Botho Strauß

 

 

Botho Strauß – Es gibt nur Zimmer ohne das Haus

 

Botho Strauß is in 1944 in Naumburg geboren. Zijn toneelstukken behoren tot de meest gespeelde stukken van de huidige tijd. Hij heeft verschillende romans en vele essays geschreven, waarin hij de moderne cultuur onder de loep neemt en scherp kritiseert. Strauß is evenals Handke een provocateur.

Eén van zijn laatste boeken heeft de sarcastisch-ironische titel: zu oft umsonst gelächelt/te vaak voor niets geglimlacht.

 

 

 

 

De mens (…) een rimpeling in de oceaan van het weten

… alors on peut bien parier que l’homme s’effacerait, comme à la limite de la mer un visage de sable.( Foucault, M. (1966), Les mots et les choses. Une archéologie des sciences humaines. Paris: Gallimard.)

.. welnu men zou erom kunnen wedden, dat de mens verdwijnt zoals een gelaat, getekend in het zand op de vloedlijn van de zee, wordt weggespoeld. (Vert. JK)

 

Michel Foucault

Het werk van Botho Strauß wordt met bovenstaand citaat goed samengevat. Endzeitstimmung, ondergangsbewustzijn en desoriëntering zijn de hoofdthema’s die in zijn werk de boventoon voeren. Ondanks deze grote en loodzware woorden valt er om zijn toneelstukken, romans en korte verhalen heel wat te lachen.

Strauß is vooral bekend vanwege zijn toneelstukken. Daarin brengt hij steeds op verschillende wijze de hoofdgedachte van de Franse filosoof Michel Foucault (1926 – 1984) tot uitdrukking:

De mens verdwijnt zoals een gezicht getekend in het zand op de vloedlijn van de zee wordt weggespoeld.

De woorden en de dingen.

Als geen ander in Duitsland heeft Strauß zich, uit onvrede met de linkse studentenbeweging en haar eenzijdige orientatie op het marxisme, de nieuwe inzichten van de Franse filosofie uit de jaren zestig en zeventig eigengemaakt. Daarin wordt afscheid genomen van een geloof in een voortschrijdend en samenhangend verloop van de geschiedenis, waarin de verlichte en rationale mens een hoofdrol zou kunnen spelen.

Door intensieve bestudering van de geschiedenis aan de hand van sociale processen en de rol van taal leggen de Franse filosofen structuren bloot van de menselijke samenleving.

Het is vooral het hoofdwerk van de taalkundige Ferdinand de Saussure, Cours de linguistique générale (1916), dat door deze Franse filosofen – zij worden wel structuralisten genoemd – als basis voor hun werk wordt beschouwd.

Foucault bestudeert het ‘weten’, de rol van de wetenschap en de menselijke kennis. In zijn boek Les mots et les choses (1966) legt hij de ‘orde der dingen’ bloot, de verhouding tussen woorden en zaken aan de hand van de ontwikkeling van de wetenschap. Het is de gestolde kennis, het zijn de ervaringen en handelingen samengesmolten tot een weten, dat zich als macht aan de mens opdringt en hem ondergeschikt maakt aan onpersoonlijke structuren.

Het woord discipline in zijn dubbele betekenis van ‘tak van wetenschap’ en ‘gehoorzaamheid’ drukt precies uit wat de structuralisten bedoelen. De mens en het menselijke handelen worden door de verschillende wetenschappen uiteengerafeld en geanalyseerd volgens vaste begrippen, ordeningen. Die ordeningen zijn allerminst neutraal, maar daarachter gaan belangen schuil. Ze zijn aanwezig in de medische wetenschap, de economie, de taalwetenschap en de sociologie.

Foucault analyseeert heel concreet hoe er vroeger over homofilie, over de psychiatrische patient en de crimineel werd gedacht. Zijn indrukwekkende studies over de geschiedenis van de waanzin en het gevangeniswezen werden in de jaren zeventig en tachtig door veel studenten intensief gelezen.

De mens, zo betoogt Foucault, is in de wetenschap slechts een object, een rimpeling in de oceaan van het weten. Waarbij wetenschap en disciplinering in de zin van ‘gehoorzaamheid’ in zijn visie nauw samenhangen. Of bevrijding hieruit mogelijk is? Foucault verwijst in zijn latere werken naar de Griekse tragedies, waarin de speler vrijmoedig spreekt, zich losmaakt uit conventies, procedures en voorschriften. De spreker zet zichzelf op het spel door er vrijmoedig ten overstaan van iedereen op het toneel het woord te nemen.

