern vermoord door David Frankfurter, een student van joodse afkomst. De derde historische persoon is de Rus Alexander Marinesko, geboren in 1913. Hij is de commandant van de onderzeeër die op 30 januari 1945 de Gustloff tot zinken brengt. De andere maar fictieve hoofdpersonen in het boek zijn: de journalist Paul, die op 30 januari 1945 wordt geboren, zijn moeder Tulla en Pauls zoon Konrad of Konny.

Het spannende boek begint met vier schoten afgevuurd op Wilhelm Gustloff in Bern op 4 februari 1936.

Lees hier het fragment over de moord op Wilhelm Gustloff David Frankfurter:

 

Nach dem Klingeln öffnete Hedwig Gustloff. Ein junger Mann, über den sie später ausgesagt hat, er habe gute Augen gehabt, bat um ein Gespräch mit dem Landesgruppenleiter. Der Stand im Korridor und telefonierte mit dem Parteigenossen Dr. Habermann vom Stützpunkt Thun. Im Vorbeigehen will Frankfurter das Wort “Schweinejuden” aufgeschnappt haben, was Frau Gustloff später bestritten hat: Diese Wortwahl sei ihrem Gatten fremd  gewesen, wenngleich er die Lösung der Judenfrage als unaufschiebbar angesehen habe.

Sie führte den Besucher in das Arbeitszimmer ihres Mannes und bat ihn Platz zu nehmen. Kein Verdacht. Oft kamen unangemeldet Bittsteller, unter ihnen Gesinnungsgenossen, die in Not geraten waren.

Vom Sessel aus sah der Medizinstudent, der im Mantel mit dem Hut auf den Knien saß, den Schreibtisch, darauf die Uhr im leichtgeschwungenen Holzgehäuse, darüber den Dolch der SA hängen. Oberhalb und seitlich des Dolches waren waren in lockerer Anordnung mehrere Abbildungen des Führers und Reichskanzlers schwarzweißer und farbiger Zimmerschmuck. Kein Bild des vor zwei Jahren ermordeten Mentors Gregor Strasser war auszumachen. Seitlich das Modell eines Segelschiffes, wahrscheinlich der Gorch Fock.

Ferner hätte der wartende Besucher, der sich das Rauchen versagte, auf einer neben dem Schreibtisch stehenden Kommode den Radioapparat sehen können, daneben des Führers Büste, entweder als Bronzeguß oder in Gips, dessen Bemalung Bronze vortäuschen sollte. Die fotografierten Schnittblumen auf dem Schreibtisch können schon vor der Tatzeit eine Vase gefüllt haben, liebevoll von Frau Gustloff arrangiert zur Begrüßung ihres Mannes nach anstrengender Reise, zudem als später Geburtstagsgruß.

Auf dem Schreibtisch Kleinkram und viel lässig geordnetes Papier: vielleicht Ortsgruppenberichte aus den Kantonen, sicher Korrespondenz mit Dienststellen im Reich, wahrscheinlich einige Drohbriefe, die in jüngster Zeit häufig mit der Post gekommen waren; doch Gustloff hatte Polizeischutz abgelehnt.

Er betrat das Arbeitszimmer ohne seine Frau. Stramm und gesund, weil seit Jahren jenseits seiner Tuberkulose, ging er zivil gekleidet auf den Besucher zu, der sich nicht aus dem Sessel erhob, sondern sitzend schoß, kaum hatte er den Revolver aus der Tasche des Wintermantels gezogen. Gezielte Schüsse machten in der Brust, im Hals, im Kopf des Landesgruppenleiters vier Löcher. Der brach vor den gerahmten Bildern seines Führers ohne Schrei zusammen. Gleich darauf stand seine Frau im Zimmer, sah zuerst den noch in Schußrichtung gehaltenen Revolver, dann ihren gestürzten Mann, der, während sie sich über ihn beugte, aus allen Wundlöchern zu verbluten begann.

David Frankfurter, der Reisende ohne Rückfahrkarte, setzte den Hut auf und verließ, ohne von den aufgestörten Mitbewohnern des Hauses gehindert zu werden, den Ort seiner vorbedachten Tat, irrte einige Zeit im Schnee umher, fiel dabei mehrmals, hatte die Notrufnummer im Kopf, bezichtigte sich in einer Telefonzelle als Täter, fand schließlich das nächstgelegene Wachlokal und stellte sich der kantonalen Polizei.

Den folgenden Satz hat er zuerst dem wachhabenden Beamten zu Protokoll gegeben und später vor Gericht wiederholt, ohne ihn zu variieren: »Ich habe geschossen, weil ich Jude bin. Ich bin mir meiner Tat vollkommen bewußt und bereue sie auf keinen Fall. [ p. 27 – 28. ]

 

Het boek eindigt eveneens met vier schoten die afgevuurd worden door Pauls zoon, Konny, op iemand die hij via zijn website kent. Deze jongen, die zich David noemt, geeft zich voor Jood uit, maar blijkt dat later helemaal niet te zijn en Wolfgang Stremplin te heten. Hij had echter wel de bedoeling om het nazisme te bestrijden. Konny eindigt na deze moord in de gevangenis.

Het schip de Gustloff  zou een vakantieschip moeten worden en de naam van Hitler krijgen. Maar na de aanslag ziet Hitler van de naamgeving af en wil de omgekomen nazi-functionaris eren door het schip naar hem te vernoemen. De bestemming van het schip wordt al spoedig heel anders, vanwege de grote aantallen Duitse vluchtelingen uit Polen. Het gaat voornamelijk dienst doen voor de opvang van zieken en vluchtelingen.

De hoogzwangere Tulla is een van de vluchtelingen op het schip dat op 30 januari 1945 naar de zeebodem wordt getorpedeerd. Tulla weet zich echter te redden en op dezelfde dag aan Paul het leven te schenken. Tulla woont na de oorlog eerst met haar zoon in de DDR. Maar zodra de de Muur gebouwd wordt, ziet zij kans haar zoon naar het Westen te laten vluchten.

Paul leeft in West-Berlijn als journalist. Zijn moeder vraagt hem herhaaldelijk om het verhaal van de Gustloff op te schrijven.

Wie aisig die See jewesen is und wie die Kinderchen alle koppunter. Das mußte aufschraiben. Biste ons schuldig als glücklich Ieberlebender. Werd ech dir aines Tages erzählen, klitzklain, ond denn schreibste auf … ” ‘Aber ich wollte nicht. (p. 31)

Pas na vijftig jaar, de Muur is intussen gevallen en Duitsland verenigd, schrijft Paul het verhaal op.

Met dit knap geconstrueerde boek levert Grass vanuit een ander perspectief een bijdrage aan het gedenken van de Tweede Wereldoorlog. Kort voor het verschijnen van zijn autobiografie Beim Häuten der Zwiebel (2006) onthult Grass voor het eerst wat hijzelf precies gedaan heeft in de Tweede Wereldoorlog.

Im Krebsgang to go (9′):

 

Grass’ onthulling – ‘Ich war Mitglied der Waffen-SS’

Als 15-jarige meldde Grass zich vrijwillig om dienst te gaan doen op een U-Boot (onderzeeër). Omdat daarvoor niemand meer nodig was, moest hij in dienst van de Reichsarbeitsdienst, oorspronkelijk een vorm van werkverschaffing, maar in de oorlogsjaren werd dit een ondersteuningsorgaan voor de Wehrmacht.

In 1944, Grass is dan 17, wordt hij als dienstplichtige opgeroepen voor de Waffen-SS en deed hij dienst bij de 10e SS-pantserdivisie Frundsberg. Van mei 1945 tot eind april 1946 verbleef hij in Amerikaanse gevangenschap.

Poolse vakbondsleider Lech Walensa:
‘An seiner Stelle würde ich den Titel als Ehrenbürger der Stadt Danzig zurückgeben!’

Lang ging men ervan uit dat Grass, zoals zovele mannen van zijn generatie, Flakhelfer (hulp bij de luchtafweer) was geweest en als ‘normale soldaat’ gediend had. Juist zijn lidmaatschap van de Waffen-SS, een onderafdeling van de ‘politieke’ SS van de NSDAP, plaatste zijn oorlogsverleden in een ander daglicht.

Deze late onthulling (in 2006) van een Nobelprijswinnaar voor de literatuur (1999) heeft onder critici veel stof doen opwaaien.

 

Documentaire over Günter Grass n.a.v. Im Krebsgang (13′):

 

Het wordt tegen deze achtergrond wel begrijpelijk waarom dit thema steeds weer, maar vanuit eenzelfde politieke hoek en links engagement, in zijn oeuvre opduikt. Met Im Krebsgang, dat in 2002 verscheen, heeft hij als het ware de weg vrij gemaakt voor zijn ultieme en persoonlijke bekentenis uit 2006 over de Tweede Wereldoorlog. Binnen het grote oeuvre van Grass wordt dit boek tot de reeks van vier gerekend, die je in elk geval gelezen moet hebben: naast Katz und MausGrimms Wörter en Im Krebsgang staat Die Blechtrommel.

 

 

 

 

4.3

Coming of age: Irony is over 

 

Florian Illies 

Generatie Golf

 


Florian Illies (1971) beschrijft in het boek Generation Golf  (2000) in een bijzonder komische stijl het levensgevoel van zijn leeftijdgenoten:

De jaren tachtig waren wel het saaiste decennium van de twintigste eeuw. Nicole zong over een beetje vrede, Helmut Kohl werd weer een beetje magerder en weer een beetje dikker, koffie heette plotseling Cappucino en Raider werd Twix. Maar verder veranderde er helemaal nix. Je vermoedde toen nog niet, dat je tot een generatie behoorde voor wie het leven, zelfs op maandagen, aanvoelde als de trage stilte van een zondagse achternamiddag. Ja, je wist nog niet eens, dat je überhaupt tot een generatie behoorde. Ergens reed toen plotseling zelfs over de straten van onze provincie een eerste donkerblauwe Golf Cabrio. In deze auto zat dan meestal een jonge blonde vrouw met zonnebril en Barbour-jack. De donker blauwe Cabrio wees ons de weg uit de leegte van de jaren tachtig naar het motto: Omdat ik het nu eenmaal waard ben. (Blz. 1, vert. J. K.) 

In een vlotte journalistiek stijl ontwerpt Illies een kritisch beeld van de generatie, die er al op jonge leeftijd een levensstijl op nahoudt, waar hun ouders nog tot op hoge leeftijd hard voor hebben moeten werken. Zonder zich echt druk te maken over het milieu of politieke veranderingen, leeft de Generatie Golf (Generation X) al consumerend en zich welbewust van de juiste trendy modemerken er lustig en onbekommerd op los. Alles draait om het ik, de nieuwe generatie leeft in een egocentrische maatschappij, waarin het bezit van een auto van minstens de klasse Golf tot hoogste waarde is verheven.

De ondertitel is ‘Eine Inspektion’, Illies wil de maatschappij van zijn generatie doorlichten en in kaart brengen. De acht hoofdstukken hebben reclameslogans van Volkswagen als titel. Het hoofdstuk waarin de vroege jeugd en de tijd op school besproken wordt, heeft als titel:

Woher komme ich? Wohin gehe ich? Und warum weiß mein Golf die Antwort?

Deze generatie weet niet anders dan dat zij voor succes geboren is, zonder generatieconflict volwassen wordt, sport bedrijft uit ijdelheid, zich meer zorgen maakt over de kleding van politici dan over wat zij doen, geen bescheidenheid kent en er van overtuigd is, dat vroeger alles slechter was, in elk geval wat consumptie betreft. Om met de VW-reclame te spreken:

Früher war alles schlechter. Zumindest was den Verbrauch angeht ….

In onze poëziealbums was de meest geliefde spreuk: Lebe fröhlich, frisch und munter. Wie ein Frosch und geh nicht unter. Beziehungsweise: Lebe fröhlich, lebe froh, wie der Mops im Haferstroh. En zoiets nemen wij serieus. Toen wij begonnen boeken te kopen, werden wij door de markt met een fantastisch aanbod bediend: Maak je geen zorgen, leef of Het succes zit in jouzelf of tot slot Op eigen kracht. En als dat alles niet helpt, dan is er nog de drug met de fraaie naam: Ecstasy. (blz 197.)

 

Het zoeken naar een levenszin is daarmee voor deze generatie overvloedig beantwoord. Het boek is vlot leesbaar, humoristisch door de toon en heel onderhoudend, puur vermaak eigenlijk. Sommigen zagen dit anders, toen het boek in 2000 verscheen, zij noemden het een schandaal. Als het dat is dan alleen in de oorspronkelijke zin van het woord: een ergernis als een bewuste valstrik uitgezet, waarover je wel moet struikelen.

Het boek is maatschappijkritiek pur sang, maar dan wel heel wat luchtiger verpakt dan de loodzware ideologische verhandelingen uit de jaren zestig, onder het motto: blijf vooral lachen en neem niets te serieus. Het boek wordt wel het manifest genoemd van de nieuwe jonge generatie schrijvers, die vooral met popmuziek is grootgebracht.

 

Typerend voor de Generation Golf zijn de muziek, teksten en optredens van Die Fantastischen Vier. Hieronder vind je als voorbeeld de ‘song’ MfG. (4′):

 

MfG

ARD, ZDF, C&A

BRD, DDR und USA

BSE, HIV und DRK

GbR, GmbH – ihr könnt mich mal

THX, VHS und FSK

RAF, LSD und FKK

DVU, AKW und KKK

RHP, USW, LMAA

PLZ, UPS und DPD

BMX, BPM und XTC

EMI, CBS und BMG

ADAC, DLRG – ojemine

EKZ, RTL und DFB

ABS, TÜV und BMW

KMH, ICE und Eschede

PVC, FCKW – is nich OK

*Refrain* (2x)

MfG – Mit freundlichen Grüssen
die Welt liegt uns zu Füssen, denn wir steh’n drauf
wir geh’n drauf für ein Leben voller Schall und Rauch
bevor wir fall’n, fall’n wir lieber auf

HNO, EKG und AOK

LBS, WKD und IHK

UKW, NDW und Hubert K

BTM, BKA, hahaha

LTU, TNT und IRA

NTV, THW und DPA

H+M, BSB und FDH

SOS, 110 – tatütata

SED, FDJ und KDW

FAZ, BWL und FDP

EDV, IBM und WWW

HSV, VFB, oleole

ABC, DAF und OMD

TM3, A+O und AEG

TUI, UVA und UVB

THC in OCB is was ich dreh

*Refrain* (3x)

 

MfG – Mit freundlichen Grüssen
die Welt liegt uns zu Füssen, denn wir steh’n drauf
wir geh’n drauf für ein Leben voller Schall und Rauch
bevor wir fall’n, fall’n wir lieber auf

 

 

pop-art

Sinds het werk van Rolf Dieter Brinkmann  is het principe van de populaire literatuur, het pop-principe, algemeen bekend. Deze heeft als kenmerk, dat er geen scherpe scheiding wordt gemaakt tussen zogenaamde hoge cultuur, het elitaire kunstbedrijf met grote “K” en elementen uit de populaire cultuur, bijvoorbeeld de popmuziek.

Je zou zelfs nog verder terug kunnen gaan en sporen aan kunnen wijzen in het werk van schrijvers van rond de Jahrhundertwende, bijvoorbeeld naar het Dadaisme of de collage-roman van Alexander Döblin, waarin bewust grenzen tussen hoge en populaire cultuur overschreden worden.

Je ziet ook in de song van Die Fantastischen Vier hoe er gespeeld wordt met afkortingen uit de media, reclameslogans en modeartikelen. De massamedia en cultuur voor de massa worden door hen heel bewust opgenomen in een hoogstaand en nogal elitair, muzikaal kunstproduct. Jongeren worden er door aangesproken en krijgen kunst via moderne middelen gedoseerd opgediend, zodat alles ter vermaak en ontspanning geconsumeerd kan worden. De concurrentie met de nieuwe media (Internet, Facebook, Podcast e.d.) speelt onmiskenbaar een rol.

Een nieuw type literatuur ontstaat, dat vooral onderhoudend genoeg is voor een groot publiek en niet politiek of provocatief. Voor zover dit laatste wel het geval is, wordt er vaak een ironisch spel gespeeld met de werkelijkheid. Sommigen bekritiseren deze nieuwe trend en verwijten de jongere generatie schrijvers dat zij te weinig oog hebben voor de artistieke kant van het vertellen, ze worden bestempeld als producenten van Schlappschwanzliteratur zonder grote esthetische waarde. Behalve Florian Illies zijn velen dan ook in vergetelheid geraakt.

Deze kritiek geldt in elk geval ook niet voor de boeken van Christian KrachtWolfgang Herrndorf, Benjamin Lebert of Sybille Berg die hieronder ter sprake komen.

 

Voor meer informatie over de schrijvers van Generation Golf, ga naar de nieuwe pagina via de link onder de afbeeldingen:

 

 

 

4.4

De stem van migranten: grenzen voorbij

 

Radek Knapp

Feridun Zaimoglu

Europa gibt es nicht, Europa bestaat niet, zegt de in het Duits schrijvende Japanse Yoko Tawada (1960). Daarmee doelt zij niet op de huidige politieke en economische crisis in de EU. Maar eerder op de globalisering, die de vraag naar nationaliteit, identiteit en het bestaan van grenzen op een nieuwe manier aan de orde stelt. De uit Polen afkomstige Oostenrijker Radek Knapp (1964) zegt het zo:

Die Behörden in ganz Westeuropa bemühten sich recht ordentlich, die Fremden zu integrieren. …  Der Westen hat gute Absichten, er übersah nur einen Punkt. Dass es keinen Emigranten auf der Welt gibt, der sich selbst als Emigranten sieht. (Der Gipfeldieb, p. 43.)

 

Feridun Zaimoglu (1964) wil zelfs het woord Migrationshintergrund niet horen:

In een gesprek met het weekblad Der Spiegel, Ich fühle mich pudelwohl hier (25-10-2010),  zegt hij:

Für mich zeugt der Begriff „Migrationshintergrund“ von Feigheit vor dem Feind, vor jener meist schweigenden Minderheit von Deutschen, die sich nicht trauen, offen zu sagen „Wir mögen keine Ausländer“. Diese Deutschen wüten gegen die sogenannten Integrationsunwilligen.

 

De eerste groep migranten die na de Tweede Wereldoorlog naar Duitsland kwamen, waren gastarbeiders uit Zuid-Europa. Vanaf de jaren zeventig werd er van gastarbeidersliteratuur gesproken. Hiermee werd de door de gastarbeiders zelf in het Duits geschreven literatuur bedoeld. Kenmerkend voor deze groep was de aandacht die zij in hun teksten vroegen voor de situatie van gastarbeiders. Zij hielden echter tevens een pleidooi voor een nieuw geluid van schrijvers die niet tot het gevestigde Duitse literatuurbedrijf behoorden.  Een voorbeeld van een klassieke tekst uit deze periode is Als Hund van Jusuf Naoum (1941), die in 1964 naar Duitsland kwam.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, wäre ich schon längst eigebürgert, und ich bräuchte nicht jedes Jahr um meine Aufenthaltsgenehmigung betteln.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, hätte ich längst die Rechte eines deutschen Menschen, und keiner wollte mich ausweisen.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, würden sie mich streicheln und freundlich begrüssen, und keiner würde auf mich herab sehen.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, hätte ich nicht Lokalverbot, sondern ich wäre in den ersten Häusern willkommen.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, hätte ich eine anständige warme Wohnung und nicht eine Hütte im Abrisshaus.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, brauchte ich mich nicht schämen, viele Kinder zu haben.

Als Hund, der schon solange in Westberlin lebt, würde mich keiner Kanake nennen oder Kameltreiber.

Ja, wenn ich ein Hund wäre, und ich würde schon so lange in Westberlin leben, ja, dann trüge ich ein schönes Band am Hals und könnte hinscheißen, wohin es mir passt.

 

Met de Italiaan Franco Biondi (1947) en de Turkse schrijver Aras Ören (1939) waait er vanaf de jaren tachtig een andere wind door de migrantenliteratuur. De aanklacht tegen de Duitse staat over slechte behandeling en discriminatie raakt op de achtergrond. Zij gaan met hun landgenoten in discussie, wijzen er onomwonden op dat gastarbeiders soms zelf oorzaak van hun problemen zijn. Zij leggen veel meer nadruk op het poëtische en op de mogelijkheden, die buitenlanders met hun eigen achtergrond in de Duitse literatuur hebben.

Die Fremde ist auch ein Haus luidt de titel van een boek uit 1980 van Aras Ören. Biondi’s in de jaren zeventig en tachtig geschreven gedichten werden in 1995 uitgegeven onder de titel Ode an die Fremde: Gedichte 1973 – 1993. Beiden maken zich sterk voor een leven in twee culturen, die elk hun goed recht hebben.

In 1985 schreef Aysel Özakin (1942) die pas in 1981 naar Duitsland kwam, het veelzeggende gedicht Neue Umwelt, waarin een vreemde omgeving uiteindelijk als helemaal niet zo vreemd wordt ervaren.

Neue Umwelt (Aysel Özakin)

Wenn ich den Geschmack nachempfinden kann
Bei einem Mädchen, das Crepes isst
Und an mir vorbei geht.
Wenn ich mir vorstellen kann
Was die beiden alten Frauen vor mir
Arm in Arm einander erzählen
Während sie zurück
Ins Altersheim gehen
Nach Kaffee und Kuchen.

Wenn ich die Mischung
Spüren kann
Von Spaß und Verlorenheit
Bei den arbeitslosen Männern
Die gemeinsam ein zerbrochenes Lied singen
Am Brunnen.

Wenn ich abschätzen kann
Welche Zeitung
Die junge Frau
Mit der Baumwolljacke
In der Tasche hat
Oder der junge Mann
Der mitten in Europa
Von Afrika träumt.Wenn ich mir denken kann
Worauf das Kind neugierig ist
Das enttäuscht die Hand der Mutter verlässt.
Wenn ich die Suche nach dem Sinn des Lebens
Nachfühlen kann
Hinter dem verbitterten Gesicht
Der alleinstehenden Frau.Wenn ich Herzklopfen hören kann
Um mich herum
Dann denke ich mir
Hier lebe ich.

 

Informatie over: Deutschland Migrationsland (Planet Wissen).

 

Vragen en opdrachten bij deze paragraaf over migrantenliteratuur staan op de onderwijspagina van het DIA/UvA.

Feridun Zaimoglu

Een aparte plaats in deze reeks nemen Feridun Zaimoglu (1964) en Emine Sevgi Özdamar (1946) in. Zaimoglu cultiveert in Kanak Sprak (1995) met opzet het eigene van de Turkse cultuur van jongeren in Duitsland. De ondertitel luidt: Die gesammelten Mißtöne vom Rande der Gesellschaft. In het boek laat hij jonge Turken in hun straattaal aan het woord en geeft hij een kritische blik op de Duitse maatschappij vanuit het perspectief van Turkse jongeren. In het voorwoord schrijft hij als waarschuwing:

 

Ich befürchtete, daß meine Absicht, den Kanaken ungeschminkt darzustellen, auf allseitige Entrüstung stoßen würde. Der brave Türke wird mir Nestbeschmutzung vorhalten. Der Deutsche wird mir vorwerfen, ich betriebe die Ikonisierung des kleinkriminellen Vorstadtlevantiners oder arbeitete den Fremdenhassern in die Hände. Diese Vorwürfe handle ich mir ein, weil ich mich weigere, die Realität aus doktrinärer Distanz heraus zu beschreiben statt sie vom Schreibtisch aus zu konstruieren. (Kanak Sprak, 21.)

 

Het boek bestaat uit 24 monologen in straattaal van de tweede generatie Turken. De suggestie wordt gewekt dat het hier om authentiek documenten gaat. Gedeeltelijk is dat waar, maar Zaimuglu heeft nooit ontkend dat het hier ook om literatuur gaat en dat hij de monologen wel degelijk voor dat doel heeft bewerkt.

Dat neemt niet weg, dat hij een manifest heeft geschreven, waarin kansarme jongeren aan de rand van de maatschappij het multiculturele drama zonder een blad voor de mond te nemen, aan de kaak weten te stellen.

 

Mancher Türke hat gelernt, es deutschen Kleinbürgern gleichzutun und ist zum netten Kollegen »Ali« mutiert, den man mal nach Feierabend zum Stammlokal mitnimmt. Andere haben den Sprung zur Universität geschafft und verkehren in deutschen oder internationalen akademischen Kreisen.

Für wirkliche Intellektuelle war Interkulturalität immer etwas Selbstverständliches. Dergestalt Integrierte haben es unbestritten in der deutschen Gesellschaft zu etwas gebracht. Sie sind »sozial verträglich«, haben keine gesellschaftliche Sprengkraft. In diesem Buch wird man vergeblich nach ihnen suchen. Hier hat allein der Kanake das Wort.  (Kanak Sprak, 22)

 

In 2000 verscheen van Zaimoglu de briefroman Ich spiel in der Liga der Verdammten op basis van de correspondentie tussen twee allochtone vrienden. In deze roman komen conflicten en frustraties van de tweede generatie – de kinderen van de eerste migranten, in Duitsland geboren en opgegroeid – wel aan de orde. Deze problemen worden door Zaimoglu echter voorgesteld als algemeen menselijke vraagstukken. Als een rode draad loopt het thema liefde door zijn latere romans en verlaat hij de manifestachtige schrijfstijl, waardoor bijvoorbeeld Kanak Sprak werd gekenmerkt. Zaimoglu heeft veel succes met zijn boeken en veel prijzen ontvangen.

 

 

 

Website van Feridun Zaimoglu.

Gesprekken met Feridun Zaimoglu vind je op de site van Lovelybooks.

Hier een voorbeeld:

 

Fragment uit Feridun Zaimoglu, Ich spiel in der Liga der Verdammten:

 

Theaterstück Liga der Verdammten

Hakan, 22, Kfz-Geselle

Mir ist nicht klar, wieso es sowas gibt wie das stunde-für-stunde-wegrinnen, und dass man, als ginge es nie mal talab, wieder zum gut glück dumpfem niedrigsinn anhängt, an dem man sich vollgefressen hat, der die magenwand quält und hochspült wie’n kupfertaler, den man versehentlich geschluckt, na ja, ich meine,  vieles von dem, was so los ist in der welt, dies oberkacke elend mit protz und heissa, dies allgemeine vermeiern, das ja schon tarif ist, ich versteh’s nicht, ehrlich, dass mich die miseren im bund anfallen, und erste güte fehlschlag nach sich ziehen, weil ich denn’n gelähmter bin mit affenscheiße im maul. Das weiß ich wohl: ich spiel in der liga der  verdammten, so verdammt und zugenagelt wie der ochsige alemanne kann ich aber bei gott nicht sein. So tief rutscht bei mir die würde nicht in die hose, dass ich mit blondem  busch auf’m schädel und nullmannesstolz talent im leib ein hundeleben führ wie das des alemannen, der die zucht bei ner dominavettel holt, und sonst ordnung kläfft, wenn so’n kanake wie ich fremden rasengrund betritt. Hol doch die alemannenbrut der gehörnte, dort ist das olle pack als höllenholz in bester gesellschaft und kann so richtig wie nie zuvor in scheißdampf vergehen. Ich bin keiner, der die ich-verstellmich- dass’s-deutscheaas-mich-auch-echt-gern-hat-pennernummer bringt, ich fang die miesen stöße nicht ab, oder duck mich schwer unterm blonden fluch. Was soll überhaupt dies pomadenschiss von deutsch-istnummer- eins-was-gibt, die schön’s proletenmaul aus’m gelenk kippen und überalles-in-der-welt jaulen, wo jeder klarsieht, dass auch der niedrigste und sperrigste aus’m asiatenreich mehr manieren und memoiren hat. Schau dir doch dies ariervölkchen an: die haben von ihresgleichen die schnauze gestrichen voll, und reisen weit weg, wo sie sich, und das ist auch’n fettes kapitel für sich, wie kaputte gullivers im zwergenstaat aufführen, dass einem als sehender die scham die kalotte presst. Die gehen in ihrer blöden heimat in feinfesche lokale, zum spanier, zum portugiesen, zum chinesen, zum mulatten, und auch zu uns, und lassen sich einen salatnassen döner in alu wickeln. Und wo ist denn ihr eigner folklorefraß? Das heißt denn gutbürgerliche küche, und meist würgt man da an nem stück ferkel und schiebt rotkohl nach. Schau dir das pack an, wenn die man orntlich bedonnert sind, bei uns singen die leute wenigstens ein paar takte aus der sentimentalen mottenkiste, und spät in der nacht kracht denn der schwere schwere schädel auf’n tisch. Hier wird gebrüllt und fremdes verflucht oder gejagt. Folklore is für’n deutschen musikantenstadl oder schlesien-wie-fehlst-du-mir oder’n karatehieb ins kaneken-genick, dass man auch als der letzte prolofucker noch’n kraushaar unter sich weiß. Der deutsche malocher is ne pogromsau, tottreten is für die hier oberster volkssport. Also, wer will mir hier was einreden von wegen du bist hier’n für-neweile-gast, also führ dich man hier nicht wie’n freier auf, sonst kriegt der alemanne wind von, und kann dir den kragen knacken. Ich bin’n freier, und knecht nur vor gott dem herrn, und sonst keiner blondsau was schuldig, und wenn’s mich ins nordische getrieben hat, dann isses mit schweiß erkauftes geld, dafür tu ich auch der einheimischen dreck kehren, und das ist denn einwandfrei und legal dienstleistung. Mein ruf an die kanaken in deutschland is: freunde, wenn euch die wurzel trocknet, seid ihr toter busch im wirbel der winde. Wenn ihr die hand gebt dem unbeschnittenen, vergesst nicht, dass er auch seine eigene mutter auf’n strich schicken würde, wenn schotter für ihn herausspringt. Wenn ihr wie olle zoopaviane nach des deutschen wärters zuckerwürfel schnappt, vergesst nicht, dass ihr euch habt eure blanke seele verwursten lassen. Ne zornige macht von straighten türkenseelen is wie tausend rechte haken ins bleiche wabbelfleisch des deutschen oberteufels. Ich ruf den brüdern zu: bildet ne stramme einheit, und haltet euch fern von den psychogemetzeln, die da in alemania toben. Verderben ist der stammname des blonden teufels.

 

Emine Sevgi Özdamar

Ook bij Emine Sevgi Özdamar draait het om de problemen van integratie tegen de achtergrond van het verlies van de eigen taal in sprookjesachtige, maar soms ook bittere vertellingen, verzameld in Mutterzunge (1990) centraal. Het eerste verhaal gaat over het verlies van de moedertaal bij emigratie naar een ander land. De titel verwijst naar de tong als lichaamsdeel en essentieel om te kunnen praten. Je tong beweegt mee, met waarheen de spreker hem stuurt. In veel talen is Mother Tongue de aanduiding voor moedertaal. Zo ook in het Turks, de Duitse titel is de letterlijke vertaling van dit woord, hoewel Duitsers eerder het woord Muttersprache zouden gebruiken. Met de emigratie is de hoofdpersoon uit dit boek een andere taal gaan spreken en verloor daarmee een deel van haar identiteit.

 

In het eerste hoofdstuk herinnert zij zich de reden van haar vertrek uit Turkije, de wreedheden van de dictatuur in het Turkije van de jaren zeventig en de aankomst in Duitsland. Zij denkt aan haar grootouders, die nog Arabisch spraken in Turkije. Dan begint er een zoektocht naar de wortels van haar identiteit en besluit ze in West-Berlijn Arabische les te nemen. Na een affaire met haar leraar komt zij via toevallige ontmoetingen tot rust en ontdekt zij dat het Duitse woord Ruhe verwant is met het Turks voor ziel. De laatste twee verhalen vertellen op een bijna mystieke en in een sprookjesachtige taal over de bittere lotgevallen van gastarbeiders die naar Turkije terugkeren om rust, een nieuwe identiteit proberen te vinden.

Die Liebe ist ein Vogel, setzt sich leicht irgendwohin, aber steht schwer auf.

Van zulke poetische zinnen is het boekje doorspekt. Door de impliciete verwijzingen naar de politieke omstandigheden in Turkije en de letterlijke omzettingen van voor Turken bekende begrippen, moet je de verhalen voor een beter begrip soms herlezen.

Beroemde boeken van Özdamar zijn de verhalenbundel Seltsame Sterne starren zur Erde  (2003) en het oudere Das Leben ist eine Karawanserei (1992). Haar boeken zijn vrijwel allemaal enigszins autobiografisch. Zij gaat in gesprek met haar verleden, tegen de achtergrond van een nieuw bestaan in West-Berlijn van kort voor de val van de muur. Daarbij stuit ze soms op opvallende parallellen tussen wat zij heeft meegemaakt in het Turkije van de junta en de verhalen over het Nazi-verleden van Duitsland. Een nieuwe identiteit is niet iets vanzelfsprekends maar een moeizame worsteling om de Mutterzunge steeds weer opnieuw in beweging te zetten.

Özdamar is behalve schrijfster ook toneelspeelster en regisseur. Zij werkt bij de Volksbühne in Berlijn.

Bekijk hier een interview met Özdamar over taal, identiteit en integratie.

 

 

We are all pilgrims

In de jaren negentig begint migrantenliteratuur van karakter te veranderen en steeds ‘normaler’ gevonden te worden. Dit niet in de laatste plaats door toedoen van de instelling van de Adelbert von Chamisso – Preis door de Robert Bosch Stiftung.

Adelbert von Chamisso (1781 – 1838) was schrijver en ontdekkingsreiziger, hij was van Franse afkomst. Hij is bekend vanwege zijn sprookjesachtige novelle Peter Schlemihls wunderbare Geschichte. Een autobiografisch verhaal, waarin de hoofdpersoon zijn schaduw verkoopt in ruil voor een onuitputtelijke zak met geld. Hij koopt een paar zevenmijlslaarzen en wordt wereldreiziger. De schaduw in het verhaal staat voor de identiteit van Peter. Soms is hij Fransman en soms weer Duitser.

José F. A. Oliver

Bekijk je de lijst van bekroonde migrantenschrijvers, dan valt op dat zij weliswaar in het Duits schrijven, maar hun wortels buiten Europa hebben, van Japan en Iran tot ver in Rusland. Inderdaad, Europa bestaat niet, grenzen vervagen en niemand spreekt meer graag over migrantenliteratuur. Heel treffend wordt dat verwoord door de Spaanse dichter José F. A. Oliver (1961). Hij is ook afkomstig uit een gastarbeidersfamilie.  Op de vraag aan hem Wo ist dein Zentrum, das dich versorgt? verwijst hij naar een in Leiden op een kerkdeur  geschreven zin: We are all pilgrims.

Die Metropole ist in mir. Im Grunde sind es aber zwei Metropolen, zwei Mutterstädte, die zur Megalopolis wurden – ich habe einst im Spanischen das Wort geprägt von den »2 matrias«. Zwei Mütterländer in mir, den Vätern auf der Spur. Eine Art Versöhnung mit der Pilgerschaft. (José F. A. Oliver, Poet nr 15, 2013.)

Oliver is een globetrotter en deelt met ons zijn waarnemingen van de wereld, veraf en dichtbij, in prachtige soms raadselachtige gedichten.

Lees en beluister hieronder een gedicht van hem over zijn indringende ervaringen met de Pijp, een wijk in de stad Amsterdam.

 

 

Amsterdam im regenruf, ein epitaph

wie zärtlichkeiten
ins vergessen, häuserzeilen
in de Pijp – wirft lichtstreu
schemen aufs trottoir/ die räder
nackt in stellung

die speichen fächern
zeit zurück – an eine mitte
um ein fenster/ der regenwind
septemberwärts radiert der stadt
Goyescas

skizziert die luft-
gravur Caprichos, getränkt
in aquatinta
die äugen herbsten unter
schlupf/ ein fahrrad hingestolpert

 

mit wundgeschürftem
knie der sommer – war auf dem sims
vergangen/ die mutter
brach Oregano/ der vater
roch nach meertau

im dämmerwetter
Amsterdam/ zieht haut
das kopfsteinpflaster/ verinnert
jenen sommertag/ die mutter
bricht Oregano/ das kind

sagt »ros:marin« –
und stürzt
im speichenkreuz der vater//
sein tod
liegt unterm meertau

für G. in Zeiten der Trauer

Beluister het gedicht hier.

 

 

Terézia Mora en Uljana Wolf

 

Terézia Mora

Uljana Wolf

 

Het thema grenzen overschrijden speelt een belangrijke rol in het werk van Terézia Mora (1971) en Uljana Wolf (1979). Mora komt uit de grensstad Sopron in Hongarije. Daar heeft zij de opening van het IJzeren Gordijn als één van de eersten van nabij meegemaakt. Zij behoort tot de Duitse minderheid in Hongarije en schrijft haar boeken oorspronkelijk in het Duits. Na de val van de muur is zij direct in Berlijn gaan wonen, waar zij draaiboeken schrijft en uit het Hongaars vertaalt.

Gyula Horn (re.), Hongaarse minister (buza) knipt op 27 juni 1989 het IJzeren Gordijn open

Haar boek Seltsame Materie uit 1999 is een verhalenbundel, waarin grenzen op verschillende manieren een rol spelen. De dorpen waarin de verhalen zich afspelen ademen vrijwel alle een sfeer van isolement en afkeer van de wereld. Mensen worden er als vreemden beschouwd en van vertrouwdheid en geborgenheid, hetgeen je bij een dorp zou verwachten, is geen sprake. De hoofdpersonen in de verhalen worden als de anderen beschouwd, die geen plaats vinden in de bekrompenheid van de strenge regels die in het dorp gelden. Vandaar dat ze daaruit willen breken, grenzen willen overschrijden en willen vluchten naar andere oorden. In een geheimzinnig verhaal over vluchtelingen (STILLE.mich.NACHT), dat zich ook letterlijk in een grensstreek afspeelt, zegt de dienstdoende beambte:

 

Wahrscheinlich ist diese Gegend von Gott gemacht als eine Art Prüfung, man muss hier noch mal durch das Schlimmste, bevor man endlich drüben ist. (Seltsame Materie, 43)

Waarschijnlijk is deze streek met opzet door God zo gemaakt als een soort beproeving, je moet hier eerst het slechtste doormaken, voor je eindelijk aan de andere kant komt. (vert. JK)

 

De tegenstelling tussen hier en daar, binnen en buiten is kenmerkend voor een wereld in stilstand en verval. Slechts aan gene zijde van de grens, drüben, gloort een onbereikbaar en beter leven. In het verhaal Der See wordt het gevaar van een slechts voor ingewijden zichtbare grens gethematiseerd. Vanuit het perspectief van een meisje wordt verteld hoe haar grootvader op geheimzinnige wijze in de tijd rond Kerst  een vreemdeling naar de overkant van een rivier brengt. Behalve dat de grens door water, modder en rietkragen letterlijk onzichtbaar is, loopt er ook een onzichtbare grens tussen mensen en families uit andere werelden, die elkaar niet echt begrijpen en elkaar tot buitenstaanders maken.

Mora schrijft verhalen waarin de beklemmende sfeer van het wonen in de grensstreek vlak achter het IJzeren Gordijn op elke bladzijde voelbaar is. Het trekken van grenzen komt op een andere manier in het verhaal Der Fall Ophelia aan de orde. Een meisje groeit met haar moeder noodgedwongen op in een klein dorp, waar niet veel meer is dan Eine Kneipe, ein Kirchturm, eine Zuckerfabrik. Ein Schwimmbad. Ein Dorf, (Seltsame Materie, 114). Moeder en dochter worden door de dorpsbewoners vreemd aangekeken en als buitenstaanders beschouwd. Het meisje, op zoek naar een eigen wereld waarin zij zich vrij kan voelen, traint dagelijks in een zwembad. Mora beschrijft hoe zij nu eens op de borst, dan weer op de rug zwemmend, wegdroomt in een fantasiewereld. Deze Weltflucht wordt haar in het water bijna noodlottig als een ‘vijand van buiten’ haar onder water probeert te trekken. Maar vastberaden als zij is, stelt zij zich krachtig te weer en gaat zij definitief haar eigen weg.

In Alle Tage, een roman uit 2004, komt de zoektocht naar een eigen identiteit tegen de achtergrond van migratie expliciet aan de orde. Het verhaal gaat over een deserterende jongen, die tien talen vloeiend leert spreken. Zijn naam is Abel Nema. Abel betekent in het Hebreeuws ‘zuchtje’ en Nema betekent in het Hongaars ‘stom’, in de betekenis van niet kunnen spreken.  Abel blijft een buitenstaander, want hoewel hij vele talen spreekt, is hij nergens thuis. Op zijn reizen komt hij overal te laat voor en vindt hij nergens rust. Het boek wordt als een jeugdroman beschouwd, maar zo eenvoudig is het door zijn omvang nu ook weer niet.

Hetzelfde geldt voor één van haar latere romans, Das Ungeheuer (2013). Mora schrijft weliswaar in vrij korte overzichtelijke zinnen. Maar deze eenvoud bedriegt enigszins wat de inhoud betreft.

In de vorm overheerst het transparante van het nauwkeurige Hongaars. Maar in zijn motieven verwijst de roman veelal naar de Hongaarse cultuur in het algemeen en naar de dichtkunst in het bijzonder. Op deze manier vervagen inderdaad de grenzen tussen nationaliteiten in Europa.

Meer over Terézia Mora en Seltsame Materie.

Over één van haar latere romans Das Ungeheuer (2013) kan je hier een gesprek horen, Mora leest ook twee fragmenten.

 

 

Uljana Wolf

Door de dichteres Uljana Wolf wordt in 2012 het thema grens op een geheel nieuwe manier en tegen een andere historische achtergrond aan de orde gesteld. Uljana Wolf is in 1979 in Berlijn geboren. Zij neemt vanwege haar leeftijd en omdat zij tot een nieuwe jonge generatie schrijvers behoort, een bijzondere plaats in de migrantenliteratuur in. Eigenlijk spreekt geen enkele immigrant uit de tweede of derde generatie nog graag van migrantenliteratuur. Dit geldt ook voor Uljana Wolf. Zij stamt weliswaar van Poolse voorouders af, maar is in Berlijn geboren en ze dicht van begin af aan in het Duits. In 2016 ontving ze de Adelbert-von-Chamisso-Preis, omdat ze in haar werk op originele wijze aandacht voor het ‘vreemde’, voor de buitenstaander centraal stelt.

 

Wolf heeft in Warschau gestudeerd, spreekt naast Duits vloeiend Pools en Engels en is met een Amerikaanse dichter getrouwd. Ze woont in Berlijn en Brooklyn. Ze werkt als vertaalster en doceert Duits aan de New York University. Multilingualiteit (meertaligheid) staat in haar dichtwerk centraal. Haar gedichten zijn vaak vermakelijke taalspelen, waarin zij het verschijnsel falsche Freunde, woorden die er in twee talen vrijwel hetzelfde uitzien of hetzelfde klinken, maar iets anders betekenen, tot thema neemt. Denk aan het Engelse kind en het Duitse Kind of cow en kau of het Nederlandse vreemd (merkwaardig = eigenartig) en het Duitse fremd (= buitenlands). In haar gelijknamige dichtbundel heeft zij twee gedichten met de titel Alien opgenomen. Daarin komen tegen de achtergrond van twee taalwerelden problemen als immigratie, grenzen overschrijden, oversteken naar andere werelddelen aan de orde. Alien I: eine Insel gaat over de schrikbarende controle rond 1900 van immigranten op Ellis Island.

Tussen 1892 en 1954 kwamen 12 miljoen immigranten naar Amerika. Zij werden op Ellis Island op ziekten en afwijkingen onderzocht voor zij tot New York werden toegelaten. Een korte controle op ziektes, zoals tuberculose bijvoorbeeld, kon beslissend zijn voor de toekomst van mensen:

tatsächlich, der durchleuchtete körper, er leuchtet. hell, heller, health certificate, duplicate. die flügel, die lappen, gefaltet ohne schatten, jahrzehnte später ein weiteres abbild: das röntgenbild der lungen ist zu kontrollen im handgepäck mitzuführen.‘ prüfblick, den wir durch die zeiten spüren (und flackert nicht). (Alien I: eine Insel.)

 

Arriving at Ellis Island

In het gedicht Alien II: liquid life brengt Wolf de nieuwe geglobaliseerde wereld in kaart. Thuis en vaderland zijn begrippen die weinig meer zeggen. Heimat is strikt genomen overal en nergens en ergens vreemd zijn duidt niet op een plaats, maar op een geestesgesteldheid, waarin wij allen verkeren. Alle vaste structuren zijn in de moderne levenswereld vloeiend en beweeglijk geworden, liquid en flüssig. Waarbij Wolf zich geïnspireerd weet door de filosofie van Zygmunt Baumann en zijn boek Liquid Life (2005).

Het probleem van übersetzen in de zin van vertalen wordt door haar verbonden met het letterlijk overzetten van mensen naar een ander land of werelddeel, van Ellis Island naar New York. Een andere taal leren betekent ook een nieuwe identiteit krijgen. Een modern en heel bijzonder museum over deze problematiek van Auswanderer vind je in Bremerhaven.

 

Museum: Deutsches Auswandererhaus

 

Het gedicht, Drei Bögen: Böbrach (2012),  gaat over de actuele problematiek van de vele nieuwe asielzoekers in Duitsland die hetzelfde doormaken als de emigranten naar Amerika aan het begin van de twintigste eeuw.

Böbrach is een dorp in de provincie van de districtshoofdstad (Kreisstadt) Regen. Böbrach ligt in het Bayerischer Wald op de grens met Tsjechië. Hier is een aftands hotel omgebouwd tot asielzoekerscentrum, waar de verwarming in elk geval weer werkt. In de stad is niet veel meer te beleven dan een schnaps-museum met een kleine stokerij van het merk Bärwurz. Het woord schnurz ken je misschien van es ist mir schnurz-egal. Wolf heeft het gedicht op drie bladen (= Bögen) geschreven. Bögen in de titel gebruik je ook voor Fragebögen (formulieren met vragen), die asielzoekers moeten invullen voor de aanvraag van verblijfsvergunningen.

Uljana Wolf draagt het gedicht Drei Bögen: Böbrach voor:

 

Drei Bögen : Böbrach (Uljana Wolf)

Man hört auch: in die fichten gehen, verloren gehen, wegkommen

Grimmsches Wörterbuch

Die Verteilung … soll die Bereitschaft zur Rückkehr in das Heimatland fördern

DVAsyl Bayern § 6 Abs. 5

I

„ländlicher landstrich“. also lasten verteilen, schneedecken schichten auf ästen, kleines ächzen. dass auch die fichten nicht brechen ins schweigen. denn regen ist kreisstadt, neigen pflicht. entsprechend: „für die lage können wir nichts.“ nur für die grenzen und den hellen schein. der forst ist rein „it welcomes you“. die worte dazu sind weiß oder weg wie der letzte bus aus dem dorf. nachts rumpelt die stille im frost: der wald sei dem fremden

II

„zumutbar“. wie wallpaper, wo nur die augen wandern. wie einer am andern die stämme, sie stammen von hier, reichen dir keine papiere. aber einreißen bald und steht ein stammeln an der haltestelle. oder nacht, die grosse zelle, sperrt sich selber auf und zu. drin das hämmern, drin die stirn: „schauen bauen schneien freuen.“ diese sprache war mal firn, dann feriendings, die leuchtet jeden heim. und wo soll das sein: „schnurz“. aber bärwurz, bärwurz,

III

ein rändlicher anstrich im sinne von land, oder glänzender wandsinn brennt dir im kopf. wer kennt ein gespräch über fichten, wen fichts an wenn,  „bei stress fallen die nadeln eher ab“. also abnabeln, schnee adeln,  die alte unterkunft: „alles markenware“. kalte päckchen, einander in den mund, solange sie reichen. überm deckchen derweil null empfang. nur der wald treibt sein stöberndes amt, er nimmt dich in weiße abführungszeichen. (2012)

Uljana Wolf: meine schönste lengevitch. Gedichte. 2013.

 

Een toelichting op dit gedicht vind je hier.

Meer gedichten van Uljana Wolf kun je hier lezen en beluisteren.

Artikel over Uljana Wolf met vertalingen in het Nederlands in Terras.

 

 

Radek Knapp

 

Radek Knapp is in 1964 in de Poolse hoofdstad Warschau geboren. Op twaalfjarige leeftijd volgde hij zijn moeder naar Wenen. Na zijn opleiding op een economische hogeschool en de universiteit besloot hij, terwijl hij als emigrant met verschillende banen in Wenen  het hoofd boven water hield, schrijver te worden.

 

 

Herrn Kukas Empfehlungen

 

Radek Knapp is vooral bekend geworden met het komische Herrn Kukas Empfehlungen (2003). Hierin onderneemt een jonge Pool op aanraden van zijn buurman een reis naar het Westen. Europa is dan nog in tweeën gedeeld. Hij komt met de bus uiteindelijk in Wenen terecht. Daar maakt hij in zijn pogingen om te overleven de meest fantastische avonturen mee. Het vinden van werk blijkt niet zo eenvoudig, na van alles geprobeerd te hebben neemt de hoofdpersoon zelfs deel aan een absurde bankoverval met een waterpistool. Deze hoogst komische vertelling speelt met de clichés die over immigranten uit het Oostblok de ronde doen. Het boek is ook een avonturen- of schelmenroman waarin het streven naar geluk, dat voor elk mens gelijk is, het hoofdthema vormt. Dit boek is ook verfilmd.

 

Behalve Herrn Kukas Empfehlungen hebben ook enkele andere boeken van Knapp het buitenlanderschap tot thema. In Gebrauchsanweisung für Polen (2005) bijvoorbeeld, beschrijft hij waar een buitenlander op moet letten als hij in Polen komt.

Da Sie nun kurz davor stehen, den Polen in ihrem eigenen Land zu begegnen, sollten Sie unbedingt ein paar Dinge über sie wissen. Denn hier haben die Polen ihren Alltag, wohingegen Sie jetzt der Ausländer sind und es bald auch zu spüren bekommen. Die Polen sind nämlich sehr sensibilisiert, was den Umgang mit Ausländern angeht. Eine Eigenschaft, die sie übrigens mit den Westeuropäern teilen – wenn auch mit umgekehrten Vorzeichen.

Im Westen hält man einen Ausländer in der Regel für ein dunkelhäutiges Individuum, das über einen großen Appetit auf deutsche Steuergelder und die diabolische Fähigkeit verfügt, unseren blonden Walküren den Kopf zu verdrehen. In Polen ist das andersherum. Ein Ausländer ist ein edles, großzügiges Wesen, das aus einer Welt kommt, die noch in Ordnung ist. (Gebrauchsanweisung für Polen, 24.)

Ook Der Gipfeldieb uit 2015 beschrijft het vreemd-zijn in een ander land op komische wijze. Van een totaal ander genre is zijn Reise nach Kalino (2012), waarin Knapp kritiek op de techniek in de vorm van een spannende detective heeft gegoten.

Gesprek met Radek Knapp: Man darf nicht alles so ernst nehmen

 

 

Der Gipfeldieb

 

Knapps boek Der Gipfeldieb (2015) is gedeeltelijk autobiografisch. Het boek bestaat uit een aaneenschakeling van komische anekdotes uit het leven van Ludwik Wiewurka. Wiewurka betekent eekhoorntje (in het Pools. De naam past ook goed, omdat Ludwik van het ene komische avontuur in het andere terechtkomt. Aan het begin van het verhaal wordt beschreven hoe Ludwik onverwacht de Oostenrijkse nationaliteit krijgt en hoe hij direct daarop voor de militaire dienst gekeurd moet worden. Omdat hij dienst weigert, doet hij vervangende dienstplicht in een bejaardentehuis. Later wordt hij aflezer van meterstanden en komt hij met de meest vreemde mensen en dieren in aanraking. Zo krijgt hij een steen van een bergtop cadeau van een man die als levensvulling toppen van bergen steelt. Vergezichten zijn belangrijker dan de liefde, zegt hij.

Het verhaal is luchtig geschreven, vol humor en lijkt weinig serieus. De licht melancholische ondertoon wordt gevormd door de emigrant, die op zoek is naar zijn identiteit en naar een plaats om te zijn. Als Ludwik na de inburgeringscursus de Oostenrijkse nationaliteit krijgt, wordt hij door de staat getrakteerd op een vrijkaartje voor een theaterstuk. Dat is gewoonte in Oostenrijk. Daarover gaat het hoofdstuk, dat je hier onder kunt lezen.

In werkelijkheid was het theaterstuk, dat Radek Knapp als kersverse Oostenrijker mocht bezoeken, de musical Cats. In hoofdstuk vijf van Der Gipfeldieb zijn het de avonturen van Odysseus die hij de hoofdpersoon uit de roman, Ludwik, van commentaar laat voorzien. Achter de humor en de absurde situaties gaat een (zelf-) kritische houding schuil.

Lees hier: Hoofdstuk 5 uit Der Gipfeldieb. (Link naar nieuwe pagina.)

 

 

Nicol Ljubić 

 

Meeresstille van Nicol Ljubić (1971) is een verhaal over een onmogelijke liefde. Het is de geschiedenis van Robert, een zoon van Kroatische ouders, die in Berlijn verliefd wordt op Ana. Ana komt oorpronkelijk uit Servië. Zij studeert met een beurs in Berlijn. Zij draagt een geheim met zich mee, waar haar vriend bij toeval achterkomt. Haar vader is een docent Engels en expert op het gebied van Shakespeare. Hij wordt verdacht van oorlogsmisdrijven in Bosnië ten tijde van de Bosnische oorlogen (1992–1995). Daarvoor zit hij in voorarrest in de gevangenis in Scheveningen. Hoewel Robert graag met Ana bevriend zou willen blijven, lukt dit eenvoudig niet omdat het vertrouwen geschaad is.

Robert is geschiedenisstudent. Vanuit zijn gezichtspunt wordt het verloop van zijn relatie met Ana verteld. Hij doet dit in een terugblik, als hij uit interesse het proces tegen de vader van Ana in Scheveningen bijwoont. Zes getuigen komen in het proces aan het woord. Hun verhalen vormen de raamvertelling, waarbinnen de liefdesgeschiedenis tussen Robert en Ana wordt verteld. Dit levert een indringend relaas op over liefde en genegenheid tegen de achtergrond van oorlog en schuld.

Ljubić is journalist en heeft zichtbaar onderzoek verricht naar de achtergronden van de oorlog. In Meeresstille heeft hij op knappe wijze de problematiek van de verschillende volkeren op de Balkan literair verwerkt. Het boek zit vol symboliek en verwijzingen naar de drama’s van Shakespeare waaronder naar Romeo en Julia en naar Titus Andronicus. Verder zijn venster, glas en zien subtiel terugkerende metaforen in het boek. Alsof Ljubić wil zeggen: Dankzij de moderne media hadden we alles kunnen weten over de wreedheden in deze oorlog, maar de wereld heeft bewust weggekeken. De ernst van de jongste oorlog op de Balkan is immers veel te laat tot de inwoners van Europa doorgedrongen.

Op deze site leest Ljubić de belangrijke passage uit het boek voor, waarin Robert ontdekt dat de vader van Ana in Scheveningen in de gevangenis verblijft (Meeresstille, hoofdstuk 7, p. 166 – 169).

 

Meeres Stille

Johann Wolfgang von Goethe

Tiefe Stille herrscht im Wasser,
Ohne Regung ruht das Meer,
Und bekümmert sieht der Schiffer
Glatte Fläche rings umher.
Keine Luft von keiner Seite!
Todesstille fürchterlich!
In der ungeheueren Weite
Reget keine Welle sich.

 

Dossier Srebrenica, VPRO (54′). Zeer indrukwekkende film over de val van Srebrenica.

 

Strafgevangenis Scheveningen

 

Sherko Fatah

 

Das dunkle Schiff  (2008) is de titel van één van de meest aangrijpende romans van Sherko Fatah (1964). Fatah is in Duitsland geboren, maar heeft Irakese wortels. Dit boek gaat over de andere grote brandhaard uit de eenentwintigste eeuw, het oorlogsgebied in Irak en Syrië, waar de Islamitische Staat actief is.

Kerim, de hoofdpersoon om wie alles in dit boek draait, groeit te midden van oorlog op. Zijn leven wordt er door beheerst. Als hij door fanatieke strijders, bij wie hij zich aangesloten heeft, aangewezen wordt om als terrorist zelfmoord te plegen, weet hij te ontsnappen en uiteindelijk een bestaan in Berlijn op te bouwen. Voor het zover is, heeft Kerim al een hele geschiedenis van geweld, moord en oorlog achter zich. Zijn vader is Koerd en wordt door de geheime dienst na een klein incident voor de ogen van zijn zoon omgebracht. Kerim probeert het restaurant van zijn vader voort te zetten. Hij wordt later, lang na de dood van Saddam Hussein, door Islamisten, die het eigenlijk alleen op zijn auto voorzien hadden, meegevoerd de bergen in. Na zijn ontsnapping reist hij als verstekeling in het donkere ruim van een schip mee naar Europa. Hij wordt ontdekt en op een eiland achtergelaten. Uiteindelijk lukt het hem om Berlijn, waar een oom van hem woont, te bereiken. Daar spelen de herinneringen aan zijn jeugd tegen de achtergrond van absurde situaties waarin een asielaanvrager verkeert, een des te grotere rol. Als hij zijn verhaal wil doen en daar ook internet voor gebruikt, weten islamitische fundamentalisten hem ook in Berlijn te vinden.

 

Recruiting for Jihad (2017; Trailer van de film; 3′):

 

Dit bijzondere verhaal van Kerim oefent ook aantrekkingskracht uit op de tweede generatie, op kinderen van immigranten. Fatah biedt met Das dunkle Schiff tevens een kijkje in de soms gesloten wereld van de immigrant.

 

De proloog van Das dunkle Schiff:

Es war ein Sommertag, heiß, aber doch so windig, dass man es nicht wirklich spürte. Wolkenschatten eilten dunkel über die Ebenen und Hänge, als schwebten Luftschiffe durch den tiefblauen Himmel. Vielleicht war es der schönste Tag seines Lebens, nicht des leichten Lichtes und des sanften Windes wegen, nein, an diesem späten, saumselig vergehenden Tag verspürte er ein erstes Mal die tiefe Ruhe, welche die Schönheit gewährt, und erfuhr zugleich ihre Vergeblichkeit.

Um diese Jahreszeit zogen die alten Frauen hinaus, um Heilkräuter zu sammeln. Sie wussten, wann sie für welches Gewächs an einen bestimmten Ort zu gehen hatten. Weit mußten sie nicht hinaufsteigen, nur auf die Hügel. Dort sah er sie, eine kleine Kolonne, die wie so oft schon den nie ganz überwucherten Pfaden folgte. Sie sprachen und lachten laut, hier draußen waren sie endlich ganz unter sich, für ein paar Stunden fern von Räumen und Regeln. Hätten sie umhergeschaut, auch ihnen wäre die Unberührbarkeit der wilden Gräser, der Dolden und der warmen Steine aufgefallen. Doch sie schwenkten ihre Körbe, und ihre farbenfrohen Gewänder wehten im Wind, sie waren zu sehr miteinander beschäftigt. Fast beneidete er sie darum, so selbstvergessen hineingestellt zu sein in den Tag, der wie ein riesiges, geöffnetes Fenster um sie stand. Er lief ihnen nach, als sie hinter den Hügeln verschwanden, nur einfach um sie weiterhin zu sehen, winzig, doch nicht verloren, und blieb auf dem Hügel stehen. Er fühlte nicht mehr die Abgeschiedenheit hier draußen, nicht mehr die rauhe Einöde, er sah die Landschaft wie eine geöffnete Hand. Er atmete schwer. Ich bin noch ein Kind, dachte er kurz, meine Lungen sind nicht weit genug für diesen Tag. Und selbst wenn sie es wären, so ahnte er, dann könnte ich doch niemals weit genug in ihn hineingehen.

Die Frauen hatten sich in der Ferne verteilt und mit dem Sammeln der Kräuter begonnen. Wie ein schwaches Echo, von den Felsen mehr verschluckt als zurückgeworfen, erhob sich das Geräusch. Es war ein Helikopter, angestrahlt vom späten Licht, das selbst seine Tarnfarbe fröhlich erscheinen ließ. Er beschirmte seine Augen mit der Hand und blickte hinauf. Er sah den Haupt- und den Heckrotor und vernahm das anschwellende Donnern. Doch nichts, auch nicht diese Maschine war fähig, den tiefen Frieden über den Hügeln zu stören.

Der Helikopter flog vorüber, kam zurück und zog einen weiten Kreis über ihm. An der offenen Seitenluke kauerten zwei Soldaten, einer winkte ihm zu. Alles konnte geschehen an diesem Tag, und so winkte er ohne Furcht zurück. Der Helikopter zog seine Bahn und sank unwirklich langsam zur Erde nieder. Im Geheimen hatte er den Kinderwunsch verspürt, und nun wurde er wahr; er landete, weit entfernt zwar, aber er landete. Vielleicht nehmen sie mich mit, war sein nächster Gedanke, vielleicht kann ich mit ihnen fliegen.

Er lief los, winkend und rufend, scharfkantige Steine und spitze Distelsträucher waren in seinem Weg, doch nichts ließ ihn stolpern, und nichts stach ihn. Weit vor ihm wurde der Helikopter eingehüllt von aufgewirbeltem Sand, trockene Halme segelten durch die Luft. Es ist zu weit, ich schaffe es nicht, dachte er, als er die beiden Soldaten herausspringen und geduckt zu den Frauen hinüberlaufen sah. Diese hatten ihre Körbe abgestellt, die Hände in die Hüften gestützt oder an die Stirn gelegt und blickten den Männern entgegen.

Er sah, wie die Soldaten sie zum Helikopter trieben, sah es undeutlich durch den Staub, und da blieb er stehen. Ich schaffe es nicht, dachte er noch einmal bedauernd, doch tröstete ihn, dass es überhaupt geschehen war, das ganz und gar Außergewöhnliche. Er stand und sah sie abheben, ruckartig erst, dann unaufhaltsam, wie in den Himmel gezogen, bis sie die Staubwolke unter sich ließen. Ganz leicht legte sich der Helikopter auf die Seite und flog erneut seine weite Kurve, schraubte sich allmählich höher und höher, bis er befreit im Himmel dahinschwamm. Er blickte ihnen nach und winkte wieder. Und tatsächlich kam die Maschine erneut heran, das Donnern wurde laut und lauter, bis er sich die Ohren zuhielt. Den Kopf im Nacken sah er die Frauen. Da fielen sie, eine nach der anderen stürzte aus der Luke, mit gebreiteten Armen glänzten sie auf im Licht, und wie um sie aufzuhalten, riss an ihren Gewändern der Wind. (Das dunkle Schiff, p. 5 – 7)

 

Vrijwel alle boeken van Fatah hebben de oorlog in het Midden-Oosten als achtergrond. Grote indruk heeft hij verder gemaakt met zijn roman Der letzte Ort  (2015). Hierin vertelt hij het verhaal van de ontvoering van een Duitser en zijn tolk in de woestijn van Irak.

Fatah schrijft heldere en mooie zinnen. Hij heeft vele prijzen op zijn naam, waaronder de gerenommeerde Adelbert-von-Chamisso-Preis voor Der letzte Ort.

Sherko Fatah stelt zich voor. (3′)

 

4.5

Nieuwe literaire vormen: Lesebühnen en graphic novel

 

Lesebühnen

Het literatuurbedrijf is in de laatste decennia onder invloed van de techniek snel veranderd. Nieuwe media bieden ongekende mogelijkheden om teksten op nieuwe en originele wijze onder de aandacht van het publiek te brengen. Uitgevers en boekhandels hebben er alle belang bij om met nieuwe mogelijkheden die het internet voor de verkoop biedt, te experimenteren. Naast de zogenaamde Wasserglasvorlesungen, de traditionele en wat stijve lezingen door een schrijver, gevolgd door een gesprek, verkoop en signering, zijn er nieuwe vormen van boekpresentaties in zwang gekomen. Wie literatuur aan de man wil brengen, moet emoties losmaken en literatuur laten beleven.

Literatuuravonden als multimediale events met muziek en beeld zorgen voor het gewenste partygevoel en zijn niet meer weg te denken uit het moderne literatuurbedrijf. Vroeger hadden de clubs en cafés, waar nieuwe literatuur besproken werd, wellicht nog iets van een subcultuur van een kleine groep. In de DDR kwamen bijvoorbeeld kritische schrijvers noodgedwongen op minder gangbare plaatsen bijeen, zoals bij één van hen thuis of op wisselende geheime plekken of besloten clubs.

Tegenwoordig zijn zulke clubs een ware cultus geworden. Elke zichzelf respecterende stad heeft wel één of meerdere Lesebühnen, waar in theaterachtige shows voorgelezen, geëxperimenteerd en gefeest kan worden. Hierin staat het nieuwe en originele vaak voorop. Jonge, nog niet gevestigde schrijvers krijgen er de kans te experimenteren. Vaak zijn er nog helemaal geen gedrukte teksten, hooguit het internet, waarvan sommige ook weer snel verdwijnen andere daarentegen hun weg naar de uitgevers vinden. Een voorbeeld is de dichter Papenfuss, die in zijn eigen café ten tijde van de DDR bekend is geworden.

Een ware trend op deze avonden is de poetry slam. Julia Engelmann en Bas Böttcher zijn voorbeelden van dichters die via de Lesebühnen beroemd zijn geworden.

 

Hier zie je een optreden van Julia Engelmann met Stille Wasser sind attraktiv:

 

Stille Wasser sind attraktiv

-Julia Engelmann –

Ich, ich bin ein Nerd, aber kein schicker Hipster,
mehr ein Vieldenker, voll Hirngespenster
ich surfe auf keiner Mode-Klischee-Retro-Welle ich surfe im Internet
such Lesebrillengestelle für echte Augen,
um Bücher zu lesen und Texte zu schreiben
und nicht um Fotos zu schießen und mich bei Facebook zu zeigen

Und manchmal hab ich das Gefühl, ich bin anders und allein
keiner scheint mir ähnlich und keiner scheint mir nah zu sein,
und manchmal hab ich das Gefühl, niemand ist wie ich,
Ein Platz, an den ich passe – den gibt es für mich nicht
Aber warum bin ich anders und was muss noch passieren?
Ich mein‘, was mach ich falsch? Ich will doch bloß dazugehören.
Aber wozu denn gehören? Und was soll das denn heißen,
weil wir alle doch anders und dadurch wieder gleich sind

Und es geht doch um den Inhalt, viel mehr als um die Form
Es geht doch um den Einzelfall, viel mehr als um die Norm
Es geht nicht um Physik, sondern um Phantasie
Und vor allem geht’s ums Was, viel mehr als um das Wie.

Es geht auch darum, dass wir uns kennen,
mehr als, dass wir mal einsam waren
und es geht nicht um das, was uns trennt,
sondern um das, was wir gemeinsam haben
Es geht nicht ums gewinnen,
sondern darum, dass du kämpfst
es geht nicht um den Takt an sich,
sondern darum dass du danced,
Es geht nicht drum, was wir haben,

sondern um, was wir daraus machen
Es geht nicht um den Witz an sich,
sondern darum dass wir lachen
Es geht nicht drum, was wir tragen, wie wir lächeln, wie wir reimen
Es geht darum, was wir sagen, ob wir echt sind, was wir meinen.
Vielleicht geht’s nicht ums Happy End,
sondern mal heute nur um die Geschichte.
Vielleicht geht’s nicht darum, ob ich anders,
sondern darum, dass ich Ich bin
Vielleicht geht’s nicht darum, die ganze Welt zu erfassen
und alles zu verstehen
Vielleicht geht’s darum „Hakuna Matata“ zu sagen
und einfach mal gerne zu leben.

 

Weil, es geht doch um den Inhalt, viel mehr als um die Form,
Es geht um deinen oder meinen Einzelfall, viel mehr als um die Norm
Es geht nicht um Physik, sondern um Phantasie
und vor allem geht’s ums Was, viel mehr als um das Wie.

Und was soll das überhaupt heißen?
Was soll das überhaupt heißen, jemand ist sonderbar und eigenartig,
das sind doch bloß Synonyme für besonders und für einzigartig
Jemand sagt dir: „Du bist anders“, Dann denk dir für dich: „Anders ist nicht falsch,
ist bloß ‘ne Variante von richtig“

Und wer andere abgrenzt, grenzt sich selber ein
Wer andere Schwach macht, glaubt nicht stark zu sein
ich mach mein Herz weit und lass Leben rein,
weil ich dran glaube gut genug zu sein

Und dann treff’ ich dich…
Und du siehst mich und du nimmst mich wahr,
Bist bei mir und bist für mich da,
Nimmst meine Schatten und machst die Sicht klar,
machst mich wahrhaftig, machst mich sichtbar
Und auf den ersten Blick bin ich vielleicht nicht so cool,
für manche vielleicht sogar langweilig.

Aber ich hör dir gerne beim reden zu und ich mag deinen Klang,
weil ich dich mag und wie wir die Welt für uns drehen
und dadurch wirst du für mich schön
Und ich finde meinen Platz und ich finde meinen Raum in der kleinsten
gemeinsamen Schnittmenge aus deiner und aus meiner Welt
Wir sind unser kleinstes gemeinsames Vielfaches,
Wir sind das, was uns zusammen hält,
Und wir beide, wir sind mehr als die Summe unserer Teile
Wir beide sind so viel mehr als die Stunden, die wir teilen,
Wir beide sind so viel merkwürdig eigentlich, dass ich das jetzt erst geblickt hab

Es geht um den Inhalt, viel mehr als um die Form,
Es geht um deinen und um meinen Einzelfall viel mehr als um die Norm, es geht nicht um Physik, sondern um Phantasie,
Und vor allem geht’s ums Was, viel mehr als um das Wie.

 

 

 

Zulke literatuurevents zijn niet helemaal nieuw. Neem bijvoorbeeld de experimentele en ludieke optredens van de Dada-beweging rond Hugo Ball aan het begin van de vorige eeuw.

Of denk aan de voortzetting van deze traditie door de Wiener Gruppe in de jaren zestig van de vorige eeuw. Sinds het ontstaan van de fotografie en vanwege de opkomst van de film enige tijd later, heeft de literatuur moeten concurreren met de beeldcultuur. Dit heeft onwillekeurig tot wederzijdse beïnvloeding en het zoeken naar nieuwe vormen geleid. Concrete en visuele poëzie van na de Tweede Wereldoorlog zijn in navolging van de beeldgedichten van Apollinaire (1880–1918) hiervan een goed voorbeeld.

Verder zou je de Lesebühnen kunnen beschouwen als een voortzetting en radicalisering van bepaalde postmoderne trends uit de jaren tachtig en negentig. Zie hiervoor de paragraaf Literatuur als spel.  De ‘dood van de schrijver’, het benadrukken van het gewicht van de lezer en het publiek, zij krijgen immers zeggenschap over de tekst. Een tekst is nooit af, maar vraagt om discussie, communicatie en permanente interpretatie. Pas in dit proces verkrijgt een tekst zijn waarde en betekenis.

De Lesebühne is eigenlijk de moderne voortzetting van de oude leescafés van rond 1900. Denk bijvoorbeeld aan de discussies die door een nieuwe generatie schrijvers die in Wenen in cafés als Hawelka en Griensteidl bijeenkwam, werden gevoerd. Een democratische club noemde Stefan Zweig in Die Welt von Gestern (1941) de schrijvers van de Weense koffiehuizen.

Griensteidl houdt op te bestaan. De eigenaar wil er een nieuw modern café zonder Schnitzels van maken. Verder denkt hij aan ‘experimentele voorleesavonden met jazz en multimediale evenementen’. Griensteidl wordt dus een Lesebühne en krijgt zijn oude, oorspronkelijke functie weer terug.  (Bron: NRC nieuws, Het abrupte einde van koffiehuis Griensteidl, 02/08/2017.)

 

 

Bas Böttcher

Een andere dichter die via Lesebühnen carrière heeft gemaakt is Bas Böttcher. Om een indruk van zijn werk te krijgen moet je beslist eens rondkijken op de website van Bas Böttcher. Daar vind je vele voorbeelden van wat hij allemaal met woorden kan.

Hier volgen twee voorbeelden van zijn woordkunst:

Hier zie je een voorbeeld van een poetry-clip:

 

Hand, Wort, Mensch, Zeit, Licht (Bas Böttcher):

 

Hand, Wort, Mensch, Zeit, Licht (Bas Böttcher)

Es ist nicht von der Hand
weisbar, dass gute Handhabe
menschlicher Handlungen
leider abhanden
kam. Gier überhand
dann nahm. Was allerhand
war. Dann Aufstand per Handstreich
da Preis nicht verhandelbar

Ergreife das Wort
übernimm Verantwortung
bewahr’, befürworte
Bewährtes und wort-
wörtlich wahre Machtworte
Wenn Sprache erst wortkarg
und Menschen dann wortlos
verloren, halte Wort!

Es geht um die Menschlichkeit
ohne Daumenschrauben
und Zusammenstoßen
jener Mitmenschen,
die multidimensional
einfach nur Mensch
sein wolln, bunt wie Blumensträuße.
– Wir träumen – schhhh!

 

Also bitte verzeiht
denn es ist an der Zeit
dass der Wortmissbrauch-Zeitbomben-
Wahnsinn das Zeitliche
segnet und zeitlebens
das, was Endzeit
propagierte, allzeit
Paradies prophezeit

Es gibt einen Lichtblick,
der ermöglicht
das unbehelligte
erkennen, schlicht
richtig veröffentlicht
kommt Verstecktes ans Licht
Augenmaß bei Heimlichtuerei
ist Pf-licht

Beluister het gedicht:

 

 

 

Thomas Bernhard, Die Ursache

Literatuur kan niet meer om de moderne beeldcultuur heen. Deze trend zie je ook terug in de uit Amerika en Japan overgewaaide populariteit van de graphic novel, de comic en de manga. Soms wordt vergeten dat de comic in feite een Duitse uitvinding is.

In 1865 schreef en tekende de arts Wilhelm Busch de komische geschiedenis van Max en Moritz.

Tegenwoordig wordt jaarlijks de Max und Moritz-Preis uitgereikt voor de beste comic. Het Goethe Institut heeft op haar officiële website een uitgebreide pagina met informatie over de graphic novel in het Duits. Ook de Duitstalige klassieke literatuur is tegenwoordig steeds vaker als graphic novel verkrijgbaar, zoals Franz Kafka of Thomas Bernhard.

 

 

4.6

Overige stemmen …

Deze paragraaf vind je in het volgende hoofdstuk over Duitstalige literatuur van 2015 – heden.

 

 

 

Ga verder naar het hoofdstuk Duitstalige literatuur van 2015 – heden: