Special: Taalgeschiedenis van het Duits

 

 

 

 

Inleiding: Talen veranderen voortdurend

Taal is altijd in beweging. Er ontstaan nieuwe woorden, grammaticale regels passen zich aan en de uitspraak van klanken veranderen. De wereld wordt door de nieuwe informatie- en communicatietechnologie steeds kleiner. Talen beïnvloeden elkaar daardoor steeds intensiever. Het grote aantal Franse, Engelse en ook Duitse woorden dat in het Nederlands voorkomt, is daar een eenvoudig bewijs van. Handel en handelswegen, de boekdrukkunst en ander moderne uitvindingen zijn van grote invloed op de taal die mensen spreken. In deze ontwikkeling zijn de volgende stadia van groot belang geweest:

1 De boekdrukkunst (rond 1500) – zorgde voor een snellere verspreiding van geschreven taal en de wens naar eenheid in de spelling.

2 Radio en televisie (rond 1920) – zorgen voor een groter bereik van het gesproken woord. De dominante spreekwijze heeft via deze media een standaardiserende werking op de uitspraak in het betreffende taalgebied.

3 SMS (rond 2000) – deze techniek met de kleine displays en het moeizame typwerk op kleine toetsjes brengen het ontstaan van vele nieuwe afkortingen met zich mee.

 

Wie Gutenberg die Welt verändert (14′):

 

Taal is in de eerste plaats gesproken taal, een auditief medium voor communicatie. Een vergelijking van klanken, vormen, woordenschat en grammaticale structuren wijst op soms grote overeenkomsten tussen talen, die toch in zeer uiteenlopende gebieden gesproken worden. Zo kunnen talen worden ingedeeld in taalfamilies.

 

 

Bijna alle talen die op dit moment in Europa gesproken worden, rekent men tot de Indo-Europese  taalfamilie. Of er ook echt een Indo-Europees ‘oervolk’ geleefd heeft, is niet met zekerheid vast te stellen. Misschien was er slechts sprake van een los stammenverband van verschillende volken, die 3000 jaar voor Christus tussen de Noordzee en de Kaspische zee geleefd hebben. Dat de daar gesproken talen verwantschap vertonen, is wel zeker.

Binnen deze grote taalfamilie zijn weer groepen aan te wijzen, die onderling nauw met elkaar verwant zijn. Het Duits, Nederlands, Engels bijvoorbeeld – de Westgermaanse taalgroep – en de Scandinavische talen – de Noordgermaanse taalgroep – worden op grond van hun onderlinge overeenkomsten gerekend tot dezelfde Germaanse tak. De stamboom van de Germaanse talen:

 

 

 

De eerste of Germaanse klankverschuiving

In een proces tussen 2000 en 500 voor Christus heeft het Germaans zich waarschijnlijk langzamerhand losgemaakt uit het Indogermaans door de zogenaamde eerste of Germaanse klankverschuiving (Erste of Germanische Lautverschiebung). Sommige klanken werden anders uitgesproken en de klemtoon verschoof naar de eerste lettergreep.

Wilhelm (li) en Jacob Grimm (re).

De verschuiving van klanken is door de Germanist Jacob Grimm in de negentiende eeuw voor het eerst beschreven en wordt daarom ook wel de ‘Wet van Grimm’ (das Grimmsche Gesetz) genoemd.

Grimm (en zijn broer Wilhelm) kennen wij vooral als verzamelaar van sprookjes, maar hij was ook een belangrijke grondlegger van de studie van de Duitse taal- en letterkunde (Germanistik).

 

De volgende klankverschuivingen traden op:

 

Indo-Europees Germaans
p > f
t > th (de Engelse [th] in ‘brother’)
k > x/h
b > p
d > t
g > k

 

 

Latijn Duits Nederlands Engels
pater Vater vader father
piscis Fisch vis fish
tres drei drie three
tonitrus Donner donder thunder
iste der/die de the
canis Hund hond hound
cornu Horn hoorn horn
centum Hunderd honderd hundred
labium Lippe lip lip
kardia (Grieks) Herz hart heart
genu Knie knie knee

 

Uit het Germaans zijn de volgende overeenkomsten tussen de huidige talen in Noord- en Noordwest-Europa afkomstig:

 

1 Gemeenschappelijke woordenschat:

 

Duits Vater Wort bringen
Nederlands vader woord brengen
Engels father word bring
Zweeds fader ord bringa

 

2 De klinkerverandering van sterke werkwoorden zoals in:

 

Duits trinken – trank – getrunken
Nederlands drinken – dronk – gedronken
Engels drink – drank – drunk
Zweeds dricka – drack – druckit

 

3 Achtervoegsels om woorden mee te maken:

 

Duits -schaft Freundschaft
Nederlands -schap vriendschap
Engels -ship friendship
Zweeds -skap vänskap

 

 

Noord- en Westgermaans

Men neemt aan dat er in de eerste eeuwen na Christus duidelijke verschillen gingen optreden tussen de talen in de Scandinavische gebieden en het gebied dat nu ongeveer samenvalt met Duitsland, Nederland, Friesland en Engeland. Daarom spreekt men van de Noordgermaanse taalfamilie in Skandinavië en van het Westgermaans in onze streken.

Ook de Westgermaanse talen ontwikkelden zich in de loop der eeuwen tot zelfstandige talen, waarvan het Duits er één was. Met name de tweede klankverschuiving (die zweite Lautverschiebung), die het ‘Hoogduits’ kenmerkt, is voor het ontstaan van het Duits als zelfstandige taal erg belangrijk.

 

De ontwikkeling van het Duits

In de ontwikkeling van het Duits onderscheidt men vier fases:

 

Oudhoogduits (Althochdeutsch) ca. 750  –  1050
Middelhoogduits (Mittelhochdeutsch) ca. 1050  –  1350
Vroegnieuwhoogduits (Frühneuhochdeutsch) ca. 1350  –  1650
Nieuwhoogduits (Neuhochdeutsch) ca. 1650  –  heden

 

De begrippen ‘oud, middel en nieuw’ verwijzen naar een bepaalde tijd in de geschiedenis, terwijl het begrip ‘hoog’ op de plaats duidt en een geografische betekenis heeft. Met ‘hoog’ worden de meer zuidelijke gebieden in het Duitse taalgebied bedoeld.

 

Onder invloed van de geestelijkheid: het Oudhoogduits

 Men veronderstelt dat vanaf 500 n. Chr. in het Westgermaanse taalgebied, vanuit het zuiden, een verandering van klanken begon. Later heeft men die klankverschuiving Tweede of Hoogduitse klankverschuiving (zweite of Hochdeutsche Lautverschiebung) genoemd. De volgende verschuivingen traden op:

 

Westgermaans Oudhoogduits  
p  > pf
t   > z (uitgesproken als [ts])
k  > k (uitgesproken als [kch]; komt alleen in het zuidwesten en Zwitserland voor)

 

Vooral in het Alpengebied en in Zuid-Duitsland heeft zich deze klankverschuiving doorgezet. Niedersachsen, Friesland en Nederland zijn hierin niet meegegaan. De klankverschuivingen hebben zich doorgezet tot ongeveer de lijn Düsseldorf-Benrath. Men spreekt daarom van de Benrather Linie.

Als je in de tabel kijkt en op het kaartje, dan zie je dat evenals het Niederdeutsch, het Nederlands en het Engels deze klankverschuiving niet hebben doorgemaakt. Dat levert de volgende uitspraakverschillen op in vele verwante woorden:

 

Duits Nederlands Engels
Apfel appel apple
Pfund pond pound
Zahn tand tooth
Herz hart heart
Korn (Zwitsers: [Kchorn]) koren corn

 

 

In het Duitse taalgebied ten noorden van de Benrather Linie spreekt men van Nederduits (Niederdeutsch). De dialecten ten zuiden van de Benrather Linie vat men samen in het begrip Hoogduits (Hochdeutsch). In vergelijking met de eerste klankverschuiving, waardoor de Germaanse taalgroep binnen de Indo-Europese herkenbaar werd, heeft de tweede klankverschuiving de eenheid binnen de Germaanse taalfamilie in het gebied tussen Alpen en de zee in elk geval niet vergroot.

 Het woord ‘Duits’ (Engels: Dutch!) is afgeleid van het middellatijnse woord theodiscus, dat  ‘taal van het volk’ betekent (gotisch thiuda, Oudhoogduits diot en IJslands þjóð = volk). Het volk was ongeletterd en alleen de geestelijkheid kon lezen en schrijven. Zij deden dat veelal in het Latijn. Toch zijn sommige Latijnse teksten in het Duits van hun tijd vertaald of werden mondeling overgeleverde verhalen in het Oudhoogduits door monniken op schrift gesteld.

 

Het Abrogans, het oudste Duitse boek.

De troon van Karel de Grote in de Domkerk in Aachen.

Het was vooral keizer Karel de Grote (748 – 814) die ervoor zorgde dat de volkstaal ook werd opgeschreven. Hij stimuleerde de kunsten en de wetenschappen, vooral om het heidense volk te kerstenen (= tot christen te maken). Daarvoor liet hij religieuze teksten in de volkstaal vertalen. Helaas zijn veel van die teksten verloren gegaan.

Het eerste bekende grotere werk in het Oudhoogduits is een Latijns synoniemenwoordenboek dat rond 770, waarschijnlijk in een klooster bij Freising in de buurt van München, in de volkstaal werd vertaald. Het geschrift wordt ‘Abrogans’ genoemd naar het eerste Latijnse woord van dat woordenboek.

Karakteristiek voor het Oudhoogduits zijn de volle klinkers (a, ô en u) ten opzichte van de ‘stomme e’ in het hedendaagse Duits zoals deze vergelijking toont:

 

Oudhoogduits    Hedendaags Duits
machôn machen
taga Tage
demu dem
verga Berge

 

 

Hildebrandslied

 

 

In de abdij van Fulda zijn veel middeleeuwse handschriften bewaard.

 

 

Bekende overleveringen in het Oudhoogduits zijn de Merseburger Zaubersprüche (de toverspreuken van Merseburg) en het heldendicht Hildebrandslied.

Deze in mondelinge traditie overgeleverde teksten werden in de negende eeuw door monniken in het Oudhoogduits opgeschreven en zo voor het nageslacht bewaard.

 

 

Onder invloed van de hofcultuur: het Middelhoogduits

Na 1050 zijn steeds meer schriftelijke bronnen in het Duits van die tijd bewaard gebleven. Allereerst was daarvoor de geestelijkheid verantwoordelijk. In haar poging om het volk te bereiken werden meer en meer volksverhalen en legendes in de taal van het volk, het Duits, geschreven.

De mystieke beweging, die rond 1300 ontstaat, verrijkt de taal met een groot aantal nieuwe abstracte begrippen die te herkennen zijn aan woorden die veelal eindigen op -lich, -keit en -ung: wesentlich, Geistigkeit en Anschauung zijn hier voorbeelden van.

De belangrijkste verandering is echter de invloed van de niet-geestelijke hofcultuur. In de Middeleeuwen van rond 1200 zijn de ridders de dominante stand en hun heldendaden werden steeds vaker in wereldse ridderromans en verzen beschreven.

Het Nibelungenlied is in het Oudhoogduits geschreven.

Al deze tekstbronnen verschillen van het Oudhoogduits door vereenvoudigingen in de verbuigingen van zelfstandige naamwoorden en de vervoegingen van werkwoorden. Waren bijvoorbeeld naamvallen in het Oudhoogduits net als in het Latijn aan uitgangen achter zelfstandige naamwoorden te herkennen, in het Middelhoogduits werd die functie overgenomen door lidwoorden.

Minder naamvallen:

Ook werd het aantal naamvallen beperkt tot vier en werd veel wat voordien door een aparte naamval werd uitgedrukt, nu met een voorzetsel omschreven. Een eigen naamval voor bijvoorbeeld de Instrumentalis – daarmee kon omschreven worden waarmee je iets deed, in het Latijn de Ablativus Instrumentalis – kwam in het Oudhoogduits al amper meer voor en is in het Middelhoogduits helemaal verdwenen. Het werd nu met het voorzetsel mit omschreven:

Oudhoogduits ‘dinu speru’ > Middelhoogduits ‘mit dînem spere’.

Bij het werkwoord leidde de vereenvoudiging van het verbuigingssysteem tot een groter belang van het persoonlijk voornaamwoord. Daarnaast verschoof een aantal klanken. Door al deze veranderingen spreekt men van het Middelhoogduits (Mittelhochdeutsch).

 

De belangrijkste klankveranderingen:

Oudhoogduits Middelhoogduits  Hedendaags Duits
1 Afzwakking van volle klinkers gilaubiu erda ich geloube erde ich gelobe Erde
2 Samentrekking     ze ware > zwar

in deme > im

zwar

im

3 sk > sch        sculdi

scepphion

schuld

schephaer

Schuld

Schöpfer

4 Eindklankverharding   dagaz tac/des tages Tag/des Tages

 

 

Onder invloed van stad en universiteit: Vroegnieuwhoogduits

 

Hanzesteden

Men spreekt van het Vroegnieuwhoogduits (Frühneuhochdeutsch) in de periode tussen 1350 en 1650. Gilden en Hanzesteden, de stichting van universiteiten, de uitvinding van de boekdrukkunst en de Reformatie zijn van grote invloed in deze periode.

Planet Wissen over Luther-Bibel. (Link.)

Met name de bijbelvertaling van Luther is het bekendste werk uit deze tijd. De volledige bijbelvertaling stamt uit 1545. Luther baseerde zich voor de keuze van zijn Duits vooral op het dialect uit zijn streek, het gebied rond Eisenach-Erfurt, in het oosten van Duitsland. Vooral tweeklanken (diftong) en klinkers ondergingen belangrijke wijzigingen. Hier volgt een overzicht:

 

1 Nieuwhoogduitse diftongering
2 Nieuwhoogduitse monoftongering
3 Klinkerverlenging

 

Ad 1: Nieuwhoogduitse diftongering

Middelhoogduits  Vroegnieuwhoogduits
lange i > ei mîn mein
lange u > eu niuwes neu
lange oe > au hûs haus

 

Bovenstaande klankverandering noemt men de ‘Nieuwhoogduitse diftongering’ (Neuhochdeutsche Diphtongierung). Een diftong (Diphtong) is een tweeklank. Voor Nederlanders is dit allemaal niet zo ingewikkeld als het lijkt, zeker niet als je uit het oosten van Nederland komt.

In de Saksische dialecten van het Nederlands, zoals het Drents en het Twents, zijn deze ‘middelhoogduitse monoftongen (enkele klinkers)’ nog goed te horen. Dit geldt overigens ook voor het ‘Plattdüütsch’ in het noorden van Duitsland. Vergelijk het dialect uit Bremen met het Drents.

Hier volgen twee voorbeelden:

Plattdüütsch

Radiouitzending Bremen (5-02-2021):

Tekst:

LÄNDER SCHÜLLT KEEN IMPFSTOFF TRÜCHHOLLEN

Berlin: Bunnsgesundheitsminister Spahn fordert de Länder dorto op, datt se den Impfstoff vun Astrazeneca heel un deel upbruken schüllt. Se schüllt nix för dat twete Impfen trüchhollen, säe Spahn. So könen in de eersten dree Februarweken 1,7 Millionen Minschen mit Anrecht op de eerste Sprütt versörgt warrn. Bi Studien in Grootbritannien is rutsuert, datt de Impfschutz nich nalett, ok wenn de twete Dosis düütlich later geven ward.

EU-KOMMISCHOONSPRÄSIDENTIN GIFFT FEHLER TO

Brüssel: EU-Kommischoonspräsidentin von der Leyen gifft Fehler bi dat Rankriegen vun Impfstoff to. De EU hett de Probleme bi dat Herstellen vun Impfstoff to minn taxeert, säe von der Leyen to de „Süddüütschen Zeitung“. „En Land kann en Snellboot ween. De EU is mehr en Tankschipp“, so ehr Wöör. Se hebbt sik to düchtig up de Fraag konzentreert, wat dat en Impfstoff geven ward, un nich so sehr op dat Entwickeln. De Europääsche Union harr lever över de grode Opgaav vun de Massenprodukschoon nadenken schüllt.

Drents

Drenthe is ook één van de provincies waar een eigen taal gesproken en geschreven wordt:

Voorbeeld: Bartje spreekt Drents.

 

Ad 2: Nieuwhoogduitse monoftongering

Middelhoogduits  Vroegnieuwhoogduits
tweeklank ie > i liebe liebe
tweeklank uo > u guote gute
tweeklank uo > u brüeder Brüder

 

Een andere verandering was juist dat bepaalde tweeklanken in enkele klinkers veranderden, de Nieuwhoogduitse monoftongering (Neuhochdeutsche Monophtongierung).

 

Ad 3: Klinkerverlenging

Middelhoogduits  Vroegnieuwhoogduits
faren (korte a) fahren
nemen (korte e) nehmen
vogel (korte o) Vogel (lange o)
kugel (korte u) Kugel (lange u)

 

Luister naar een voorbeeld van hoe het Vroegnieuwhoogduits geklonken zou kunnen hebben. De tekst stamt uit Martin Luthers ‘Sendbrief vom Dolmetschen’ waarin hij spreekt over de problemen die je als vertaler hebt bij je woordkeuze. Let daarbij vooral op de woordvolgorde in de zin.

Hoewel in het Vroegnieuwhoogduits een ontwikkeling begon naar een vaste woordvolgorde in de zin – in de hoofdzin: persoonsvorm op de tweede plaats; in de bijzin: persoonsvorm aan het eind van de zin – hoor je in dit fragment dat dit veranderingsproces nog niet helemaal afgesloten is. De woordvolgorde in de zin wijkt nog wel eens af van de huidige volgorde.

 

 

Sendbrief vom Dolmetschen voorgelezen. (Vanaf 16′.30″ – 18′.)

Sendbrief vom Dolmetschen

Ich hab mich des beflissen im Dolmetschen, daß ich rein und klar Deutsch geben möchte. Und ist uns sehr oft begegnet, daß wir vierzehn Tage, drei, vier Wochen haben ein einziges Wort gesucht und gefragt, haben’s dennoch zuweilen nicht gefunden. Im Hiob arbeiteten wir also, Magister Philips, Aurogallus und ich, daß wir in vier Tagen zuweilen kaum drei Zeilen konnten fertigen. Lieber – nun es verdeutscht und bereit ist, kann’s ein jeder lesen und meistern. Es läuft jetzt einer mit den Augen durch drei, vier Blätter und stößt nicht einmal an, wird aber nicht gewahr, welche Wacken und Klötze da gelegen sind, wo er jetzt drüber hingehet wie über ein gehobelt Brett, wo wir haben müssen schwitzen und uns ängsten, ehe denn wir solche Wacken und Klötze aus dem Wege räumeten, auf daß man könnte so fein dahergehen. Es ist gut pflügen, wenn der Acker gereinigt ist. Aber den Wald und die Stubben ausroden und den Acker zurichten, da will niemand heran. Es ist bei der Welt kein Dank zu verdienen, kann doch Gott selbst mit der Sonnen, ja, mit Himmel und Erden noch mit seines eigen Sohns Tod keinen Dank verdienen, sie sei und bleibt Welt – in des Teufels Namen, weil sie ja nicht anders will.

 

 

Onder invloed van wetenschap, techniek en media: Nieuwhoogduits

Het Duits dat je op school leert, noemen we het Nieuwhoogduits of gewoon modern Duits. We spreken van het Nieuwhoogduits vanaf ongeveer 1650. Klankveranderingen hebben sindsdien nauwelijks meer plaats gevonden.

In de woordenschat zijn de veranderingen echter nog nooit zo groot geweest. Dit is ook goed te begrijpen als je nagaat hoe sterk de wetenschap, met zijn vele vakuitdrukkingen (jargon), de techniek met nieuwe uitvindingen en de massamedia zich vanaf de zeventiende eeuw hebben ontwikkeld. Zo is er is in de afgelopen vier eeuwen nog heel wat veranderd. Uit de discussies over de nieuwe spelling en uit de vele drukken van nieuwe woordenboeken blijkt natuurlijk ook dat taal nog steeds verandert. Enkele voorbeelden van veranderingen:

 

1 Techniek en sport zorgen voor nieuwe woorden: Elektrizität, Telegraphie; Freistoß, Halbzeit, verbotener Boxschlag unterhalb der Gürtellinie.

2 De wetenschap vraagt om bijzondere uitdrukkingen en woorden: Problem, Ebene, Sektor.

3 Het Amerikaans en het Engels winnen op velerlei gebied aan invloed: mailen, Jeans, Business, Teamwork, Handy, Foul.

4 Het gebruik van afkortingen neemt toe “Aküsprache (Abkürzungssprache)”: UNO (United Nations Organization), GAU (größter anzunehmender Unfall); Alki (Alkoholiker).

 

De grammatica ondergaat zeker een vereenvoudiging. Het gebruik van de genitief (tweede naamval) wordt bijvoorbeeld steeds meer verdrongen door de datief of door constructies met voorzetsels (des Mannes > von dem Mann). De conjunctivus wordt tegenwoordig veelal gevormd met vormen van ‘würden’: Ich ginge nicht, wenn ich du wäre >Ich würde nicht gehen, wenn ich du wäre.

 

Of hier sprake is van een verrijking of van een verarming van de taal laten we in het midden. Passief lijkt de woordenschat zich in elk geval uit te breiden, maar actief neemt hij misschien af.

 

 

Dialecten

Zoals we in het Nederlands het ABN (Algemeen beschaafd Nederlands) kennen, dat naar men zegt het zuiverste in de omgeving van Haarlem gesproken wordt, zo kent het Duits het Hoogduits (Hochdeutsch) uit de omgeving van Hannover. Het gebruik van dialecten is echter in het Duits wijdverbreid en loopt door alle lagen van de bevolking.

 

Dialekte im Deutschen (5′):

Link: Dialektatlas Deutsche Welle.

 

 

De e/i-Wechsel en a-Umlaut

Misschien heb je je wel eens afgevraagd waar de e/i-Wechsel uit ich helfe  – du hilfst  – er/sie/es hilft vandaan komt. Of de a-Umlaut uit ich fahre – du fährst – er/sie/es fährt. Dat zijn veranderingen geweest die al vroeg in de tijd van de ontwikkeling naar het Oudhoogduits plaatsvonden. Deze veranderingen zijn terug te voeren op uitgangen met een -i- of een -j-. Die uitgangen hadden invloed op de klinkers in de stam van een woord. Vergelijk de volgende voorbeelden:

 

Oudhoogduits Nieuwhoogduits
helfan (er) hilfit  helfen er hilft
faran (er) ferit fahren er fährt

                                  

Men duidt de verandering van de e/i-Wechsel aan met de term Westgermanischer i-Umlaut. Deze verandering onder invloed van een volgende -i- of -j-  heeft zich namelijk ook in het Engels (tooth – teeth) en in het Zweeds (tand – tänder) voorgedaan.

De a-Umlaut is van latere datum. Deze stamt uit het begin van het Oudhoogduits en wordt aangeduid met de term Primärumlaut. Niet alleen bij sterke werkwoorden met een -a- in de stam, maar ook bij de Steigerung van bijvoeglijke naamwoorden (alt – älter – ältest) en bij de meervoudsvorming van veel zelfstandige naamwoorden (Gast – Gäste, Lamm – Lämmer) zie je dit fenomeen.

 

Acht Dialekte in einer Minute.

Doe anders dan anderen en ga taalkunde studeren(bijvoorbeeld in Duitsland of Canada).

Why Study Linguistics?

 

Aanbevolen literatuur

Astrid Stedje, Deutsche Sprache gestern und heute, Stuttgart 2001

Werner König, dtv-Atlas zur deutschen Sprache, Band 3025, München 2004

Hans Joachim Störig, Abenteuer Sprache, München 2002