In deze daad, die een kunstuiting bij uitstek is, komt de waarheid soms heel even aan het licht, aldus Foucault. Bekijk de uitzending over Foucault.

Inleiding op Foucault, Erno Eskens from isvw on Vimeo.

Ferdinand de Saussure

 

 

 

Paare und Passanten – Kafkaeske mozaïeken

 

Strauß’ werk zou je een literaire verwerking van deze filosofische thema’s kunnen beschouwen. Hij doet dit meestal lichtvoetiger en komischer dan velen van zijn tijdgenoten, die ook door het gedachtegoed van Foucault zijn beïnvloed. Zijn toneelstukken noemt hij vrijwel zonder uitzondering Komödien. Over het zinloze doen en laten van de mens kun je je immers alleen maar vrolijk maken.

In het toneelstuk Trilogie des Wiedersehens (1976), een aaneenrijging van losse scènes, wordt een tentoonstelling geopend met als thema ‘kapitalistisch realisme’. De genodigden hebben elkaar eigenlijk niets te zeggen en worden er met hun lege en pseudo-intellectuele praat zelf tot een tentoongesteld en lachwekkend object. Strauß wil daarmee zeggen dat in het kapitalisme niets er werkelijk meer toe doet. De waarde van kunst wordt niet door een deskundige of liefhebber bepaald, maar door de geldgever. Alles draait om geld. Niet alleen kunst is tot waar gedegradeerd, ook de mens, niet meer in staat tot contact met anderen, is in zijn isolement tot een willoos radertje van de kapitalistische markt verworden.

De typische symptomen van de moderne maatschappij, koude, vereenzaming en verzakelijking, stelt hij ook aan de orde in het toneelstuk Groß und klein (1978) en in zijn boek Paare, Passanten (1981). In dit laatste boek heeft hij vlijmscherpe observaties van de media- en consumptiemaatschappij bijeengebracht. In een tijd van ‘Medienüberflutung’ hebben de grote verhalen, aloude tradities en de roman hun plaats moeten afstaan aan nieuwe vormen van kunst.

Strauß neemt waar en kijkt om zich heen. Hij verwoordt zijn bevindingen vooral in toneelstukken en in prosafragmenten, mozaïeken, noemt hij ze.

Hieronder volgen twee voorbeelden uit Paare, Passanten.

 

 

Der Richter fragt den alten Mann, den KZ-Wächter Fuchs, wie er heute zu den Tatsachen der Judenvernichtung stehe. Der Herzkranke antwortet nach dem Muster der Unbelehrbaren: „Man hätte die Juden auf eine einsame Insel abschieben sollen.“ Der Richter: „Und was würden Sie sagen, wenn der Staat verfügte, dass alle Leute mit dem Namen Fuchs auf eine einsame Insel abgeschoben werden müssten?“ Der Fuchs, kleinlaut: „Man hätte die Judenfrage auf anständige Weise lösen sollen.“ Der pädagogische Richter: „Was nennen Sie anständig?“ Der Nazi so in die Enge getrieben, sagt endlich ganz leise, was man von ihm hören wünscht: „Man hätte die Juden in Ruhe lassen sollen.“

Strauß, B. (1981), Paare, Passanten. München: Carl Hanser. S. 174.

De rechter vraagt de oude man, de concentratiekampbewaker Fuchs, hoe hij nu tegenover de feiten van de jodenvernietiging staat. De hartpatiënt antwoordt op de manier van iemand die hardleers is: ‘Ze hadden de joden naar een eenzaam eiland moeten verbannen.’ De rechter: ‘En wat zou u ervan zeggen als de staat zou verordenen dat alle mensen met de naam Fuchs naar een eenzaam eiland verbannen moesten worden?’ Fuchs, timide: ‘Ze hadden het jodenprobleem op een fatsoenlijke manier moeten oplossen.’ De pedagogische rechter: ‘Wat noemt u fatsoenlijk?’ De nazi, in het nauw gedreven, zegt nu eindelijk heel zacht wat men graag van hem wil horen: ‘Ze hadden de joden met rust moeten laten.’

Botho Strauß, Paren, Passanten (1983), vertaling Gerda Meijerink.

In einem Restaurant erhebt sich eine größere Runde von jungen Männern und Frauen. Es ist bezahlt worden, und alle streben in lebhafter Unterhaltung dem Ausgang zu. Doch eine Frau ist sitzen geblieben am Tisch und sinnt dem nach, was eben an Ungeheuerlichem einer gesagt hat. Die anderen stehen bereits im Windfang des Lokals, da kommt ihr Mann zurück. Er hat, kurz vor dem Ausgang, bemerkt, daß ihm die Frau fehlt. Aber da steht sie auch schon auf und geht an ihm vorbei durch beide Türen.

Strauß, B. (1981), Paare, Passanten. München: Carl Hanser. S. 9

In een restaurant maakt een gezelschap van jonge mannen en vrouwen aanstalten om te vertrekken. De rekening is voldaan en ze begeven zich in een levendige conversatie verwikkeld naar de uitgang. Maar een vrouw is aan de tafel blijven zitten en denkt na over de ongehoorde dingen die zoëven een van de mannen heeft gezegd. De anderen staan al in de vestibule als haar man terugkomt. Hij heeft, net voor de uitgang, ontdekt dat zijn vrouw ontbreekt. Maar op dat moment staat ook zij al op en loopt langs hem heen door de beide deuren naar buiten.

Botho Strauß, Paren, Passanten (1983), vertaling Gerda Meijerink.

 

Sieben Türen – es gibt nur Zimmer ohne das Haus

Franz Kafka

‘Deuren, vensters, kamers en huis’ zijn woorden en begrippen die een belangrijke rol spelen in de toneelstukken van Strauß. Het is alsof hij het mooie, maar absurde verhaal van Kafka, Die Verwandlung (1915) tot uitgangspunt van zijn werk heeft gemaakt. Ook hierin zijn eenzaamheid, afwezigheid van communicatie en een absurde toestand, waarin een mens in een ondier veranderd is en uiteindelijk sterft, belangrijke thema’s. De centraal gelegen kamer van Gregor Samsa, met deuren naar alle kanten, is symbool voor de afgrenzing en buitensluiting van de hoofdpersoon.

Vervreemding, de hulpeloosheid van de taal, niet in staat zijn tot liefde geven en ontvangen, ‘es gibt nur Zimmer ohne das Haus’, het zijn de centrale thema’s, die Strauß steeds weer in wisselende vorm aan de orde stelt. In dit verband is de titel van het komische stuk Sieben Türen (1988) veelzeggend.

Eerste scène uit Sieben Türen (1988; 10′).

 

Deuren, openingen genoeg, zou je kunnen zeggen, maar niemand komt in deze onbehuisdheid tot elkaar. Werkelijke communicatie of samenleven komt niet tot stand. De voorstelling van de werkelijkheid is in dit stuk kafkaesk te noemen.

In de jaren tachtig en negentig verandert deze tendens in het werk van Strauß niet wezenlijk. Hij maakt meer gebruik van thema’s uit de mythologie. In zijn stuk Der Park (1984) wordt het sprookjesbos uit Shakespeares Sommernachtstraum in een fantasieloos stadspark veranderd. De glans van de mythe verbleekt in het licht van de harde realiteit.

Kienholz, The Art Show, Kafkaëske taferelen.

Strauß’ stukken zijn vooral spreekstukken, waarin de innerlijke leegte van de moderne consumptiemaatschappij aan de kaak wordt gesteld. Vooral de kunstwereld, een uitwas van het kapitalisme – er gaat veel geld om in die wereld – moet het bij Strauß ontgelden.

Het kunstwerk van Edward en Nancy Reddin Kienholz, The Art Show (1963 – 1977), lijkt een treffende illustratie van het werk van Strauß. In The Art Show worden gipsen afgietsels getoond van bekende kunstcritici en museumdirecteuren. De monden zijn luchtroosters van autowrakken. Daaruit zijn uiterst gecompliceerde en onbegrijpelijke teksten over kunst te horen, die door de afgebeelde personen worden uitgesproken. Zin en onzin, werkelijkheid en schijn zijn in de kunstwereld moeilijk van elkaar te onderscheiden.

 

Zijn stuk Ithaka (1996), een originele en heel mooie bewerking van Homerus’ epos over de terugkeer van Odysseus, wordt vaak op scholen opgevoerd. Hoezeer Strauß zich ook in zijn latere werk intensief blijft bezighouden met de zoektocht van de mens naar zichzelf, een ondertoon van afscheid nemen en bedreiging blijft onmiskenbaar altijd bij hem aanwezig.

Een lang en heel bijzonder gedicht (naar aanleiding van een bezoek, misschien aan zijn moeder) geeft hij als motto mee:

Denn die Hoffnung des Gottlosen ist wie Staub,

Vom Winde zerstreut,

Und wie feiner Schnee, vom Sturm getrieben,

Und wie Rauch, vom Winde verweht,

Und wie man einen vergisst,

Der nur einen Tag lang Gast gewesen ist.

(Die Weisheit Salomos 5, 15/Spreuken 5, 15.)

 

Een goede kennismaking met het werk van Botho Strauß zijn Paare, Passanten uit 1981 of de nieuwere verhalenbundels, zoals Mikado uit 2006. Vaak stellen zijn teksten de lezer voor raadsels. Wat vertrouwd of vanzelfsprekend lijkt, wordt door een bijzondere verteltechniek onmiddellijk op losse schroeven gezet. Zijn verhalen brengen de lezer in aanraking met het onbekende en onverwachte. Strauß lezen is puzzelen en daarom een spannend avontuur.

In 1993 verscheen er van zijn hand een omstreden essay in der Spiegel onder de titel Anschwellender Bocksgesang. Sommigen plaatsten hem daarop in rechts-extreme hoek. Of dat terecht is kun je op grond van de tekst zelf beoordelen. Lees hier de tekst van Anschwellender Bocksgesang (08-02-1993).

Toen hij in 2015 tegen de achtergrond van Merkels Wir schaffen das (i.v.m. de toestroom van vluchtelingen) nog een keer provoceerde met zijn essay Der letzte Deutsche, keek niemand daar meer van op.

Lees hier het korte verhaal Das Schließfach:

Botho Strauß – Das Schließfach

Es war ein versonnener, schmächtiger Mann, der sich mir anschloß, ja geradezu anschmiegte. Auf der Achterbahn des Oktoberfests stieg er in meine Kabine und später im Münchner Hauptbahnhof bat er, da alle Schließfächer belegt waren, seinen »schmalen, schmalen« Koffer zu mir ins letzte freie, das ich ergattern konnte, hineinschieben zu dürfen.

»Wann geht Ihr Zug? Wann kommen Sie zurück und holen Ihren Koffer?« fragte ich ein wenig beunruhigt. »Nennen Sie mir ungefähr die Abfahrtszeit Ihres Zuges. Ich werde entsprechend früher hier eintreffen und auf Sie warten. «

»Ich richte mich ganz nach Ihnen.«

Es schien mir nun geboten, ihn als meinen Gast zu betrachten, wenn es sich auch nur um den Unterschlupf in meinem Schließfach handelte, den ich ihm gewährt hatte.

»Einfacher wäre es wohl, ich würde Sie so lange begleiten, bis Sie zum Bahnhof zurückkehren und das Schließfach wieder öffnen. Selbstverständlich laufe ich auch in angemessenem Abstand hinter Ihnen her, falls Sie noch eine andere Verabredung wahrnehmen müssen. Sie brauchen sich um mich nicht zu kümmern. Ich werde Ihre Spur nicht verlieren.«

Schließlich habe er gut vierzig Jahre damit verbracht, sich einen Weg zu bahnen zur Leiche seines Bruders. Bis zu der Stelle, mitten im brasilianischen Urwald, an der dieser von seinem Weggefährten heimtückisch erschlagen worden war. »Seither ist es mir auf keinem Weg mehr eilig.«

Für den Rest seines Lebens hatte er sich nichts anderes vorgenommen, als wiederum einen Weg zu bahnen, diesmal zum Mörder seines Bruders. Dieser war, wie er wußte, leider nicht im Urwald aufzuspüren, worin er nun ein wenig Erfahrung besitze, sondern er wurde im Untergrund einer europäischen Großstadt vermutet. Sollte es ihm nicht mehr vergönnt sein, seine Suche mit Erfolg abzuschließen, so hoffe er, daß nach seinem Tod der Neffe den Weg fortführen werde, bis er eines Tages vor dem Mörder seines Vaters stehe. Zu diesem Brudersohn sei er augenblicklich unterwegs. »Was heißt da augenblicklich!« korrigierte er sich streng, als hätte er einem anderen Ich zu widersprechen. Der Augenblick sei eine Zeiteinheit, die für ihn keine Rolle mehr spiele. Es erstrecke sich ihm alles in sehr gedehnte Tempi.

Er könne sehr wohl auch seine Reise nach Bamberg zum Neffen erst in fünf Jahren fortsetzen, falls ich auf meinem Weg zurück zum Schließfach aufgehalten oder in unvorhergesehene Umstände verwickelt werden sollte. Er werde deshalb seine abstandhaltende, verläßliche Begleitung gewiß nicht aufgeben und mir in aller Ruhe auf den Fersen bleiben.

Uit: Botho Strauß: Mikado. München. Wien 2006. S.93

 

 Radioprogramma (5′) over Botho Strauß als provocateur.

Boekbespreking van Paare Passanten.

 

Terug naar de vorige pagina: