19. Literatuur in beide Duitslanden (1968 – 1989)

 

 

 

Historische achtergrond

 

 

De jaren van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog hadden in West-Europa geleid tot een ongekende welvaart voor allen en tot stabiele democratische verhoudingen. In de ogen van sommigen was deze situatie echter schijn. Oude elites hielden de economische en politieke machtsposities nog steeds bezet. Bovendien was de ‘Entnazifizierung’ maar ten dele gelukt.

Daartegen ontstond bij de na-oorlogse generatie geleidelijk aan steeds meer verzet. Dat reikte van normaal protest langs democratische weg tot agitatie van radicale groepen, die met geweld probeerden hun doelstellingen te realiseren. Duitsland was met name in de jaren zeventig in de ban van terroristisch geweld van de Rote Armee Fraktion (RAF) of Baader-Meinhof-Gruppe. Na de hoogtijdagen van het geweld in 1977 nam dit langzaam af.

Ten gevolge van oliecrisis: Einde aan de welvaartsmaatschappij.

De jaren tachtig werden in eerste instantie gekenmerkt door grote economische malaise, niet in de laatste plaats veroorzaakt door een steeds hogere olieprijs.

Na jaren van voorspoed en ongekende groeicijfers werd de Westerse wereld geconfronteerd met massa-ontslagen en een vergaande herstructurering van de economie.

Opkomende economieën zoals Zuidoost-Azië noopten het Westen ertoe zich steeds meer te gaan specialiseren in hoogwaardige technologie. Dit proces van specialisatie leidde tot een voortschrijdende globalisering van de wereldeconomie waarbij de productie steeds meer verplaatst werd naar lagelonenlanden, zoals naar Azië en na de val van het communisme ook naar Oost-Europa.

 

Gorbatschow: ‘Wer zu spät kommt, den bestraft das Leben.’

De militaire en economische concurrentie tussen Oost en West zorgde voor een uitputting van de mogelijkheden van de communistisch geregeerde landen in Oost-Europa. Deze landen werden in steeds grotere mate afhankelijk van kredieten vanuit het Westen. De slechte omstandigheden van de mensenrechten zorgden, naast het economische failliet van de communistische heilsleer, ook voor een moreel failliet.

Mede door de hervormingspolitiek aan het eind van de jaren tachtig in de Sovjet-Unie onder Michael Gorbatschow die gericht was op meer openheid en democratie, durfden de Oost-Europese satellietstaten een meer eigen politieke koers te varen.  Hierbij ging men zich steeds meer op het Westen richten.

De opening van het IJzeren Gordijn in de zomer van 1989 in Hongarije leidde uiteindelijk tot de val van het communisme in Oost-Europa. Het hoogtepunt van deze ontwikkeling was de val van de Berlijnse Muur op 9 november 1989. Dit leidde tot de officiële vereniging van beide Duitslanden op 3 oktober 1990 en tot het einde van de deling van Europa en van de Koude Oorlog.

Goede informatie en korte video’s over de jaren ’70 en ’80 in Duitsland vind je bij Planet Wissen.

Meer over de Nachkriegszeit in Duitsland.

 

1968 – ‘Revolutie’ in Europa

 

Rudi Dutschke spreekt op een congres tegen de oorlog in Vietnam (februari 1968).

1968 zorgde in veel landen in West-Europa voor een verschuiving in de maatschappelijke verhoudingen. Het jongeren- en studentenprotest leidde tot diepgaande verandering van moraal en maatschappij waarvan democratisering, feminisme, een vrijere seksuele moraal, milieubewustzijn en aandacht voor de Derde Wereld de belangrijkste uitingen waren.

Voor velen was de afhankelijkheid van West-Europa van de Verenigde Staten, dat een ‘vuile oorlog’ in Vietnam voerde, een doorn in het oog. En in het generatieconflict kwam daar in West-Duitsland nog eens het protest bij tegen het hardnekkige zwijgen door de oudere generaties over de schuld aan de misdaden, begaan in de Tweede Wereldoorlog.

Dit verzet ontstond bij een intellectuele voorhoede aan de Europese universiteiten. In Duitsland werd dit verzet aangevoerd door Rudi Dutschke, de voorman van de de Sozialistischer Deutscher Studentenbund (SDS). Zij eisten meer inspraak op hun universiteiten en in de maatschappij en organiseerden demonstraties die gericht waren tegen het kapitalisme, de politieke machtsverhoudingen in West-Duitsland, de oorlog in Vietnam en de uitbuiting van de Derde Wereld.

Benno Ohnesorg op 2 juni 1967 neergeschoten.

De situatie radicaliseerde op 2 juni 1967 tijdens demonstraties tegen het bezoek aan Berlijn van de Sjah van Perzië. De Sjah nam het met de mensenrechten in zijn land niet zo nauw. De politie trad dermate hard op dat daarbij een betoger, Benno Ohnesorg, om het leven kwam.

Overigens zou pas veel later blijken dat de politiefunctionaris Karl-Heinz Kurras, die Ohnesorg doodschoot, voor de Stasi werkte, de geheime politie van de DDR. 112 kilometer Stasidocumenten wachten nog op nader onderzoek dat misschien meer duidelijk kan maken over de uiteindelijke invloed van de DDR op de onrust in West-Duitsland in deze tijd.

Het verzet tegen de maatschappelijke verhoudingen, tegen het optreden van de politie en tegen de eenzijdige berichtgeving in de media verhardde vanaf dat moment enorm. Met name de uitgeverij van Axel Springer – uitgever van onder andere het boulevardblad Bild – moest het vanwege zijn opruiende artikelen ontgelden.

Rudi Dutschke werd slachtoffer van een aanslag op zijn leven in mei 1968. Men vermoedde dat de de pleger van de aanslag, Joseph Bachmann, rechts-extreme sympathieën had en dat Bachmann mede tot zijn daad werd geïnspireerd door de mediahetze tegen de studenten, met name door de Bildzeitung. Hoewel Dutschke de aanslag overleefde, overleed hij in 1979 aan de gevolgen ervan.

 


Rudi Dutschke, leider van het studentenprotest spreekt over revolutie.(0’41”)

 

Film over de studentenbeweging in Duitsland. (Planet Wissen, 58′)

Meer informatie over de studentenprotesten in Duitsland in de jaren zestig.

 

 

Radicalisering van het protest – terrorisme

 

Terugblik op de Deutscher Herbst en het terrorisme in de jaren zeventig. (18′)

Sommige studenten vonden de demonstraties een ontoereikend middel om hun uitgangspunten te realiseren. Zij gingen verder in hun verzet en organiseerden terroristische acties om hun doelen te bereiken: brandstichtingen, bankovervallen, bomaanslagen en gijzelingen waren de middelen die de Rote Armee Fraktion (RAF) tegen de maatschappij inzette en waarmee zij de Bondsrepubliek gedurende de jaren zeventig in hun greep hielden.

Naar de leiders Andreas Baader en Ulrike Meinhof van de RAF werd de groep de Baader-Meinhof-Gruppe genoemd.

In 1977, tijdens de zogenaamde Deutscher Herbst, raakte het geweld op zijn hoogtepunt. De belangrijkste leiders van de Erste Generation van de RAF, Andreas Baader, Gudrun Ensslin, Jan-Carl Raspe en Irmgard Möller werden al enige jaren in Stammheim, een gevangenis bij Stuttgart, gevangen gehouden. Om hen vrij te krijgen, gijzelden navolgers – de zogenaamde Zweite Generation – de voorzitter van het werkgeversverbond Hanns-Martin Schleyer (zie foto).

Tezelfdertijd kaapten sympathiserende Palestijnen een toestel van de Lufthansa. Dat toestel werd uiteindelijk in Mogadishu in Somalië door een speciale eenheid van de Bundespolizei, GSG 9, bevrijd. De gevangen leden van de RAF in Stammheim pleegden daarop, volgens sommigen onder verdachte omstandigheden, zelfmoord in hun gevangeniscel. Korte tijd daarna werd Schleyer dood teruggevonden in een bos in België.

Hoewel in de jaren tachtig ook nog steeds aanslagen werden gepleegd door de zogenaamde Dritte Generation, bereikte het geweld niet meer het niveau van de jaren zeventig. Vele terroristen konden gevangen worden genomen en werden tot hoge celstraffen veroordeeld. De RAF heeft zich pas in 1998 officieel opgeheven.

 

Een docudrama over de Duitse Herfst, Todesspiel (1997), wordt regelmatig op TV uitgezonden.

Over de kaping en bevrijding van het vliegtuig bestaat een spannende thriller: Mogadishu (2008). Hier zie je een fragment over de bevrijding (5′):

 

Meer informatie over de RAF bij de bpb/Bundeszentrale für politische Bildung.

 

Veranderingen en politieke stabiliteit

 

In 1969 trad een linksliberale regering onder leiding van Willy Brandt van de SPD aan onder de leus ‘Wir wollen mehr Demokratie wagen’. Hier volgt een gedeelte uit Brandts rede.

Willy Brandt, Bondskanselier van 1969 – 1974

Die strikte Beachtung der Formen parlamentarischer Demokratie ist selbstverständlich für politische Gemeinschaften, die seit gut 100 Jahren für die deutsche Demokratie gekämpft, sie unter schweren Opfern verteidigt und unter großen Mühen wieder aufgebaut haben. Im sachlichen Gegeneinander und im nationalen Miteinander von Regierung und Opposition ist es unsere gemeinsame Verantwortung und Aufgabe, dieser Bundesrepublik eine gute Zukunft zu sichern. (…)

Unser Volk braucht wie jedes andere seine innere Ordnung. In den 70er Jahren werden wir aber in diesem Lande nur so viel Ordnung haben, wie wir an Mitverantwortung ermutigen. Solche demokratische Ordnung braucht außerordentliche Geduld im Zuhören und außerordentliche Anstrengung, sich gegenseitig zu verstehen.

Wir wollen mehr Demokratie wagen. Wir werden unsere Arbeitsweise öffnen und dem kritischen Bedürfnis nach Information Genüge tun. Wir werden darauf hinwirken, daß nicht nur durch Anhörungen im Bundestag, sondern auch durch ständige Fühlungnahme mit den repräsentativen Gruppen unseres Volkes und durch eine umfassende Unterrichtung über die Regierungspolitik jeder Bürger die Möglichkeit erhält, an der Reform von Staat und Gesellschaft mitzuwirken.

(Willy Brandts Regierungserklärung, 28. Oktober 1969.)

Beluister hier de interessante rede – een fragment 13′.

 

Brandts knieval in discussie.

Brandt, die in 1933 was uitgeweken naar Noorwegen en tijdens de Tweede Wereldoorlog in Zweden verbleef, had de tekenen des tijds begrepen. Onder zijn leiding werd deels gehoor gegeven aan de wensen van de jonge generatie. Daarnaast zocht hij met de zogenaamde Ostpolitik openingen naar het oosten.

Tijdens een staatsbezoek aan Polen in 1970 knielde hij geheel onverwachts voor het monument voor de opstand van het ghetto van Warschau (1943) en verzocht de slachtoffers van de Duitse oorlogsmisdaden in de Tweede Wereldoorlog om vergiffenis. Deze zogenaamde Kniefall maakte diepe indruk in de wereld.

Willy Brandt schreef in zijn herinneringen aan deze dag (7 december 1970):

 

Ich hatte nichts geplant. (…) Am Abgrund der deutschen Geschichte und unter der Last der Millionen Ermordeten tat ich, was Menschen tun, wenn die Sprache versagt.

Ik had niets van tevoren bedacht. (…) Aan de afgrond van de Duitse geschiedenis en onder de last van miljoenen slachtoffers, deed ik wat mensen doen, als woorden tekortschieten.

 

Met de DDR knoopte Brandt diplomatieke banden aan. Hij probeerde op deze wijze het leven van de Duitsers aan gene zijde van het IJzeren Gordijn te verbeteren. De versoepelde bezoekersregeling tussen beide landen zorgde ervoor dat families elkaar makkelijker op konden zoeken. Tevens werden in de loop der jaren vele politieke gevangenen uit de DDR vrijgekocht. Langzaamaan ging de muur kleine scheuren vertonen. Uiteindelijk zou de muur tussen Oost en West in 1989 vallen.

De basis voor die val is gelegd door de voorzichtige toenadering die de regering Brandt aan het begin van de jaren zeventig startte. In die tijd geloofde overigens nog niemand, dat de muur zo snel zou verdwijnen.

Bondskanselier van 1974 – 1982

In 1974 moest Brandt door een politiek schandaal aftreden. Zijn naaste medewerker Günter Guillaume bleek een spion van de DDR. Brandt werd opgevolgd door zijn partijgenoot Helmut Schmidt.

Hij loodste West-Duitsland door de moeilijke periode van de Deutscher Herbst, een periode gekenmerkt door terrorisme, ontvoeringen en vliegtuigkapingen.

Ook toonde hij zich een behendig politicus en knap staatsman in de turbulente tijden van grote demonstraties tegen kernenergie en de wapenwedloop in het begin van de jaren tachtig.

 

 

Kohl was Bundeskanzler van 1982 – 1998.

In 1982 werd de links-liberale regering van SPD en FDP afgelost door een rechtsliberale regering van CDU/CSU en FDP onder leiding van Helmut Kohl. Deze wist ondanks grote economische moeilijkheden ten gevolge van de hoge olieprijzen, een tijd van massa-ontslagen in industrie, scheeps- en mijnbouw het politieke klimaat in West-Duitsland tot het eind van de jaren tachtig stabiel te houden.

Na de val van het communisme in Oost-Europa pleitte Kohl in overleg met de vier geallieerde mogendheden (Verenigde Staten, Engeland, Frankrijk en de Sovjet-Unie) voor de onmiddellijke vereniging van Duitsland. Deze zou op 3 oktober 1990 zijn uiteindelijke beslag krijgen, waarmee de Koude Oorlog feitelijk ten einde was.

 

De journaaluitzending van 3 oktober 1990 op het ZDF over de Wiedervereingung Deutschlands en het einde van de Koude Oorlog:

 

 

Meer over Literatuurgeschiedenis vanaf 1945 (met leesopdrachten) vind je op de onderwijssite van het DIA/UvA.

 

Ontwikkelingen in de literatuur – tussen engagement en deconstructie

 

Met Westwärts van Rolf Dieter Brinkmann begint een nieuwe periode in de Duitse literatuur.

Aan de literatuur zijn de ontwikkelingen in de maatschappij niet onopgemerkt voorbijgegaan. Aanvankelijk was de roep om engagement in het kielzog van de studentenprotesten erg sterk. Daarop ontstond in de jaren zeventig in zekere zin een reactie met grote aandacht voor het subjectieve, persoonlijke en alledaagse.

De jaren tachtig werden vooral gekenmerkt door nadruk op literatuur als spel met het schone, waarvan zonder verwijzing naar moraal of vaste betekenis door elke lezer op eigen wijze van genoten mocht worden.

Grofweg zou je vier opeenvolgende fasen in de ontwikkeling van de literatuur kunnen onderscheiden (=directe link daarheen):

 

 

Het engagement in de literatuur wordt in de eerste plaats vertegenwoordigd door Heinrich Böll, Günter Grass, de regisseur Rainer Werner Faßbinder en Martin Walser: Engagement en protest.

Aandacht voor het alledaagse en subjectieve kom je bij uitstek tegen in het werk van Rolf Dieter Brinkmann, Peter Handke, Botho Strauß en Thomas Bernhard: Aanval op de burgerlijke cultuur.

Literatuur als spel is kenmerkend voor zogenaamde postmoderne schrijvers, waartoe Christoph Ransmayer, Robert Schneider en Patrick Süskind worden gerekend: Deconstructie.

Een aparte plaats neemt een groep schrijvers en dichters in, die zijn wortels in Oost-Europa heeft, maar zich expliciet op het westen oriënteerde. Hier kun je denken aan Sarah Kirsch en Hilde Domin, maar vooral aan de dichtkunst van jongere schrijvers uit de DDR als Durs Grünbein en Uwe Kolbe: Doorlaatbaarheid van systemen.

 

 

Engagement en protest

 

‘Die Gewalt von Worten kann manchmal schlimmer sein als die von Ohrfeigen und Pistolen’ – Heinrich Böll

 

Aan Heinrich Böll (1917 – 1985) is in de twee voorgaande periodes Trümmerliteratur  en Literatuur tussen 1947 en 1968 al uitgebreid aandacht besteed. Ook in de laatste jaren van zijn leven bleef Böll een geëngageerd schrijver. Hij volgde de ontwikkelingen in de Bondsrepubliek vanuit een linkse optiek, wat hem niet zelden op kritiek kwam te staan. Met name de Bildzeitung vond in de schrijver een geschikt mikpunt voor alles wat links en in de ogen van die krant verwerpelijk was.

Böll reageerde onder andere met een nuancerend artikel in Der Spiegel onder de titel Will Ulrike Meinhoff Gnade oder freies Geleit?, waarin hij het opruiende karakter van de berichtgeving door Bild aan de kaak stelde.

 

Auf der letzten Seite von ‘Bild’ (23.12.71) findet man nur noch wenig von polizeilichen Ermittlungen. Statt dessen zwei Sonderspalten: ‘Die Opfer der Baader- Meinhof-Bande’, ‘Die Beute der Baader-Meinhof-Bande’. Unter die Opfer zählt ‘Bild’ nicht nur das nachgewiesene (und zugegebene) Opfer Georg Linke, es zählt auch alle die hinzu, bei denen noch nicht ganz geklärt ist, wer auf sie geschossen hat: Helmut Ruf und Norbert Schmid, und da ‘Bild’ schon einmal beim Opfern ist, wird auch der Polizeiobermeister Herbert Schoner aus Kaiserslautern der Einfachheit halber hinzugezählt.

(…)

Diese Form der Demagogie wäre nicht einmal gerechtfertigt, wenn sich die Vermutungen der Kaiserslauterer Polizei als zutreffend herausstellen sollten. In jeder Erscheinungsform von Rechtsstaat hat jeder Verdächtigte ein Recht, daß, wenn man schon einen bloßen Verdacht publizieren darf, betont wird, daß er nur verdächtigt wird.

Heinrich Böll, Will Ulrike Meinhoff Gnade oder freies Geleit, Der Spiegel, 10.01.1972. Het volledige artikel.

 

Rond deze publicatie ontstond een enorme rel. Böll zou het volgens zijn tegenstanders opnemen voor een stel terroristen. In de Tagesschau – het televisiejournaal van de ARD – werd hij in een commentaar tot ‘Anwalt der anarchistischen Gewalttäter’ (advocaat van de anarchistische geweldplegers) bestempeld.

Bölls uiteenzetting betrof echter vooral een zakelijke uiteenzetting van de motieven en methoden van de RAF/Baader-Meinhoff-Gruppe, terwijl hij aan de andere kant de onkritische en schaamteloze methoden van de boulevard-journalistiek blootlegde. Die verlorene Ehre der Katharina Blum is één van de meeste gelezen romans van Böll, waarin hij precies dit thema literair verwerkt. Aan actualiteit heeft deze roman gezien de permanente sensatiezucht van de moderne pers niets ingeboet.

 

Böll – Die verlorene Ehre der Katharina Blum oder: Wie Gewalt entstehen und wohin sie führen kann (1974)

 

In dit verhaal wordt de onschuldige Katharina Blum, vanwege het feit dat zij bevriend is met een delinquent, slachtoffer van de roddelpers. Met name de ‘Zeitung’ speelt hierin een bijzonder kwalijke rol: Katharina wordt neergezet als een ijskoude, berekenende ‘Terroristenbraut’. Dit heeft grote invloed op haar omgeving die haar met obscene, beledigende en van haat vervulde brieven en telefoontjes lastig gaat vallen. Als gevolg van alle commotie sterft ook nog haar moeder. Uit woede en wanhoop doodt Katharina Blum ten slotte een van de verantwoordelijke reporters.

In het voorwoord van deze vertelling stelt Böll de praktijken van de sensatiepers nog eens uitdrukkelijk aan de kaak – elke vergelijking met de werkelijk noemt Böll onvermijdelijk:

 

Personen und Handlung dieser Erzählung sind frei erfunden. Sollten sich bei der Schilderung gewisser journalistischer Praktiken Ähnlichkeiten mit den Praktiken der Bild-Zeitung ergeben haben, so sind diese Ähnlichkeiten weder beabsichtigt noch zufällig, sondern unvermeidlich.

 

Die verlorene Ehre der Katherina Blum is tegen de achtergrond van de huidige discussies rondom digitalisering en het behoud van een vrije pers alleen maar actueler geworden. In 1984, tien jaar na het verschijnen van dit boek, schrijft Böll een nawoord. Daarin legt hij nog eens uit, dat hij beslist geen ‘Terroristen-Roman’ geschreven heeft, maar een strijd wilde voeren tegen de verspreiding van fake-news.

Het hele nawoord van Böll kun je hier lezen:

Lees hier Heinrich Böll: Zehn Jahre später

 

Zehn Jahre später

Nachwort zur Neuausgabe: »Die verlorene Ehre der Katharina Blum« (1984)

Hartnäckig hält sich das Gerücht, diese Erzählung wäre ein Terroristen- Roman ; erst kürzlich hat ein angesehener Professor für Informatik das Gerücht fortkolportiert: offenbar scheut auch er es, sich zu informieren ; da wäre die Frage zu stellen: wie informiert sich ein Informatiker? Aus dem »Hörensagen«, aus zweiter, dritter oder gar sechster Hand? Natürlich will ich niemandem zumuten, die 10 Erzählung zu lesen, aber wenn sich ein Zeitgenosse mit der hohen Verantwortung eines Informatikers, der Informatik lehrt , über einen Gegenstand äußert, sollte er sich doch informieren können. Es gibt in dieser Erzählung nicht einen einzigen Terroristen, auch keine Terroristin; was es allerdings gibt, das sind des Terrorismus Verdächtige , und ich bin der bescheidenen Meinung, auch ein Informatiker könnte den Unterschied kennen zwischen einem Verdächtigen und einem Überführten. Wer auch nur zehn Jahre zurückzudenken imstande ist, wird sich der Jahre erinnern, in denen eine ZEITUNG Verleumdungen und Verdächtigungen ausstreute; dieselbe ZEITUNG, die dutzendweise Menschen als Mörder bezeichnete, denen noch kein Mord nachgewiesen worden war.

Erst kürzlich mußte unser gegenwärtiger Familienminister eine Meldung dieser Zeitung dementieren, die eine verteufelte Ähnlichkeit mit der ZEITUNG hat. Erst wenn sie Ärger mit Zeitungen bekommen, bemerken Politiker, auf welche Zeitung sie sich eingelassen haben – und doch lassen sie sich immer wieder ein. Es ist wirklich verlorene Zeit, über gewisse Zeitungen noch ein Wort zu verlieren.

Über diese Erzählung ein Wort verlieren? Ich will’s versuchen. Zehn Jahre sind eine lange Zeit. Ich hätte dieses erzählerisch verkleidete Pamphlet längst vergessen, würde ich nicht hin und wieder durch völlig desinformierte Informatiker daran erinnert; ein Pamphlet, eine Streitschrift, war’s nämlich, war als solches gedacht, geplant und ausgeführt, und gerade die Abendländer, humanistisch gebildet, wie sie nun einmal sind, hätten doch wissen müssen, daß Pamphlete zur besten abendländischen Tradition gehören; ich bin ja nun auch einer aus dem Abendland und habe sogar andeutungsweise eine gewisse humanistische Bildung. Also, möglicherweise vergessen hätte ich dieses als Erzählung verkleidete Pamphlet gegen die ZEITUNG, würde ich nicht hin und wieder – und nicht nur von »Rechten«, auch von solchen, die sich »links« dünken – in vorwurfsvollem Ton daran erinnert, daß ich eben diesen Terroristen- Roman (der gar keiner ist – weder ein Roman noch kommen Terroristen darin vor) geschrieben habe. Die »Rechten« ärgern sich sowieso, die »Linken« ärgern sich, weil der Roman doch nun einmal in einer Zeit »spielt«, in der wir eine halblinke (oder sollte ich sagen pseudohalblinke?) Regierung hatten. Vorzuwerfen habe ich mir nur eins: daß dieses Buch fast zu harmlos ist. Es ist ja nicht mehr als eine Liebesgeschichte mit dem »Handlungskern« (englisch und einfacher ausgedrückt, mit dem »plot«) eines Groschenheftes: ein »einfaches Mädchen« (oh, hätte ich je einen einfachen Menschen kennengelernt, noch kenne ich keinen!), ein besseres Dienstmädchen, verliebt sich in einen Menschen, von dem sich später herausstellt, daß er von der Polizei gesucht wird. Ihrem Charakter nach hätte sie sich sogar in ihn verliebt, wenn sie vorher gewußt hätte, daß er von der Polizei gesucht wird. Das gibt es. Die Liebe ist ja nun einmal eine verflucht merkwürdige Sache. Es gibt Frauen, die Verbrecher lieben, nicht weil, sondern obwohl sie Verbrecher sind. Verfluchte Tatsache, die der ZEITUNG, die nur ihre eigenen Verbrechen liebt und jegliche Tatsache verfälscht, nicht gefällt und nicht einleuchtet. ZEITUNG ist derart vollgesogen mit Verlogenheit, daß in ihr sogar eine unverfälschte Tatsache als Lüge erscheinen würde. Kurz gesagt: sie zieht sogar die Wahrheit in den Dreck, wenn sie sie »wahrheitsgemäß« wiedergibt. Wenn sie schreiben würde: DIE ROSEN BLÜHEN WIEDER, würden mich Zweifel befallen, auch wenn ich vor einem blühenden Rosenbeet stünde. Das Sprichwort: »Wer einmal lügt, dem glaubt man nicht, und wenn er auch die Wahrheit spricht« müßte man in diesem Fall abwandeln: »Wer tausendmal lügt, dem glaub ich nicht, auch wenn er einmal die Wahrheit spricht.« Im Falle der tatsächlich blühenden Rosen müßten einem diese nun wirklich schönen Blumen leid tun, weil sie der Verlogenheit als Alibi dienen müssen.

Diese Katharina Blum, die noch nicht viel Liebe erfahren hat, diese fleißige, tüchtige, völlig unpolitische Person, die sich, ökonomisch betrachtet – und das aus eigener Kraft und Planung – im Aufschwung befindet, ja, sie ist das verkörperte Wirtschaftswunder, mit Auto, Eigentumswohnung und einigen Ersparnissen – ihr Auge fällt auf diesen Ludwig Götten, und der ist ihrem Auge wohlgefällig. Frauen, die ein Auge auf jemand werfen, haben nicht immer alle 10 gängigen Steckbriefe in ihrer Handtasche, tragen auch nicht das Strafgesetzbuch, nicht einmal das Bürgerliche Gesetzbuch ständig mit sich herum. Schlimm wird die Sache, weil ihre Liebe erwidert wird! Das weiß doch jeder, wie hoch die Flammen schlagen, »wenn zwei sich lieben«. Und Götten, der wirklich Straffällige – er ist ein Defraudant und Deserteur -, ist tatsächlich »der Liebe fähig«! Konflikte (siehe den Gang der Erzählung!) sind unvermeidlich, zumal dieses »einfache Mädchen« (wo gibt es eins, wo?) zwei weitere verfluchte Eigenschaften hat, die in allen Sagen und Märchen hochgepriesen werden: TREUE und STOLZ. Die Situation ist nicht mehr nur konfliktgeladen, sie wird explosiv. Da liegt Dynamit in der Gegend herum, und die ZEITUNG, diese zerstörerische verlogene Überschnauze, die sowohl der Polizei Informationen liefert wie von der Polizei solche bekommt (das gibt es, und bei solchem Austausch werden lächerliche Kleinigkeiten zu Verdachtsmomenten), haut rein mit Schlagzeilen, Verdächtigungen, Verleumdungen, Gemeinheiten; da blühen keine Rosen, das »einfache Mädchen«, das sich inzwischen wirklich strafbar gemacht hat, indem es seinem Liebsten zur Flucht verhilft, es verliert seine Ehre, seine Würde. Sie verhilft ihrem Liebsten nicht nur zur Flucht, übergibt ihm auch noch den Schlüssel zu einem Versteck, den ihr irgendein Kerl, der einmal vergebens hinter ihr her war und der ihr zu allem Überfluß auch einmal einen verhängnisvoll teuren Ring schenkte, zugesteckt hat, weil er – vergebens, dieser Feigling! – auf ein Rendezvous gehofft hat. Wie sie an den Schlüssel gekommen ist, das ist ein kleiner Krimi im Krimi. Katharina macht sich – und da kommt wieder der Groschenroman zum Vorschein! – »aus Liebe strafbar«. Das gibt es. Es ist ein uraltes Motiv der Kriminal-Literatur. Und da nun die ZEITUNG vor nichts zurückschreckt, sie der ZEITUNG auch den Tod ihrer Mutter zuschreiben muß und der Reporter nun gar nicht versteht, warum sie so böse auf ihn ist, explodiert sie. Er hat sie doch immerhin berühmt gemacht, und nun könnte man doch gemeinsam an ihrer Geschichte »absahnen«, das heißt: nachdem man sie fix und fertig gemacht hat, könnte man jetzt ihre »wahre« Geschichte veröffentlichen, die natürlich ebenso verlogen ausfallen würde, wie alles »Wahre«, was in der ZEITUNG steht. Wahrscheinlich gibt diese fürchterliche »Unschuld« des Reporters, der doch nur seine Pflicht getan hat, indem er der ZEITUNG Schlagzeilen und Sensation lieferte und jetzt einer anderen Zeitung wahrscheinlich die »wahre« Geschichte liefern möchte – diese fürchterliche »Unschuld«, ja fast Ahnungslosigkeit des Reporters -, es könnte sein, daß sie den Ausschlag gegeben hat für Katharinas Griff zum Revolver. Sie hatte noch begriffen, daß die ZEITUNG gemein ist diese »unschuldige« Gemeinheit muß ihr den Rest gegeben haben. Ein »einfaches« Mädchen verzweifelt und begeht eine Verzweiflungstat, einen Mord, der im Groschenheft »Bluttat« heißen würde. Ob sie die Absicht hatte, den Reporter zu töten? Immerhin, sie hat sich die Pistole besorgt. Mag das Strafgesetzbuch wirksam werden. Es gibt nicht nur Konflikte, die tödlich enden; es gibt Konflikte, die, wenn man einem Menschen zuviel zumutet, unerbittlich auf ein tödliches Ende zulaufen. Das ist auch im Abendland bekannt und könnte sogar Informatikern bekannt werden.

Wichtig ist: die Erzählung hat nicht nur einen Titel: Die verlorene Ehre der Katharina Blum , sie hat auch einen Untertitel: Wie Gewalt entstehen und wohin sie führen kann . Über die Gewalt von SCHLAGZEILEN ist noch zu wenig bekannt, und wohin die Gewalt von Schlagzeilen führen kann, darüber wissen wir nur wenig. Es wäre eine Aufgabe der Kriminologie, das einmal zu erforschen: was ZEITUNGEN anrichten können, in all ihrer bestialischen »Unschuld«. Aber die Erzählung hat nicht nur Titel und Untertitel, sie hat auch ein Motto: »Personen und Handlung dieser Erzählung sind frei erfunden. Sollten sich bei der Schilderung gewisser journalistischer Praktiken Ähnlichkeiten mit den Praktiken der Bild -Zeitung ergeben haben, so sind diese Ähnlichkeiten weder beabsichtigt noch zufällig, sondern unvermeidlich.« Titel, Untertitel, Motto, diese drei scheinbaren Kleinigkeiten, sind wichtige Bestandteile der Erzählung. Sie gehören dazu. Ohne sie ist die pamphletistische Tendenz- und das ist fürwahr eine Tendenz-Erzählung! – nicht verständlich.

Wer sich mit dieser Erzählung beschäftigt, sollte sich zunächst mit diesen drei vorgesetzten Elementen beschäftigen, sie sind schon fast eine Interpretation. Eine Hamburger Schulklasse ließ mich neulich durch ihre Lehrerin fragen, was denn »weiter passieren würde«, wenn Katharina und Ludwig »eigentlich« 1982 aus dem Gefängnis kommen müßten. Eine gute Frage, die ich mir noch nie gestellt habe. Nun, da die beiden nie Terroristen waren, werden sie wohl kaum jetzt dazu werden. Katharina würde wahrscheinlich länger sitzen müssen als Ludwig. Sie würde vielleicht zunächst in der Küche, später wohl in der hauswirtschaftlichen Planung des Gefängnisses arbeiten, Ludwig bevollmächtigen, gemeinsam mit dem Anwalt Blorna ihr Vermögen zu versilbern und sich schon einmal nach einem kleinen Hotel umzusehen, das sie gemeinsam betreiben könnten. Ludwig und ein paar Freunden wird sie gestehen, daß sie nicht vorhatte, Tötges zu töten, daß es plötzlich »über sie kam«, als er ihr – in all seiner fürchterlichen Unschuld – kommerziell kam und auch sexuell. Er war ihr vollkommen fremd – und sie sich selbst. Natürlich weiß sie, daß sie eine Mörderin ist, und das ist der Grund, warum sie keine Kinder haben will. Sie möchte nicht, daß den Kindern einmal nachgesagt und nachgerufen wird, daß ihre Mutter eine Mörderin sei. Ich würde ihr raten, einen anderen Namen anzunehmen, sich das Haar, wenn sie blond ist, schwarz, und wenn sie schwarzhaarig ist, blond zu färben. Je älter sie wird, desto schwerer wird sie’s mit sich selbst haben; sie ist eine äußerst gewissenhafte Frau auch wenn sie einen Mord begangen hat. Das gibt es, und ich hoffe, daß Ludwig ihr ein guter Gefährte ist.

Übrigens war die Reaktion der Presse, die sich getrost als mit diesem Buch »gemeint« verstehen konnte, nicht nur – verständlicherweise!- böse, sondern streckenweise geradezu albern. Man verzichtete auf die wöchentliche Bestseller-Liste, weil man das Buch hätte nennen müssen. Auch mächtige Imperien sind nicht immer so souverän, wie sie tun. Der Papst des Imperiums ließ sich zu einer direkten Klage nicht herab. Er schickte seine Ministranten vor, seine Kardinäle – bei Papstmessen ministrieren ja auch gelegentlich Kardinäle. Gebüßt habe ich, bereut nichts.

P. S.
Inzwischen ist die Bild -Zeitung ja fast schon das regierungsamtliche Blatt. Ministerielle Verlautbarungen zu wichtigen politischen Themen erscheinen am Sonntag oder Montag in einer der Bild -Varianten. Zufall ist das nicht.

© Verlag Kiepenheuer & Witsch, 1977, 1984

 

 

Alle kritiek ten spijt bleef Böll, die in 1972 de Nobelprijs voor de literatuur kreeg toegekend, zich politiek inzetten. Zo koos hij in 1972 bij de verkiezingen voor de Bondsdag openlijk partij voor de kandidatuur van Willy Brandt (SPD), die hij bij zijn campagne ondersteunde. In de vroege jaren tachtig speelde hij een prominente rol in de vredesbeweging en in de protesten tegen het zogenaamde Nato-Doppelbeschluss – waarin door de Navo-landen werd besloten om aan de ene kant kruisraketten te plaatsen en aan de andere kant te streven naar wapenvermindering aan beide kanten van het IJzeren Gordijn. Ook in Nederland leidde dit besluit in die jaren tot ongekend grote en succesvolle vredesdemonstraties.

De naam van de in 1985 gestorven schrijver leeft voort in vele scholen die zijn naam dragen. De Heinrich-Böll-Stiftung zet zich geheel in zijn geest in voor de verdediging van vrijheid, burgerlijke moed, strijdbare tolerantie en voor de promotie van kunst en cultuur. Er is ook een Heinrich-Böll-Preis, die door Bölls geboortestad Keulen aan schrijvers wordt toegekend voor ‘herausragende Leistungen auf dem Gebiet der deutschsprachigen Literatur’.

 

De uitzending Die verlorene Ehre der Katharina Blum to go (10′).

Programma n.a.v. de geboortedag van Böll (multimedia).

Boekbespreking Die verlorene Ehre der Katharina Blum.

Klassiker der Schullektüre. (wdr2; 88′)

 

Günter Grass

 

Böll, Grass en Brandt in 1972.

Over Grass kun je in het vorige hoofdstuk meer lezen. Heb je nog nooit iets van Grass gelezen, begin dan met zijn Danziger Trilogie, bijvoorbeeld met Katz und Maus ( 1961). Eén van zijn latere boeken Im Krebsgang (2002) is ook interessant.

Günter Grass (1927) zette zich – net als Heinrich Böll – jarenlang in voor de SPD van Willy Brandt. Bij de verkiezingen in december 1966 liet hij zich bijzonder kritisch uit over de verkiezing van Georg Kiesinger (CDU) tot Bondskanselier (1966 – 1969). Kiesinger had namelijk geen onbesproken oorlogsverleden.

Wie sollen wir der gefolterten und ermordeten Widerstandskämpfer, wie sollen wir der Toten von Auschwitz und Treblinka gedenken, wenn Sie, der Mitläufer von damals, es wagten, heute hier die Richtlinien der Politik zu bestimmen?

Deze scherpe kritiek verwerkte hij in zijn in 1969 verschenen roman Örtlich betäubt, waarin hij overigens tevens wil waarschuwen tegen een al te rigoureuze, revolutionaire opstelling. De roman wordt hier genoemd omdat hij kenmerkend is voor het politieke engagement van Grass in deze jaren.

 

Günter Grass – Örtlich betäubt

 

Hoofdpersoon in deze roman is Eberhard Starusch, die als aanvoerder van een semi-criminele kinderhorde ook een rol speelt in Grass’ beroemde roman Die Blechtrommel. Als veertigjarige is Starusch inmiddels docent Duits en geschiedenis in West-Berlijn. HIj verzamelt in 1967 materiaal over een generaal uit de Wehrmacht, die na de oorlog in een zandbak alsnog probeert de oorlog te winnen.

De actualiteit van de naderende studentenprotesten nemen echter een steeds belangrijker plaats in Staruschs leven in, al ziet hij weinig heil in het protest. ‘Wer die Welt radikal verändern will, müßte zuerst den Menschen abschaffen’ is zijn commentaar op al te radicale leerlingen. Als zijn lievelingsleerling Scherbaum in diens protest tegen de Vietnamoorlog zijn teckel op de Kurfürstendamm in brand wil steken, keurt hij dat af.

De enige vooruitgang waar Starusch iets in ziet, is de plaatselijke verdoving (=örtlich betäubt) tijdens de behandeling bij de tandarts. Deze verdoving is symbolisch voor de verdoving tegen het lijden in en aan de wereld. Dit is het thema van de fictieve dialogen, die Starusch met zijn tandarts voert. Het is Staruschs scepsis, die hem evenals de verdoving bij de tandarts, behoedt voor al te revolutionaire acties:

So wurde aus einem radikalen Aufrührer ein gemäßigter Studienrat, der sich trotzdem und dennoch für fortschrittlich hält.

 

Grass was behalve schrijver en dichter, ook beeldend kunstenaar. Zijn woonhuis in Lübeck is nu een museum (link):

 

Gewissen der Nation?

Beim Häuten der Zwiebel in het Nederlands.

Na het verschijnen van de vertelling Aus dem Tagebuch einer Schnecke in 1972, waarin Grass over de verkiezingen voor de Bondsdag in 1969 schrijft, trok Grass zich terug uit het politieke leven. Dit betekende echter niet dat hij helemaal geen rol in het openbare debat meer speelde. In zijn boeken en andere publicaties bleef hij zich opwerpen als het ‘Gewissen der Nation’ (het geweten van de natie), die geen gelegenheid onbenut liet, om te ‘schreiben gegen das Vergessen’, namelijk een vergeten van de Duitse schuld.

Dit thema verwerkte hij in boeken als Unkenrufe (1992), Ein weites Feld (1995) en de novelle Im Krebsgang (2002). Voor hemzelf bijzonder wrang – en voor zijn tegenstanders een geschenk – was zijn bekentenis in 2006 in zijn autobiografische roman Beim Häuten der Zwiebel, dat hij aan het eind van de oorlog als zeventienjarige had gediend bij een pantserdivisie van de Waffen-SS.

Dit leidde tot een heftig debat over Grass’ positie als ‘moralische Instanz im Nachkriegsdeutschland’ en de eventuele teruggave van zijn onderscheidingen, waaronder de Nobelprijs voor de literatuur uit 1999. Zover kwam het echter niet.

Grass is zich zijn hele leven zorgen blijven maken over het voortbestaan van de democratie in Europa. Ziehier wat hij daarover zegt in 2013 (5′):

 

 

Rainer Werner Faßbinder – Rusteloos totaalkunstenaar

De regisseur, acteur en producer Rainer Werner Fassbinder (1945 – 1982) was in de toneel- en filmwereld actief. Ondanks het feit dat hij commercieel geen grote successen kende, worden zijn films nog altijd aanbeden door critici en cultfans. Zijn cameravoering was modern en ongebruikelijk. In een bijna Wagneriaanse zin was hij een ‘totaalkunstenaar’ (denk aan de Gesamkunstwerke van Wagner) en zelf geheel verantwoordelijk voor zowel de regie, het scenario, de productie, de montage als het ontwerp van decors en de kostuums. Vaak speelde hij ook zelf mee.

In zijn films schetst hij doorgaans een kritisch beeld van het Duitsland van zijn tijd. Hoewel hij slechts veertien jaar productief was en een chaotisch leven vol drank, cocaïne en andere drugs leidde, heeft hij een indrukwekkende hoeveelheid films op zijn naam staan.

De bekendste daarvan zijn Fontane Effi Briest (1974, naar de roman van Theodor Fontane uit de negentiende eeuw), Die Ehe der Maria Braun (1979, over het Duitsland ten tijde van het Wirtschaftswunder) en de televisiebewerking van Alfred Döblins roman Berlin Alexanderplatz (1980).

Trailer van de Fassbinders film Die Ehe der Maria Braun uit 1979

 

Rainer Werner Fassbinder – Bremer Freiheit

 

Het toneelstuk Bremer Freiheit – later door Fassbinder ook voor televisie bewerkt (1972) – gaat over een waargebeurde geschiedenis in Bremen uit 1831. Het verhaal draait om Gesche Gottfried, een vrouw die in hoog aanzien staat. Desondanks wordt zij schuldig bevonden aan een vijftienvoudige moord door vergiftiging met arsenicum. Haar ouders, man, kinderen en enkele andere personen laten door haar toedoen het leven. Uiteindelijk wordt zij in het openbaar terechtgesteld. In het stuk zoekt Fassbinder naar de sociale en psychologische oorzaken die tot de afschuwelijke daden van Gesche Gottfried leidden.

Fassbinder toont haar als een sterke vrouw die in de machocultuur van de mannenmaatschappij om haar heen geen andere uitweg voor haar bevrijding en zelfverwerkelijking zag dan door brute moord.

 

 

Martin Walser – Ein Buch ist für mich eine Art Schaufel

Geheel anders van aard, maar misschien wel sterker en minder modieus is het engagement van de schrijver Martin Walser (1927). Walser is radicaal in de letterlijke zin van het woord, hij wil doordringen tot de kern en de oorsprong van alles. Vooral twee zaken, waar hij zich steeds weer nauwgezet en op originele wijze mee bezighoudt, gaan hem ter harte.

Het eerste is het lezen van literatuur als een unieke strikt persoonlijke ervaring. Het tweede is de politieke situatie van Duitsland, met name van het gedeelde Duitsland, dat hij een wangedrocht noemt, een product van een catastrofe. Wat hij over deze zaken ook zegt, Walser weet als geen andere schrijver de gemoederen in Duitsland steeds weer hevig in beweging te brengen.

 

“Ich könnte die Paulskirchenrede so nicht mehr halten“, sagt Walser heute.

In 1998 spreekt hij ter gelegenheid van de verlening van de vredesprijs van de Duitse boekhandel in de Frankfurter Paulskirche een zeer omstreden dankrede uit. Daarin mengt hij zich in de toenmalige discussies over het nog te bouwen Holocaust-gedenkteken in Berlijn. Walser doet daarin opmerkelijke uitspraken over Duitsland en de Tweede Wereldoorlog, die niet door iedereen direct zijn begrepen. Walser wijst in zijn rede op het gevaar van herdenken. De schande, die Nazi-Duitsland heeft voortgebracht, mag door steeds weer op de noodzaak van herdenken te hameren, niet in een loos ritueel of in een soort vercommercialisering van het kwaad verdampen en misbruikt worden.

Daarom pleit hij in zijn rede voor een ‘Umwertung’ (denk aan Nietzsche) van de naar zijn idee uitgeholde en lege begrippen als ‘wegschauen’ (niet willen zien), ‘verdrängen’ (verdringen) en ‘sühnen’ (verzoenen) in dit verband.

Inderdaad wil Walser ‘umwerten’, hij vindt dat er kritischer omgegaan moet worden met het ter sprake brengen van de grote schande, die Hitler heeft voortgebracht. Wie niet goed luistert naar zijn rede, zou kunnen denken dat hij Auschwitz wil ontkennen, maar juist het tegendeel is het geval.

In 2015 is Walser op deze rede teruggekomen. Hij heeft gezegd: “Ich könnte die Paulskirchenrede so nicht mehr halten.”

 

Reich-Ranicki (1920 – 2013): So ein ärmliches Buch.

Behalve met zijn rede in Frankfurt heeft Walser ook met zijn boek Tod eines Kritikers (2002) veel ophef veroorzaakt. Hierin doet hij een scherpe aanval op de populairste en beroemdste naoorlogse literatuurcriticus in Duitsland: Marcel Reich-Ranicki.

Dit boekje en de manier waarop hij Reich-Ranicki aan het eind van het boek dood verklaard, is nauwelijks serieus te nemen. Maar waar het Walser om gaat is wel degelijk van grote waarde. Hij wil zeggen, dat je voorzichtig moet zijn met kritiek en interpretatie. Je moet eigenlijk nooit over boeken spreken, maar je moet met boeken een heel persoonlijk gesprek aangaan.

Als een gedicht mij iets zegt, dan hoef ik het niet te interpreteren, meent Walser. ‘Je mehr Meinung, desto weniger Erfahrung.’ Hoe meer interpretatie, des te minder klinkt er van de eigenlijke leeservaring in door, wil Walser zeggen.

Het gaat hem om die vrije en unieke leeservaring van een ieder. Een boek neemt je mee naar een andere plek dan waar je staat. Dat avontuur moet je durven aangaan, zonder het in te kapselen in je eigen vooropgezette systeem en interpretatie.

 

Ein Buch ist für mich eine Art Schaufel, mit der ich mich umgrabe. Obwohl ich das nicht zu meinem Vergnügen tue, sondern einfach aus einem Bedürfnis, für das ich keine Gründe mehr anzugeben weiß, keine Gründe auf jeden Fall, die von anderer Art wären als die, die uns veranlassen zu atmen oder zu essen, trotzdem macht mir das Leben, dieses Herumgraben in mir selbst, oft mehr Vergnügen als das Atmen, ja es macht mir zuweilen sogar das Atmen wieder vergnüglicher.

Een boek is voor mij een soort schep, waarmee ik om mij heen schoffel. Hoewel ik dat niet uit louter plezier doe, maar uit een behoefte, waarvoor ik geen redenen weet aan te geven, in elk geval geen andere redenen dan die ik heb om te moeten ademen en te eten, geeft deze vorm van leven, dit om en in mij rondgraven, mij desondanks meer genoegen dan dat ademen, sterker nog het maakt het ademen voor mij soms weer aangenamer. (vert. JK)

 

Een bekend en heel goed boek van Walser is Seelenarbeit (1979) over een rijke industrieel en zijn chauffeur. Daarin stelt Walser het heer-knecht-probleem, de arbeidsverhoudingen in de jaren zeventig, op originele wijze aan de orde, waarbij Walser partij kiest voor de meest kwetsbare in de samenleving.

 

Met de enigszins autobiografische romans Die Verteidigung der Kindheit (1991) en Ein springender Brunnen (1998) heeft Walser in en buiten Duitsland later grote bekendheid verworven. Daarin geeft hij tevens zijn originele kijk op de geschiedenis van Duitsland als het spannendste land in het Europa van de twintigste eeuw.

 

 

Martin Walser – Ein fliehendes Pferd

Wie nog nooit iets van Walser gelezen heeft, kan het beste met hem kennismaken via zijn mooie novelle Ein fliehendes Pferd (1978).

Hierin ontmoet Helmut Halm een vroegere schoolvriend: Klaus Buch. Beiden zijn met hun vrouwen (Sabine en Helene) met vakantie aan de Bodensee. Beide echtparen besluiten om samen iets te ondernemen. Ze gaan zeilen, wandelen en eten ’s avonds gezamenlijk. Tussen de mannen ontstaat daarbij een soort concurrentie en de vrouwen voelen zich intussen tot de andere man aangetrokken. Alle ingrediënten voor een spannende en pikante huwelijksroman, het oude liedje, zijn dus aanwezig.

Zo kun je dit vlot geschreven en vanaf de eerste regel boeiende boekje oppervlakkig beschouwd ook zeker lezen. Maar wie met Walser meeleest, ziet hoe geraffineerd dit boek opgebouwd is.

Op de achtergrond speelt het werk van de Deense filosoof Kiergegaard een rol.

De hoofdpersoon heeft de vijfdelige dagboeken van Kierkegaard ook bij zich om ze in de vakantie te gaan lezen. Maar daar komt natuurlijk weinig van terecht.

 

Ein fliehendes Pferd

Helmut is een nogal tobberige figuur, die drinkt en rookt en in een midlife crisis is. Hij zoekt antwoorden op existentiële vragen, maar hij vraagt zich wel af of hij iets aan die dagboeken van de filosoof Kierkegaard zal hebben.

Zijn jeugdvriend, Klaus, is sportief, rookt en drinkt niet en ziet er nog heel goed en dynamisch uit. In het boek gaat het om de confrontatie tussen de leefwijze en opvattingen van deze tobbende en enigszins gedesillusioneerde Helmut Halm (een leraar) en zijn (ogenschijnlijk) jonge, dynamische en in het leven in alle opzichten geslaagde, vlotte jeugdvriend (journalist) met een achttien jaar jongere vrouw. Op een wandeling weet deze Klaus een galopperend paard te temmen en te berijden:

 

Also, wenn ich mich in etwas hineindenken kann, dann ist es ein fliehendes Pferd […] Einem fliehenden Pferd kannst du dich nicht in den Weg stellen. Es muss das Gefühl haben, sein Weg bleibt frei. Und: ein fliehendes Pferd lässt nicht mit sich reden. (p. 92)

Kijk, als ik mij in iets kan verplaatsen, dan is het wel een vluchtend paard. … Een paard op de vlucht moet je niets in de weg zetten. Het moet het gevoel hebben dat zijn weg vrij is. Bovendien valt er met zo’n paard niet te praten.

 

De opschepperij van Klaus begint Helmut steeds meer op zijn zenuwen te werken. Als Helmut en Klaus samen een zeiltocht maken, ontpopt Klaus zich opnieuw als patser en rokkenjager. Hij stelt Helmut voor een nieuw begin met hun leven te maken en samen een zaak op de Bahama’s te starten.

Er steekt plotseling een storm op, waarna alles in het verhaal een wending neemt. Helmut stoot de roerpen uit de handen van Klaus. Het schip komt scheef te liggen, Klaus slaat over boord en wordt daarna vermist. Intussen vertelt zijn vrouw die bij Helmut en Sabine uit komt huilen, dat Klaus eigenlijk een mislukkeling en een weinig succesvolle figuur is die alleen maar grootspraak heeft, maar zich eigenlijk minderwaardig voelt. Klaus blijkt nog wel in leven en verschijnt in de kamer, waar Helene zit te vertellen. Helmut en zijn vrouw pakken hun spullen in en vertrekken abrupt naar Zuid-Frankrijk.

Walser analyseert aan de hand van de levenswijze en het gedrag van zijn hoofdpersonen de maatschappij. Daarbij houdt hij de samenleving als het ware een spiegel voor. Zelf velt hij geen oordeel. Maar hij citeert Kierkegaard:

 

Man trifft zuweilen auf Novellen, in denen bestimmte Personen entgegengesetzte

Lebensanschauungen vortragen. Das endet dann gerne damit, daß der eine den andern überzeugt. Anstatt daß also die Anschauung für sich sprechen muß, wird der Leser mit dem historischen Ergebnis bereichert, daß der andre überzeugt worden ist. Ich sehe es für ein Glück an, daß in solcher Hinsicht diese Papiere eine Aufklärung nicht gewähren.

Soms stuit men op novellen waarin bepaalde personen er tegengestelde levensbeschouwingen op na houden. Dat eindigt dan daarmee dat de één de ander overtuigt. In plaats van dat die levensbeschouwingen voor zich spreken, krijgt de lezer als resultaat voorgeschoteld dat de ander overtuigd raakt. Ik beschouw het als een geluk dat wat dit betreft dit geschrift een nadere uitleg niet toestaat. (vert. JK)

 

Sören Kierkegaard

Kierkegaard (1813 – 1855) verzet zich tegen elk filosofisch systeem. Hij legt nadruk op de individuele verantwoordelijkheid en op de actieve deelname aan wat de lezer leest. Zelfontwikkeling is een actief proces, waarin de mens de weg gaat van een puur op genot gericht (een esthetisch) bestaan tot een ethisch, een bewust uit hartstocht gekozen bestaan. Daarin manifesteert zich uiteindelijk de vrijheid van de mens.

Kierkegaard wordt wel als de grondlegger van het existentialisme beschouwd.

 

De novelle van Walser zit vol symboliek. (Over novelle: In een novelle draait het verhaal om een enkele, centrale en nieuwsgierigheid wekkende gebeurtenis, die op kunstvolle wijze vorm heeft gekregen. Een novelle is altijd van beperkte lengte.)

De namen Helmut en Helene verwijzen naar de oud-noordse mythologie en het Nederlandse hel, als symbool voor de dood.

Het vliegende paard, dat door Klaus wordt getemd en de roerpen, die Helmut uit zijn hand stoot (met noodlottige gevolgen), zijn veelzeggende symbolen en keerpunten in het verhaal.

De hond van Helmut heet Otto. Wellicht een verwijzing naar Goethes Die Wahlverwandtschaften/ Natuurlijke verwantschap (1809). In de namen van de hoofdpersonen van Goethes roman: Charlotte, Ottilie, Otto en Eduard, die eigenlijk Otto heet, komt de naam van de hond terug. In deze roman van Goethe gaat het om een zelfde soort gecompliceerde relatie tussen twee paren en over mensen die keuzes moeten maken. De hond van Helmut heeft een jongensnaam, maar is een vrouwtje.

Verder zijn de eerste en de laatste zin van Ein fliehendes Pferd hetzelfde:

‘Plötzlich drängte Sabine aus dem Strom der Promenierenden hinaus und ging auf ein Tischchen zu, an dem noch niemand saß.’

Dit oude lied eenmaal aan het eind gekomen, lijkt weer van voren af aan te beginnen. Bij Walser is altijd alles in beweging, bij hem leer je echt lezen.

 

Trailer van de verfilming van de roman:

 

Der Ritt über den Bodensee

Der Ritt über den Bodensee in Überlingen. Geschenk aan Walser. (Peter Lenk.)

Walser is in 1978 bij het Duitse publiek vooral bekend geworden met zijn novelle Ein fliehendes Pferd. Maar voor dit enorme verkoopsucces heeft hij al veel geschreven en een groot oeuvre opgebouwd. Zijn redes en zijn politieke uitspraken zijn in het licht van zijn romans beter te begrijpen. Walser is zeer geëngageerd, maar zijn engagement is origineel en niet ideologisch, zij komt niet voort uit een politieke binding. Het enige waar Walser zich aan gebonden weet, is zijn Heimat. Dat is misschien een gevaarlijk woord in Duitse context, maar bij Walser heeft dit beslist een kritische lading.

De situatie in het naoorlogse Duitsland speelt op de achtergrond daarbij steeds een belangrijke rol. Kenmerkend voor Walser is zijn idealisme. Hij zegt: ‘Bij mij heeft een ander Duitsland nog altijd een kans.’ Hij weigert zich bijvoorbeeld neer te leggen bij een deling van Duitsland, niet omdat hij naar een groot rijk verlangt, maar omdat er een stompzinnige politiek van een Koude Oorlog aan ten grondslag ligt. Wonen er aan de andere kant van de muur niet evengoed mensen, ook Duitsers?

Evenals Böll en Grass sympathiseert de jonge Walser enigszins met modieuze trends als het communisme en marxisme. Maar al snel verlaat hij deze ideeën en ontpopt hij zich als een kritisch en heel onafhankelijk denker. Opvallend is, dat hij als eerste Duitse schrijver in West-Duitsland nog ruim voor de val van de muur de deling van het land in een heel spannende liefdes- en spionageroman Dorle und Wolf (1987) op de korrel neemt.

Walsers engagement wordt goed verbeeld in het ruiterstandbeeld in zijn woonplaats Überlingen. Zelf is hij met dit standbeeld niet erg blij. Maar het is een verwijzing naar het beroemde oud-Duitse verhaal van de ruiter die in grote haast probeert de Bodensee te bereiken (Ballade van Gustav Schwab 1826). Het heeft gesneeuwd en hij merkt niet dat hij het vaste land al verlaten heeft en op het ijs van de Bodensee is terechtgekomen. Aan de overkant aangekomen wordt hij door iedereen omjubeld. Dan wordt hij zich van zijn gevaarlijke tocht bewust en sterft hij van schrik.

‘Der Ritt über den Bodensee’ is een gevleugeld woord in Duitsland voor iemand die onbevangen en onbevooroordeeld zijn gang gaat en pas later merkt wat hij eigenlijk aangericht heeft. Dat is typerend voor Walser als onafhankelijk denker, die niet bang is om steeds weer beladen thema’s in zijn romans en toespraken aan de orde te stellen.

Ook al leeft hij in de periferie van Duitsland, Walser doet altijd van zich spreken en hij staat voortdurend in het centrum van de kritiek.

 

Gesprek met Martin Walser (10′):

Biografie van Walser.

Boekbespreking, Ein fliehendes Pferd,

 

 

Aanval op de burgerlijke cultuur

 

 

Die Piloten van Rolf Dieter Brinkmann.

 

Ontnuchtering en nieuw realisme, een zekere mate van verzakelijking, maar wel met een vleugje romantiek, aandacht voor het subjectieve, er gaat een nieuwe wind waaien in de literatuur. De boekomslagen van Rolf Dieter Brinkmann zijn collages en spreken voor zich. De invloed van de Amerikaanse literatuur en pop-art op de Duitse literatuur wordt steeds sterker.

 

Rolf Dieter Brinkmann – genau sehen

 

Rolf Dieter Brinkmann

Met het werk van Rolf Dieter Brinkmann (1940 – 1975) staan we op de drempel van een nieuwe tijd in de Duitse literatuur. De grenzen van het papier zijn hier bereikt. Zijn gedichten zijn collages van kunstig met elkaar verbonden vensters, moderne windows, openingen naar verschillende werelden, die gelijktijdig en naast elkaar lijken te kunnen bestaan.

Multimedia doen hun intrede in de literatuur. Oneindig zappen, klikken en doorklikken:

Warum hier halt machen? Warum irgendwo haltmachen?

Of om met de toenmalige populaire band The Doors te spreken: Break on through to the other side.

De song van The Doors met beelden van een optreden:

 

Waarom zouden we alles zo zwaar maken, zo geheimzinnig, hermetisch en vol metaforen? Laat ideeën attractief zijn, zoals borsten van een vrouw attractief kunnen zijn:

Warum könnte ein Gedanke nicht die Attraktivität von Titten haben?

fulmineert Brinkmann tegen dichters als Hans Magnus Enzensberger, die in het Kursbuch 15 uit 1968 hamerde op het einde van de literatuur en pleitte voor niets anders dan politiek engagement.

Bevrijding ja, maar niet via de kritiek op de structuren van de maatschappij, die de generatie uit de jaren zestig voor ogen had. Geen plicht tot engagement, maar persoonlijke poëzie die de wonden, door de ratio geslagen, weer zou kunnen helen. Het lijkt alsof de romanticus Novalis weer opgestaan is.

Die Poesie heilt die Wunden, die der Verstand schlägt. (Novalis 1772 – 1801.)

Kunst wordt een geneesmiddel, een hulpmiddel bij de bevrijding van de alomtegenwoordige vervreemding (Entfremdung) door de maatschappij. Wat de mens fremd is geworden, moet weer teruggegeven en eigen gemaakt, het subject moet zich bevrijden en ontdoen van oneigenlijke gevoelens en ervaringen.

Dat kan door kunst: niet door elitaire kunst en cultuur, maar door pop-art, populaire kunst. Kunst is immers van iedereen, kunst schept genoegen en is in de eerste plaats vermaak en ontspanning.

 

De basis voor deze kunstopvatting vind je bij Andy Warhol (1928-1987). Hij gaat in zijn werk uit van alledaagse en schijnbaar waardeloze gebruiksartikelen. Deze maakt hij op kunstige wijze tot voorwerp van massakunst. Daarmee ontdoet hij kunst van het elitaire en maakt het in zijn eenvoud en massaliteit voor iedereen toegankelijk. Zo wordt een leeg soepblikje plotseling kunst en Goethe een voor iedereen bekende filmster.

Op de middelbare school komt Rolf Dieter Brinkmann niet veel verder dan de klas vier. Sommige leraren beschouwen hem wel als hoogbegaafd. Maar met school heeft hij niet veel op. In brieven schrijft hij:

 

1956 der erste Rock’n Roll aus einer Musikbox einer Eisdiele der Kleinstadt usw. was für eine Überraschung! Da habe ich mich mit lateinischen und altgriechischen Übersetzungen rumschlagen und quälen müssen, und aus der Musikbox nachmittags kam diese Musik! Das war ja wohl ein riesiger Sprung. Und mir hat die Rock ’n Roll Musik einfach besser gefallen als die Quälerei mit Xenophons Anabasis, wo sie alle Thalatta, Thalatta am Ende rufen. (Briefe an Hartmut, 1974 – 1975.)

1956 de eerste Rock ’n Roll uit een jukebox in een ijssalon van een kleine stad enz. wat een verrassing! Toen moest ik me nog bezighouden en kwellen met Latijnse en Griekse vertalingen, en uit de jukebox kwam ’s middags deze muziek! Dat was een enorme sprong. En mij beviel de Rock ’n Roll gewoon beter dan het getob met de Anabasis van de Griekse schrijver Xenophon, waar iedereen aan het eind ‘de zee, de zee’ roept. (vert. JK)

 

Brinkmann is een vertegenwoordiger van niet-elitaire kunst. Zijn gedichten noemt hij zelf ook pogingen om met het begrip ‘gedicht’ af te rekenen. Je komt in zijn bundels naast elkaar citaten tegen uit songs, teksten en afbeeldingen uit reclame – bijvoorbeeld voor zulke triviale zaken als bikini’s – foto’s van landschappen en straatbeelden.

Een dichter, zo lijkt hij te willen zeggen, is een fotograaf, hij neemt waar en verzamelt snapshots, Standphotos. Als in een collage plakt hij al zijn indrukken op een groot blad.

Zo ontstaat er een voor iedereen toegankelijk gedicht, dat echter eerder een schilderij genoemd kan worden dan een gedicht in traditionele zin.

 

Brinkmann probeert in zijn werk geheel subjectief de alledaagse leefomgeving als op een foto te vatten. Voorbeelden daarvan zijn Einen jener klassischen en Oh, friedlicher Mittag.

Einen jener klassischen

schwarzen Tangos in Köln, Ende des
Monats August, da der Sommer schon

ganz verstaubt ist, kurz nach Laden
Schluß aus der offenen Tür einer

dunklen Wirtschaft, die einem
Griechen gehört, hören, ist beinahe

ein Wunder: für einen Moment eine
Überraschung, für einen Moment

Aufatmen, für einen Moment
eine Pause in dieser Straße,

die niemand liebt und atemlos
macht, beim Hindurchgehen. Ich

schrieb das schnell auf, bevor
der Moment in der verfluchten

dunstigen Abgestorbenheit Kölns
wieder erlosch.

 

 

Oh, friedlicher Mittag

mitten in der Stadt, mit den verschiedenen
Mittagessengerüchen im Treppenhaus. Die Fahrräder
stehen im Hausflur, abgeschlossen, neben
dem Kinderwagen, kein Laut ist zu hören.

Die Prospekte sind aus den Briefkästen
genommen und weggeworfen worden. Die Briefkästen
sind leer. Sogar das Fernsehen hat die türkische
Familie abgestellt, deren Küchenfenster

zum Lichtschacht hin aufgeht. Ich höre
Porzellan, Teller und Bestecke, dahinter
liegen Gärten, klar und kühl, in einem blassen
Frühlingslicht. Es sind überall die seltsamen

Erzählungen von einem gewöhnlichen Leben ohne
Schrecken am Mittwoch, genau wie heute. Der Tag
ist, regenhell, verwehte Laute: oh, friedlicher
Mittwoch mit Zwiebeln, auf dem Tisch,

mit Tomaten und Salat.
Die Vorhaben und Schindereien sind zerfallen, und man denkt, wie friedlich
der Mittwoch ist

Wolken über dem Dach, blau, und
Stille in den Zimmern, friedlich und still und
genauso offen wie Poree, wie Petersilie grün ist
und die Erbsen heiß sind.

Beluister Oh, friedlicher Mittag (Radio SRF):

 

Brinkmann over Genau sehen

Beroemd is het optreden van Brinkmann bij een podiumdiscussie in 1970, waar ook de steeds invloedrijkere Duitse literatuurcriticus Marcel Reich-Ranicki aanwezig is. Daar richt Brinkmann zijn pijlen op de literatuurcriticus in het algemeen, op de criticus die volgens hem zijn naam geen eer aan doet, maar slechts de gangbare en conventionele paden bewandelt:

 

Wenn dieses Buch ein Maschinengewehr wäre, würde ich Sie jetzt über den Haufen schießen.

Als dit boek een machinegeweer was, dan zou ik u nu overhoop schieten.

 

Van 1972 tot 1974 verbleef Brinkmann in Rome. Maar zijn verslag van de Italienische Reise ziet er anders uit dan dat van Goethe in de achttiende eeuw. Het is een originele collage van plattegronden, bonnetjes, bus- en bioscoopkaartjes, foto’s en krantenknipsels. Wie dit boek leest, kijkt beslist met een frisse blik naar een stad als Rome.

Genau sehen, dat is wat Brinkmann wil, vandaar de titel Rom Blicke (1979). Brinkmann gaat ook regelmatig met een bandrecorder op pad, complete Schnitte van zijn ervaringen onderweg komen in zijn boeken en gedichten terecht. Alsof hij zeggen wil: alleen persoonlijke kunst kan bevrijdend werken, ja, het leven zelf moet als kunst worden gethematiseerd en zo zijn invloed uitoefenen.

 

Beluister hier de radio-uitzending over Rolf Dieter Brinkmann: Der erste multimediale Dichter (Br2; 50′):

 

Genau sehen dat is wat een nieuwe generatie dichters in de jaren zeventig wil. Je kunt Brinkmann vergelijken met de dichter Nicolas Born (1937 – 1979). Zijn gedicht Horror, Dienstag maakt in één oogopslag duidelijk wat deze dichters met de nadruk op waarneming, sinnliche Erfahrung en neue Subjektivität bedoelen.

Beluister Horror, Dienstag. (Door Born voorgedragen.)

 

Lees hier: Nicolas Born – Horror, Dienstag

Horror, Dienstag

Die ruhenden
flüchtig überteerten Straßenbahnschienen –
wieder ein Warten auf alte Zeiten
wie Rückkehr zum Handschriftlichen

Plötzlicher Regen, es ist Nachmittag
nur wenig Licht gesammelt in Gesichtern
nieselnde Gräue, die Felder nah
dunkle Wassergräben, Bäume stehen tief

Nasser Kragen nasse Lippen
Kind mit nassen Zöpfen führt alten Mann

Zementsilos neben dem Abstellgleis
Vogelschwärme Banner sinken
Verkäuferin winkt durch die Glaswand ab

Neuer Stadtrand flackert auf um sechs
ich denke an fern ausgesetzte »Insel des Gehirns«

Baukräne, zementhelle Öde
Blick in die aufsteigende Welt
die nun doch nicht überlebt hat

Wir danken www.lyrikline.org für die freundliche Genehmigung.

 

Deze weergave van het alledaagse betekent overigens niet dat zij in het geheel geen oog meer hebben voor de politieke realiteit. In 1979 verschijnt de spannende roman Die Fälschung van Born, waarin hij over de burgeroorlog in Libanon in de jaren zeventig schrijft.

De hoofdpersoon, Georg Laschen is journalist. Als hij terugkeert bij zijn werkgever, een populair weekblad, neemt hij onmiddellijk ontslag, omdat hij tot het inzicht gekomen is, dat berichtgeving in deze oorlog handel is. Het is allemaal louter om economische en politieke belangen te doen en het draait om manipulatie van de publieke opinie. Laschen kiest tot slot voor zijn familie en voor een burgerlijk bestaan, een rechtschapen burger heeft geen andere keus.

 

In 1981 is deze nog steeds bijzonder actuele roman, die in vele talen is vertaald, mooi verfilmd door de regisseur Volker Schlöndorff, met Bruno Ganz in de hoofdrol. Behalve spanning, romantiek en scherpe kritiek op de rol van de media, vind je in dit boek een interessante reflectie op de verhouding taal en werkelijkheid.

Bekijk hier een fragment uit de verfilming van Nicolas Born, Die Fälschung (1981).

 

Brinkmann onderging als eerste schrijver in Duitsland het meest radicaal de invloed van de sex, drugs en rock ’n roll-beweging in Amerika. In het boek Acid. Neue amerikanische Szene (1968) presenteert hij zonder omhaal van woorden en op nogal schokkend wijze deze nieuwe protestcultuur aan het Duitse publiek.

Hij schreef echte underground-literatuur, waar de gevestigde critici aanvankelijk weinig mee op hadden. Maar door hen liet hij zich niet weerhouden van zijn poging om een streep te zetten onder de al te elitaire traditionele dichtkunst.

De kloof tussen elitaire en begrijpelijke kunst moest overbrugd worden. Met het hermetische, korte en versleutelde gedicht rekende hij snel af. Paul Celan beschouwde hij als een vertegenwoordiger van deze richting. (Celan zou in 1970 in de Seine springen en een eind aan zijn leven maken.)

Ich hasse alte Dichter, schreef Brinkmann.

In navolging van grote namen uit de Amerikaanse beatgeneratie, zoals Leslie Fiedler (The case for Post-Modernism, 1968), Jack Kerouac (On the road, 1957) en William Burrroughs (Naked Lunch, 1959) bracht hij een nieuwe antirationele, open, romantische en misschien ook wel profetische dichtkunst naar Duitsland. In elk geval vond hij dat de moderne dichter het beste bij deze beatgeneratie zijn inspiratie kon zoeken.

Jack Kerouac over de beat-generatie (5′):

 

Al vroeg had Brinkmann zijn geboortedorp Vechta verlaten. Hij voelde zich er niet thuis. Als een arme kunstenaar vestigde hij zich, intussen samenlevend met vrouw en kind, in Keulen. Hij maakte reizen naar de VS en Italië. Op vijfendertigjarige leeftijd kwam hij in London bij een verkeersongeluk om het leven.

Zijn veelbelovende en postuum uitgebrachte dichtbundel heet niet zonder reden Westwärts 1&2. Het Westen, de VS wordt een voorbeeld. Deze dichtbundel is een soort multimediaal project, hetgeen in de jaren zeventig nog volstrekt onbekend en revolutionair was. Nog niemand had een computer. Gedichten bestaan uit zelfgeschreven teksten, afgewisseld door citaten, foto’s en collages. Het is een verslag van nauwgezette waarnemingen, persoonlijke ervaringen, het analyseert, haalt uit elkaar en lijmt alles origineel gerangschikt weer aan elkaar.

 

Misschien is het mij gelukt gedichten eenvoudig te maken, zoals songs …

 

Eenvoudig zijn de gedichten van Brinkmann niet altijd, maar ze zijn wel spannend en geven een goed beeld van de toenmalige moderne cultuur in het kielzog van de revolutionaire studentenprotesten. Niets wordt verdoezeld, ze laten de werkelijkheid in al haar facetten zonder te verbloemen zien.

Westwärts 1&2 is het verslag van een reis die hij op uitnodiging naar Austin in Texas maakte. Misschien met een knipoog naar Heines reisverslag Deutschland, ein Wintermärchen geeft hij het de titel Westwaarts. Het achterlijke en ingeslapen Duitsland van de jaren zeventig heeft een nieuwe impuls nodig, zo lijkt hij te willen zeggen. In dit bijzondere boek verbindt hij de Amerikaanse droom van het Wilde Westen met de ontdekking van het binnenste van de mens, zijn bewustzijn.

Brinkmann thematiseert in zijn gedichten alledaagse ervaringen. Hij beschrijft een bepaald ogenblik zodanig, dat de lezer het als het ware aan den lijve ondervindt. Zo wordt hij zich door de prikkel van een eenvoudig dagelijks moment direct bewust van zijn alledaagse observaties. Een goed voorbeeld hiervan is het gedicht Die Orangensaftmachine of Zerstörte Landschaft.

Die Orangensaftmaschine

dreht sich & Es ist gut, daß der Barmann
zuerst auf die nackten Stellen eines
Mädchens schaut, das ein Glas kalten

Tees trinkt. „Ist hier sehr heiß,
nicht?“ sagt er, eine Frage, die
den Raum etwas dekoriert,

was sonst? Sie hat einen kräftigen
Körper, und als sie den Arm
ausstreckt, das Glas auf

die Glasplatte zurückstellt,
einen schwitzenden, haarigen
Fleck unterm Arm, was den Raum

einen Moment lang verändert, die
Gedanken nicht. Und jeder sieht, daß
ihr’s Spaß macht, sich zu bewegen

auf diese Art, was den Barmann
auf Trab bringt nach einer langen
Pause, in der nur der Ventilator

zu hören gewesen ist wie
immer, oder meistens, um
diese Tageszeit.

Zerstörte Landschaft

Zerstörte Landschaft mit
Konservendosen, die Hauseingänge
leer, was ist darin? Hier kam ich

mit dem Zug nachmittags an,
zwei Töpfe an der Reisetasche
festgebunden, Jetzt bin ich aus

den Träumen raus, die über eine
Kreuzung wehn. Und Staub,
zerstückelte Pavane, aus totem

Neon, Zeitungen und Schienen
dieser Tag, was krieg ich jetzt,
einen Tag älter, tiefer und tot?

Wer hat gesagt, dass sowas Leben
ist? Ich gehe in ein
anderes Blau.

 

 

Het titelgedicht Westwärts 1&2 is alleen grafisch al een ware revolutie. Het kan nooit door één stem gelezen worden en beslaat twee bladzijden, die tegelijk als in één oogopslag bij een schilderij gezien willen worden. Een nieuwe manier van lezen is hier vereist. Je zou kunnen zeggen dat Brinkmann wat zijn multimediale techniek betreft, de voorloper is van de moderne computerpoëzie.

Inhoudelijk staat hij weer heel dicht bij vroege romantici als Novalis (1772 – 1801). Brinkmann toont de dingen in hun alledaagsheid, hij maakt ze los uit hun stoffige context en schept zo ruimte voor een nieuwe waarneming, waarin het schone van het alledaagse plotseling oplicht, das konkrete Detail befreit. Verlangen en bevrijding, daar gaat het hier om.

Uiteindelijk kan alleen het alledaagse ons terugbrengen bij het diepste en meeste geheimzinnige, het binnenste van de mens. Het is de taak van de kunst om het bewustzijn te verruimen. Zijn gedichten Weit entfernte Sachen en Zerstörte Landschaft zijn hiervan goede voorbeelden.

Zeer goede (en niet te moeilijke) radiouitzending over Rolf Dieter Brinkmann (radio Bremen, 50′).

 

 

 

Peter Handke

Botho Strauß

Thomas Bernhard

Voor informatie over deze schrijvers, klik op de foto en ga naar de betreffende pagina.
Op deze tendens tot popularisering kon een reactie niet uitblijven. Drie Außenseiter, maar absolute zwaargewichten van de toenmalige Duitstalige literatuur reageren elk op eigen wijze. Zij zijn in bepaalde opzichten met elkaar te vergelijken, maar slaan uiteindelijk toch geheel eigen wegen in. Over elk van hen vind je een aparte pagina (onder de foto).

 

Deconstructie

 

Literatuur als spel – postmodernisme en deconstructie

 

Twee voorbeelden van een postmoderne roman.

 

 

Korte uitleg over wat onder postmodern in de literatuur wordt verstaan:

  • populaire en leesbare literatuur. Kritiek op kunst met een grote ‘K’;
  • een open kunstvorm, waarin vrij wordt omgegaan met oude elementen;
  • citaten worden bewust overgenomen en door montagetechniek tot nieuwe betekenissen aaneen gesmeed;
  • de chronologie als leidraad voor een vertelling wordt vaak losgelaten;
  • literatuur is een spel, dient geen vooropgezet politiek doel, maar is vrije kunst uit liefde voor het schrijven.

 

 

Postmodernisme is een uit de architectuur overgenomen begrip in de literatuur. Het huis op deze foto (li.) combineert het oude Duitse Fachwerk (re.) met een moderne en zakelijke bouwstijl, die aan Bauhaus doet denken. Er wordt geciteerd en gemonteerd tot er uit combinatie van oude elementen iets nieuws ontstaat.

Het Groninger Museum is ook een voorbeeld van postmoderne architectuur:

 

Sommige schrijvers konden maar slecht wennen aan de gewaagde experimenten van de jongere generatie, die in de jaren tachtig van zich deed spreken. Zo merkte Hans Werner Richter van de Gruppe 47 over literatuur in de jaren tachtig op:

Sie können alle hervorragend schreiben, aber sie haben nichts zu sagen.

Schrijven kunnen ze allemaal wel, maar ze hebben niets wezenlijks te zeggen.

Met nadruk op wezenlijk in de vertaling van zijn woorden, want dat precies bedoelden de ouderen in hun kritiek op de jongeren.

Karakteristiek voor deze tijd is de postmoderne context van de schrijvers. Postmodern wijst vooral op een stijl van schrijven en niet zozeer op een periode. Kenmerkend voor deze stijl is het afzweren van mimesis of nabootsing van de historische werkelijkheid. Daarmee wordt het volgende bedoeld:

Men is vooral met zichzelf bezig, dat wil in de literatuur zeggen: een tekst verwijst in eerste instantie naar zichzelf en legt zichzelf uit. In plaats van realisme en het vertellen van grote verhalen, komt literatuur als spel, als collagetechniek en autonoom kunstwerk op de voorgrond te staan. Een vleugje romantiek kan de postmoderne schrijvers niet ontzegd worden. Vooral in de architectuur wordt het begrip postmodern aanvankelijk veel gebruikt.

Postmoderne architectuur: Die Staatsgalerie in Stuttgart.

Dit gebouw is mengeling van oude en nieuwe bouwstijlen. Het lijkt alsof je door de resten van de ingang van een oude piramide een futuristisch gebouw betreedt. Geheel in de stijl van de moderne consumptiemaatschappij, waarin er voor allen uit veel te kiezen valt – er is voor elk wat wils – zijn pluralisme en eclecticisme er de kernbegrippen.

De architect kiest uit een veelheid van mogelijkheden, experimenteert en citeert vooral. Hij varieert op oude thema’s, die hij voor allen op nieuwe wijze toegankelijk wil maken. De bezoeker, de toeschouwer, de gebruiker van een gebouw mag zeggen hoe hij er binnen wil gaan en hoe hij er gebruik van wil maken. Het staat immers voor velerlei interpretaties open.

Jacques Derrida (1930 – 2004)

In de literatuur gebeurt in de jaren tachtig hetzelfde. Het zou een illusie zijn om te denken dat er een schrijver is en een lezer, beiden in een duidelijk onderscheiden rol. Ook een tekst is een weefsel gesponnen uit vele draden, samengesteld uit citaten die afkomstig zijn uit vele andere bronnen. De schrijver is geen schrijver in de eigenlijke zin van het woord dat hij iets nieuws schept, maar veeleer een kopiist die bestaande teksten tot een nieuwe eenheid samenvoegt. Voor de uitleg heeft hij dan ook de lezer nodig, er is namelijk niet meer één betekenis die geduid moet worden, maar er is een veelheid aan betekenissen, die alleen tijdens het ontwarren van het weefsel door de lezer zelf ontdekt kan worden.

Zoveel lezers, zoveel betekenissen. De schrijver heeft geen controle over zijn tekst, hooguit de lezer heeft die nog. Daarom is er ook geen zin of wezen of laatste betekenis in een tekst te duiden. In die zin had die oudere generatie schrijvers gelijk: er is niets wezenlijks te ontdekken. Wat de zin van de tekst is, maakt niet de schrijver uit, de schrijver is als het ware dood en heeft het afgelegd tegen de autonomie van de tekst. De lezer ontwart en deconstrueert, hij speelt met de tekst.

Voorbeeld van een palimpsest.

Franse filosofen zoals Jacques Derrida en Franҫois Lyotard staan aan de wieg van het postmodernisme. Maar het nieuwe schrijven, iets scheppen met bestaand materiaal, is vooral in zwang gekomen door de succesvolle roman van Umberto Eco, De naam van de roos (1980).

Deze spannende roman is niet alleen een historische roman, maar ook een misdaadroman en een filosofische verhandeling over taaltheorie. Hoe je dit boek wilt lezen, maakt in eerste instantie de lezer zelf uit.

Eco demonstreert dat zijn tekst veelduidig is, doordat het vol verwijzingen zit naar andere teksten. De tekst is als het ware een schoongekrabt handschrift over een middeleeuws klooster waar mysterieuze dingen gebeuren die iets met de bibliotheek te maken hebben. Daar overheen schrijft hij zijn nieuwe tekst over een klooster waar op één dag vijf moorden plaatsvinden, die opgehelderd moeten worden. Intussen weeft hij daar theorieën over het verdwenen tweede deel van Aristoteles’ Poëtica tussendoor en laat hij zijn hoofdpersonen over taal filosoferen.

Zo ontstaat er een echte palimpsest (Grieks: een handschrift dat opnieuw beschreven wordt), een intertekstualiteit.

Deze intertekstualiteit is een belangrijke trend in de jaren tachtig. In de Duitstalige literatuur zijn Christoph Ransmayr en Patrick Süskind hiervan goede voorbeelden.

 

Official trailer van de verfilming: Was ist Postmodernismus?(10′)

 

 

 

 

 

 

Patrick Süskind

Christoph Ransmayr

 

Patrick Süskind – postmodern, mit Vergnügen an der Sprache

 

Het is niemand minder dan de om zijn klassieke opvattingen over literatuur bekend staande Marcel Reich-Ranicki, die de postmoderne Süskind de hemel in geprezen heeft. Een auteur met charme, humor en plezier in taal, zegt hij.

Also das gibt es immer noch oder schon wieder: einen deutschen Schriftsteller, der des Deutschen mächtig ist; einen zeitgenössischen Erzähler, der dennoch erzählen kann; einen Romancier, der uns nicht mit dem Spiegelbild seines Bauchnabels belästigt; einen jungen Autor, der trotzdem kein Langweiler ist. (Marcel Reich-Ranicki, 1985)

Maar is hij dan wel zo postmodern? Misschien is dat de kracht van postmoderne schrijvers.

Vaak kun je hun boeken op verschillende manieren lezen. Als een mooi vertelde detective, waarin het verhalen vertellen en de spanning centraal staan of als een spel met citaten, dat om analyse en het ontwarren van een complex plot vraagt.

In zijn boek Das Parfum (1985) heeft Süskind deze twee aspecten op meesterlijke wijze weten te verbinden. Het is de meestgelezen Duitse roman uit de jaren tachtig, in vele talen vertaald, tot de wereldranglijst van bestsellers doorgedrongen en in 2006 succesvol verfilmd.

Süskind is in 1949 geboren als zoon van een bekende journalist en heeft geschiedenis gestudeerd in München en Frankrijk. Zijn loopbaan is hij als schrijver van toneelstukken begonnen. Der Kontrabass (1981), een drama met één persoon, is op veel plaatsen opgevoerd en heeft Süskind bekend gemaakt. Maar behalve Das Parfum zijn van hem eigenlijk nog maar twee andere titels echt bekend: Die Geschichte von Herrn Sommer (1991) en de novelle Die Taube (1987).

 

Klassiker der Schullektüre, radioprogramma over Das Parfum (7′):

 

Das Parfum mag dan het meest gelezen Duitstalige boek zijn, het speelt zich geheel af in Frankrijk, voornamelijk in het Parijs van de achttiende eeuw. De hoofdpersoon Jean-Baptiste Grenouille (kikker) wordt in 1738 geboren, in de buurt waar zich nu de Pont au Change en het Centre Pompidou bevinden. Zijn moeder werkt op de vismarkt en bevalt er, temidden van de stinkende en rottende vis, van een zoon, die zij niet wil hebben. Het kind komt eerst in een klooster, maar blijkt vreemd te zijn, onder andere door het feit dat het geen geur heeft. Later blijkt hijzelf over een absolute reuk te beschikken. Het klooster wil hem in elk geval niet houden en doet hem over aan een pleegmoeder. Uiteindelijk komt hij terecht bij een leerlooier en zo komt hij in contact met de beroemde Parijse parfumeur, Guiseppe Baldini, bij wie hij het vak leert om nieuwe geuren te ontwikkelen. Als hij 13 jaar is, komt hij via zijn uitstekende reukvermogen een roodharig meisje op het spoor. Haar geur wil hij bezitten en voor altijd bewaren. Daarvoor doodt hij haar, maar de techniek om de geur te bewaren en op te slaan, beheerst hij nog niet ten volle.

Pont au Change in de achttiende eeuw.

Pont au Change tegenwoordig

 

Ihm war, als würde er zum zweiten Mal geboren, nein, nicht zum zweiten, zum ersten Mal, denn bisher hatte er bloß animalisch existiert in höchst nebulöser Kenntnis seiner selbst. Mit dem heutigen Tag aber schien ihm, als wisse er endlich, wer er wirklich sei: nämlich nichts anderes als ein Genie; und dass sein Leben Sinn und Zweck und Ziel und höhere Bestimmung habe: nämlich keine geringere, als die Welt der Düfte zu revolutionieren; und dass er allein auf der Welt dazu alle Mittel besitze: nämlich seine exquisite Nase, sein phänomenales Gedächtnis und, als Wichtigstes von allem, den prägenden Duftdieses Mädchens aus der Rue des Marais, in welchem zauberformelhaft alles enthalten war, was einen großen Duft, was ein Parfum ausmachte: Zartheit, Kraft, Dauer, Vielfalt und erschreckende, unwiderstehliche Schönheit. Er hatte den Kompass für sein künftiges Leben gefunden. Und wie alle genialen Scheusale, denen durch ein äußeres Ereignis ein gerades Geleis ins Spiralenchaos ihrer Seelen gelegt wird, wich Grenouille von dem, was er als Richtung seines Schicksals erkannt zu haben glaubte, nicht mehr ab. Jetzt wurde ihm klar, weshalb er so zäh und verbissen am Leben hing: Er musste ein Schöpfer von Düften sein. Und nicht nur irgendeiner. Sondern der größte Parfumeur aller Zeiten. (Patrick Süskind, Das Parfum, Kapitel 8, p. 46, 47)

Hij had het idee dat hij voor de tweede keer werd geboren, nee, niet voor de tweede keer, voor de eerste keer, want tot nu toe had hij alleen een dierlijk bestaan geleid met een uitermate nevelig besef van zichzelf. Vanaf de dag van vandaag scheen het hem toe dat hij eindelijk wist wie hij werkelijk was: namelijk niets anders dan een genie; en dat zijn leven zin doel en richting en een hogere bestemming had: namelijk geen geringere dan een omwenteling teweeg te brengen in de wereld van de geuren; en dat alleen hij op de wereld daartoe alle middelen bezat: namelijk zijn exquise neus, zijn fenomenale geheugen en, het belangrijkste van alles, de typerende geur van dit meisje uit de Rue de Marais, waarin als in een toverformule al datgene besloten lag wat een grote geur, wat een parfum bepaalde: tederheid, kracht, duur, veelvoud en vreesaanjagende, onweerstaanbare schoonheid. Hij had het kompas voor zijn verdere leven gevonden. En zoals alle geniale monsters bij wie door een gebeurtenis buiten hen een recht spoor wordt getrokken in de chaotische spiralen van hun ziel, week Grenouille niet meer af van wat hij als de richting van zijn lot herkend meende te hebben. Nu werd hem duidelijk waarom hij zo taai en verbeten aan het leven hing: hij moest een schepper van geuren zijn. En niet zomaar een. Maar de grootste parfumeur aller tijden. (Patrick Süskind, Het parfum, hoofdstuk 8, p. 46, 47; vertaling: Ronald Jonkers)

 

Grasse beroemd om zijn parfums.

Om zich verder te bekwamen moet hij naar de stad Grasse in het zuiden van Frankrijk. Op weg daarheen ontdekt hij dat eenzaamheid en afstand tot de mensen hem geluk verschaffen. Hij trekt zich zeven jaar terug in een grot. Als hij zich er van bewust wordt, dat hij zichzelf niet kan ruiken, wordt hij angstig en verbreekt hij zijn bestaan als kluizenaar abrupt. Hij gaat verder op weg naar Grasse met als doel om een volmaakt menselijke geur te maken. Als het hem uiteindelijk, na allerlei wonderlijke ontmoetingen en optredens, lukt om zo’n menselijke geur te maken, maakt de angst bij hem plaats voor tevredenheid.

 

Er wusste jetzt, wozu er fähig war. Mit geringsten Hilfsmitteln hatte er, dank seinem eigenen Genie, den Duft des Menschen nachgeschaffen und ihn auf Anhieb gleich so gut getroffen, dass selbst ein Kind sich von ihm hatte täuschen lassen. Er wusste jetzt, dass er noch mehr vermochte. Er wusste, dass er diesen Duft verbessern konnte. Er würde einen Duft kreieren können, der nicht nur menschlich, sondern übermenschlich war, einen Engelsduft, so unbeschreiblich gut und lebenskräftig, dass, wer ihn roch, bezaubert war und ihn, Grenouille, den Träger dieses Dufts, von ganzem Herzen lieben musste.

Ja, lieben sollten sie ihn, wenn sie im Banne seines Duftes standen, nicht nur ihn als ihresgleichen akzeptieren, ihn lieben bis zum Wahnsinn, bis zur Selbstaufgabe, zittern vor Entzücken sollten sie, schreien, weinen vor Wonne, ohne zu wissen, warum, auf die Knie sollten sie sinken wie unter Gottes kaltem Weihrauch, wenn sie nur ihn, Grenouille, zu riechen bekamen! Er wollte der omnipotente Gott des Duftes sein, so wie er es in seinen Phantasien gewesen war, aber nun in der wirklichen Welt und über wirkliche Menschen. Und er wusste, dass dies in seiner Macht stand. Denn die Menschen konnten die Augen zumachen vor der Größe, vor dem Schrecklichen, vor der Schönheit und die Ohren verschließen vor Melodien oder betörenden Worten. Aber sie konnten sich nicht dem Duft entziehen. Denn der Duft war ein Bruder des Atems. Mit ihm ging er in die Menschen ein, sie konnten sich seiner nicht erwehren, wenn sie leben wollten. Und mitten in sie hinein ging der Duft, direkt ans Herz, und unterschied dort kategorisch über Zuneigung und Verachtung, Ekel und Lust, Liebe und Hass. Wer die Gerüche beherrschte, der beherrschte die Herzen der Menschen.

Ganz gelöst saß Grenouille auf der Bank im Dom von Saint-Pierre und lächelte. Er war nicht euphorischer Stimmung, als er den Plan fasste, Menschen zu beherrschen. Es war kein wahnsinniges Flackern in seinen Augen, und keine verrückte Grimasse überzog sein Gesicht. Er war nicht von Sinnen. So klaren und heiteren Geistes war er, dass er sich fragte, warum überhaupt er es wollte. Und er sagte sich, dass er es wolle, weil er durch und durch böse sei. Und er lächelte dabei und war sehr zufrieden. Er sah ganz unschuldig aus, wie irgendein Mensch, der glücklich ist.

Eine Weile lang blieb er so sitzen, in andächtiger Ruhe, und atmete die weihrauchsatte Luft in tiefen Zügen ein. Und wieder ging ein heiteres Schmunzeln über sein Gesicht: Wie miserabel dieser Gott doch roch! Wie lächerlich schlecht doch der Duft gemacht war, den dieser Gott von sich verströmen ließ. Nicht einmal echter Weihrauchduft war es, was aus den Pfannen qualmte. Schlechtes Surrogat war es, verfälscht mit Lindenholz und Zimtstaub und Salpeter. Gott stank. Gott war ein kleiner armer Stinker.

Patrick Süskind, Das Parfum, Kapitel 32, S. 157, 158

 

Hij wist nu dat hij tot nog meer in staat was. Hij wist dat hij deze geur kon verbeteren. Hij zou een geur kunnen creëren die niet alleen menselijk, maar bovenmenselijk was, een engelengeur, zo onbeschrijflijk prettig en levenskrachtig dat wie hem rook werd betoverd en hem, grenouille, de drager van deze geur van ganser harte moest beminnen.

Ja, ze moesten hem beminnen als ze in de ban van zijn geur waren, hem niet alleen als hun gelijke accepteren, hem beminnen tot in het waanzinnige, tot zelfopoffering, sidderen van verrukking moesten ze, schreeuwen, huilen van gelukzaligheid, zonder te weten waarom, op hun knieën zouden ze liggen als onder Gods koele wierook als ze alleen hem, Grenouille, zouden ruiken! Hij wilde de omnipotente God van de geur zijn, zoals hij het in zijn fantasie was geweest, maar nu in de werkelijke wereld en over werkelijke mensen. En hij wist dat dit in zijn vermogen lag. Want de mensen konden hun ogen dicht doen voor de Grote, voor de Verschrikkelijke, voor de Schoonheid en hun oren sluiten voor melodieën of betoverende woorden. Maar aan de geur konden ze zich niet onttrekken. Want de geur was een broeder van de adem. Daarmee kwam hij bij de mensen binnen, als ze wilden leven konden ze hem niet afweren. En tot midden in ze drong de geur door, direct tot in het hart en besliste daar categorisch over genegenheid en minachting, walging en lust, liefde en haat. Wie de geuren beheerste, die beheerste het hart van de mensen.

Geheel ontspannen zat Grenouille op de bank in de kathedraal van Saint-Pierre en glimlachte. Hij verkeerde niet in een euforische stemming toen hij het plan opvatte mensen te beheersen. Er was geen waanzinnige fonkeling in zijn ogen en er maakte zich geen idiote grimas van zijn gezicht meester. Hij was niet buiten zinnen. Hij had zo’n klare en heldere geest dat hij zich afvroeg waarom hij het eigenlijk wilde. En hij zei tot zichzelf dat hij het wilde omdat hij door en door slecht was. En hij glimlachte daarbij en was zeer tevreden. Hij zag er zeer onschuldig uit. Als een willekeurig mens die zeer gelukkig is.

Een poosje bleef hij zo zitten, in devote rust en ademde de van wierook verzadigde lucht met volle teugen in. En weer speelde er een vrolijke grijns over zijn gezicht: wat rook die God toch beroerd! Wat was de geur die deze God voor zich liet uitstromen toch bespottelijk slecht gemaakt. Het was niet eens echte wierookgeur die uit de vaten walmde. Het was een slecht surrogaat, versneden met lindehout en kaneelpoeder en salpeter. God stonk. God was een arme kleine stinker.

(Patrick Süskind, Het parfum, hoofdstuk 32, p. 157; vertaling: Ronald Jonkers)

 

Dan volgt er een spannende geschiedenis, waarin Grenouille nog eens 24 moorden pleegt. De slachtoffers zijn steeds mooie meisjes met rode haren. Uiteindelijk wordt Grenouille wel gegrepen en naar het schavot gebracht. Maar kort voor het moment van het voltrekken van de doodstraf haalt hij het flesje met zijn menselijke geur te voorschijn. Daarmee weet hij het agressieve en boze publiek, dat op zijn doodstraf wacht, zodanig te betoveren, dat het gericht in een ware orgie van elkaar liefkozende mensen verandert. Zijn macht over de massa lijkt op een hoogtepunt.

Maar uiteindelijk gaat hij aan dit succes van zijn scheppende kracht ten onder. Grenouille vlucht naar Parijs om te voorkomen dat hij later toch weer gegrepen wordt als de massa uit de betovering ontwaakt. In Parijs treft hij op een kerkhof een groepje zwervers aan, die zo wild worden van zijn geur, dat hij ter plekke door hen wordt opgegeten: mensen veranderen onder zijn gevaarlijke invloed en macht in kannibalen.

Das parfum, de film (3′):

 

Bovenal een spannend boek

Hoe je dit boek ook lezen wilt – als detective, liefdesgeschiedenis of cultuurhistorische verhandeling over de ontdekking van het parfum – het is bovenal een postmoderne ontwikkelingsroman. Met de interpretatie van deze boeiende roman, kun je vele kanten op. Sommigen willen in het zogenaamde genie Grenouille, die als een god wil zijn, op grond van zijn wil tot macht een parodie en een kritiek op de figuur van Hitler lezen.

Hoe dit ook zij, vanaf de eerste bladzijde zit het boek vol verwijzingen naar andere passages uit de wereldliteratuur. De opening verwijst naar Michael Kohlhaas (1811) van Heinrich von Kleist.

Petrarca en Laura

De grotscene is een zinspeling op het scheppingsverhaal uit de bijbel en de naam van het meisje dat hij als laatste doodt – Laure Richis – is een verwijzing naar Laure van de Italiaanse schrijver Petrarca (1304 – 1373). Hierin zit misschien ook een verwijzing naar de hoge kunst van het Dichten, dus naar de prestatie van de schrijver Süskind zelf, die hij met zijn boek geleverd heeft. De naam Laure betekent namelijk ‘de met lauwerkrans bekroonde’. In zijn sonnetten bezingt Petrarca zijn onbereikbare geliefde Laura. De dichter Petrarca streeft met zijn werk naar de bekroning, naar de lauwerkrans als naar zijn onbereikbare liefde, Laure.

 

 

Intertekstualiteit

Een voorbeeld van intertekstualiteit, verwijzingen naar andere beroemde romans, een kenmerk van postmoderne romans, is onder andere andere het overnemen van tekstelementen uit de eerder genoemde roman Michael Koolhaas (1811) van Von Kleist. Süskind weeft ook heel bewust gedichten en overbekende Bijbelcitaten door zijn verhaal heen.

Hier volgen enkele voorbeelden.

 

 

 

Michael Koolhaas

An den Ufern der Havel lebte, um die Mitte des sechzehnten Jahrhunderts, ein Rosshändler, namens Michael Kohlhaas, Sohn eines Schulmeisters, einer der rechtschaffensten zugleich und entsetzlichsten Menschen seiner Zeit. – Dieser außerordentliche Mann würde, bis in sein dreißigstes Jahr für das Muster eines guten Staatsbürgers haben gelten können. Er besaß in einem Dorfe, das noch von ihm den Namen führt, einen Meierhof, auf welchem er sich durch sein Gewerbe ruhig ernährte; die Kinder, die ihm sein Weib schenkte, erzog er, in der Furcht Gottes, zur Arbeitsamkeit und Treue; nicht einer war unter seinen Nachbarn, der sich nicht seiner Wohltätigkeit, oder seiner Gerechtigkeit erfreut hätte; kurz, die Welt würde sein Andenken haben segnen müssen, wenn er in einer Tugend nicht ausgeschweift hätte. Das Rechtsgefühl aber machte ihn zum Räuber und Mörder.

(Heinrich von Kleist, Michael Kohlhaas, S. 1)

De eerste alinea van das Parfüm bevat directe verwijzingen naar deze roman van Kleist:

Das Parfum

Im achtzehnten Jahrhundert lebte in Frankreich ein Mann, der zu den genialsten und abscheulichsten Gestalten dieser an genialen und abscheulichen Gestalten nicht armen Epoche gehörte. Seine Geschichte soll hier erzählt werden. Er hieß Jean-Baptiste Grenouille, und wenn sein Name im Gegensatz zu den Namen anderer genialer Scheusale, wie etwa de Sades, Saint-Justs, Fouches, Bonapartes usw., heute in Vergessenheit geraten ist, so sicher nicht deshalb, weil Grenouille diesen berühmteren Finstermännern an Selbstüberhebung, Menschenverachtung, Immoralität, kurz an Gottlosigkeit nachgestanden hätte, sondern weil sich sein Genie und sein einziger Ehrgeiz auf ein Gebiet beschränkte, welches in der Geschichte keine Spuren hinterlässt: auf das flüchtige Reich der Gerüche.

(Patrick Süskind, Das Parfum, Kapitel 1, S. 5)

 

Eichendorff – Mondnacht

Het gedicht van Eichendorff, Mondnacht heeft duidelijk zijn sporen in das Parfum nagelaten.

Joseph Freiherr von Eichendorff – Mondnacht

Es war, als hätt’ der Himmel
Die Erde still geküsst,
Dass sie im Blütenschimmer
Von ihm nun träumen müsst.

Die Luft ging durch die Felder,
Die Ähren wogten sacht,
Es rauschten leis’ die Wälder,
So sternklar war die Nacht.

Und meine Seele spannte
Weit ihre Flügel aus,
Flog durch die stillen Lande,
Als flöge sie nach Haus.

Beluister het gedicht.

Das Parfum:

Also sprach der Große Grenouille und segelte, während das einfache Duftvolk unter ihm freudig tanzte und feierte, mit weitausgespannten Flügeln von der goldenen Wolke herab über das nächtliche Land seiner Seele nach Haus in sein Herz.

(Patrick Süskind, Das Parfum, Kapitel 26, p. 129)

 

De bijbel – Genesis

Als voorbeeld voor een bijbelcitaat:

Genesis 1, 31: Und Gott sah an alles, was er gemacht hatte, und siehe, es war sehr gut.

Das Parfum:

Und als er sah, dass es gut war und dass das ganze Land von seinem göttlichen grenouillesamen durchtränkt war, da …

(Patrick Süskind, Das Parfum, Kapitel 26, p. 128)

 

 

Christoph Ransmayr – Die letzte Welt

 

De Oostenrijkse schrijver Christoph Ransmayr (1954) had al twee boeken geschreven, toen hij in 1988 op slag beroemd werd met zijn Die letzte Welt. In dit boek laat hij zich inspireren door Ovidius’ Metamorphosen.

Het boek vraagt iets meer inspanning dan das Parfum. Maar wie enige moeite doet, wordt niet teleurgesteld. Het boek zit heel knap in elkaar en is mooi geschreven. Voor de echte liefhebber sterk aanbevolen.

Evenals de hoofdfiguren uit zijn romans trekt Ransmayr zich graag terug uit de bewoonde wereld, op een veraf gelegen plek in de natuur. Ransmayr leeft regelmatig tamelijk afgezonderd in Ierland.

 

Eerst iets in het algemeen over Ransmayrs boek:

De titel Die letzte Welt zou je kunnen uitleggen tegen de achtergrond van de toenmalige discussies over de gevolgen van bewapening, kernenergie, uitbreiding van autowegen ten koste van de natuur en het ‘Waldsterben’. Dat waren in de jaren zeventig en tachtig grote actuele thema’s.

In die zin is het boek niet alleen maar een postmodern spel met taal en tekens (zoals das Parfum dat ook niet is), maar bevat het wel degelijk ook maatschappijkritiek of is het op zijn minst een kritisch appèl en een waarschuwing. Ransmayr heeft na de roman waar hij beroemd mee is geworden, nog veel meer mooie, filosofische, postmoderne boeken en toneelstukken geschreven, zoals Morbus Kithara (1995), Der fliegende Berg (2006) en het heel toegankelijke Odysseus, Verbrecher, Schauspiel seiner Heimkehr (2010).

Dit laatste stuk wordt op scholen regelmatig gelezen en opgevoerd.

 

Metamorphose door Laura Schapendonk.

 

Die letzte Welt – keinem bleibt seine Gestalt

Ovidius (43 v. Chr – 17 n. Chr) vertelt in zijn vijftien hoofdstukken tellende epos over het ontstaan van de wereld uit chaos en een grote vloed. Elk hoofdstuk gaat over de verandering (metamorfose) van mensen in goden, planten en dieren. Hierin verwerkt hij stof uit de klassieke Griekse en Romeinse mythologie.

De ontwikkeling van de wereld culmineert bij Ovidius in een lofzang op de Romeinse veldheer en grondlegger van het Romeinse keizerrijk Julius Caesar. Na zijn dood verandert hij in een ster. Het epos is ook een ode aan keizer Augustus, die naast de god Jupiter een ‘vader en bestuurder’ van de wereld wordt genoemd.

Naast de bijbel hebben de verhalen uit de Metamorphosen grote invloed uitgeoefend op de kunst en literatuur in de westerse wereld. Thema in dit dichtwerk is ‘er is niets in deze wereld dat blijft.’

Over Ovidius wordt verteld, dat hij om onduidelijke redenenen uit Rome werd verbannen. Hij komt terecht in Tomi, een plaatsje aan de Zwarte Zee, het huidige Constanta in Roemenië. Uit woede om zijn verbanning wierp hij zijn Metamorphosen in het vuur.

Ransmayr neemt al deze elementen als uitgangspunt voor zijn boek. Ovidius, die eigenlijk Publius Ovidius Naso heet en kortweg Naso wordt genoemd, wordt door zijn vriend Cotta naar Tomi gevolgd. Cotta wil weten wat er van Naso in Tomi terecht is gekomen en of zijn boek nog bestaat. Op zijn zoektocht wordt Cotta toeschouwer van een geheimzinnige reeks veranderingen. Ook hijzelf ontkomt daar niet aan en verdwijnt definitief in de wereld der veranderingen.

Het valt Cotta niet mee om iets over Naso te weten te komen in dit plaatsje aan het einde van de wereld. Via wat stukjes beschreven stof, waarop hij keinem bleibt seinem Gestalt (niets behoudt zijn vorm) leest, denkt hij Naso op het spoor te zijn. Maar uiteindelijk vindt hij er alleen de bediende van Naso, Pythagoras. Van hem wordt hij ook niet veel wijzer. Pythagoras wordt als de plaatselijke dorpsgek beschouwd.

Cotta komt verder in contact met allerlei figuren, die ook in de Metamorphosen van Ovidius een rol spelen. Ransmayr zet ze in zijn roman echter geheel naar zijn hand. Zo wordt de weefster Arachne, die bij Ovidius een wedstrijd met Athene aangaat, niet voor straf een spin, maar een doofstomme vrouw. Echo, Fama, Midas, Orpheus en alle andere figuren uit Ovidius’ epos krijgen een nieuwe rol toebedeeld. Jason die met zijn schip, de Argo, het gulden vlies gaat roven, wordt bij Ransmayr een zielige figuur, die mislukkelingen met zijn schip onder valse beloften overzet.

Om een indruk te krijgen van hoe Ransmayr Ovidius herschrijft, zou je hoofdstuk 13 als eerste kunnen lezen. Waar Ovidius de geschiedenis laat eindigen in een gouden tijdperk onder keizer Augustus, ontwerpt Ransmayr in zijn absurde, bepaald niet eenvoudig geschreven, maar wel heel mooie vertelling het tegenbeeld daarvan. De wereld verwordt tot een steenmassa waarin waanzin en gekte de boventoon voeren.

In Ransmayers boek is de rede van Naso over de pest op het eiland Aegina indrukwekkend verwoord. In een terugblik van Cotta ervaart de lezer wat de aanleiding geweest zou kunnen zijn voor de verbanning van Naso. Hierin schetst Ransmayr het ontstaan van de mensheid als een verandering van een mierenvolk in een mensenvolk. Maar mensen, zo wil Naso in zijn rede Augustus tussen de regels door duidelijk maken, zijn als mieren, die zich, als in een massa, kritiekloos aanpassen aan het machts- en staatsapparaat van de keizer.

 

De roos van weleer bestaat als naam, naakte namen houden we over

Dit boek der veranderingen is in feite subversieve en dissidente lectuur, waarin Naso het op het onbeweeglijke, starre en monolithische Rome gemunt heeft. Geen wonder dat hij buitengesloten en verbannen wordt. Voor ‘verbeelding aan de macht’ was in Rome geen ruimte. Orde, bureaucratie, machtsuitoefening, een rationele fantasieloze organisatie worden bij monde van Naso in dit boek van Ransmayr bekritiseerd.

Ransmayr speelt met het thema van de verdwenen schrijver. Naso blijft voor Cotta onvindbaar. Dus is zijn tekst het enige dat er misschien nog is. Deze staat open voor vele lezingen. De tekst kan zo een eigen leven gaan leiden en dat kan ook voor de machthebbers in Rome, die er via de schrijver nu geen greep meer op hebben, weleens heel gevaarlijk uitpakken – de controle is verdwenen.

Het is niet voor niets dat in dictaturen een vrije pers gevreesd is. Hier lijkt Ransmayr met zijn roman niet ver af te staan van de maatschappijkritiek van de studentengeneratie uit de jaren zestig. Toch gaat hij een stap verder want hij voegt in zijn spel met Ovidius’ tekst iets wezenlijk nieuws toe. Naarmate Cotta langer op zoek is naar sporen van Naso, gaat hij zelf steeds meer op in de wereld om hem heen. Ook hij ondergaat een verandering en het enige wat van hem blijft, is zijn naam. Zo verandert bij Ransmayr de grens tussen zijn en niet-zijn, realiteit en irrealiteit.

Umberto Eco

Met andere woorden, het onderscheid tussen de woorden en de dingen is ongedaan gemaakt. Sterker nog, het enige dat er is en de lezer nog rest, is een beeld van de werkelijkheid, een teken of een naam. Een tekst is sterker dan de realiteit, wil Ransmayer zeggen. Of met een knipoog naar de laatste regels van Eco’s legendarische roman:

Het is koud in het scriptorium, mijn duim doet me pijn. Ik laat dit geschrift na, ik weet niet voor wie, ik weet niet meer waarover: De roos van weleer bestaat als naam, naakte namen houden we over (Umberto Eco, De naam van de roos, p. 522).

 

 

De rede van Naso kun je hier lezen:

 

 

Christoph Ransmayer – Rede van Naso over de pest (uit Die letzte Welt)

 

Denn scheinbar ungerührt vom Entsetzen hinter seinem Rücken erhob Naso nun seine Stimme und begann die Schrecken der Pest zu beschwören, erzählte von einer Seuche, die im Saronischen Golf, auf der Insel Aegina, gewütet hatte, erzählte von der Dürre eines Sommers, in dem als erstes Zeichen des Unheils Millionen von Schlangen durch den Staub der Felder gekrochen seien und vom Gifthauch, der dem Zug der Vipern gefolgt war; von Ochsen und Pferden, die im Geschirr und vor dem Pflug plötzlich niederbrachen und verendeten, noch bevor ein Knecht sie aus dem Joch nehmen konnte, erzählte von den Bewohnern der Städte, denen der Tod in schwarzen Beulen aus dem Leib brach.

Endlich verdunkelte sich der Himmel und Regen fiel, aber es war nur heißes, übelriechendes Wasser, das die Pest noch in die letzte Zuflucht der Insel schwemmte. Eine große Mattigkeit senkte sich über das Land; die Menschen begannen in Massen unter den plötzlichen Schlägen des Fiebers zu taumeln und sanken dann neben ihr Vieh hin, das schon einen Panzer aus Fliegen trug; vergeblich versuchten die Bewohner Aeginas, ihre glühende Haut an den Felsen zu kühlen, pressten ihre Stirn gegen die Schollen und umarmten die Steine.

Aber diese Glut, sagte Naso, war nicht zu kühlen. An diesem Fieber, sagte Naso, erwärmten sich selbst die Felsen und alles Land. Jetzt krochen die Siechen aus ihren Häusern wie zuvor die Schlangen aus den Rissen und Löchern der Erde und lallten vor Durst und krochen den Vipern an die Ufer der Flüsse, der Seen und Quellen nach und lagen im seichten Wasser und tranken umsonst. Der Durst der Pest war nur mit dem Tod zu löschen. Also starben die Trinkenden und die Spiegel der Gewässer wurden blind.

Wem bis zu dieser Stunde noch die Kraft dazu geblieben war, sagte Naso, der tötete seinen Nächsten aus Mitleid und legte dann Hand an sich, stach zu, stürzte in eine Schlinge oder die Kalkklippen hinab oder fraß als letzte Arznei Kristallscherben und Glas. Aegina verging. Bald gab es keine Erde mehr, um die Leichen zu begraben, keine Wälder, um sie zu verbrennen, und keine Hand, die noch eine Schaufel oder Fackel zu halten vermocht hätte. Allein die Fliegen nahmen sich der Kadaver und der Toten an; smaragdgrün und blau schillernd in ihren Schwärmen und summend lag Aegina unter Wolken im Meer.

An den Abhängen des Berges Oros, sagte Naso, dehnte sich damals das größte aller Leichenfelder aus; dort waren jene Verzweifelten gestorben, die aus der Hitze und dem Verwesungsgestank der Niederungen ins Gebirge zu flüchten versucht hatten. Die meisten Toten lagen im Schatten einer Eiche, des einzigen Baumes weithin; diese Eiche war so alt wie die ältesten Bäume der Insel und mächtig wie eine Festung. In den Narben und Rissen ihrer Rinde und durch die Flechten und Mooswälder ihrer Astgabelungen stürmten Ameisenvölker in schimmernden Strömen dahin, unzählige Insekten, die dem Baum seine dunkle Farbe gaben und ein Aussehen, als bestünde er aus Abermillionen glänzender Schuppen.

Als auf Aegina in diesen Tagen auch die Klage des letzten Menschen verstummt war, verließen die Ameisenvölker ihre Eiche, floßen den Stamm hinab wie das Wasser eines Wolkenbruches, verteilten sich in vielen Adern über die Leichenfelder und ergriffen dort von allen Leerräumen Besitz, eroberten gegen die Übermacht der Fliegen die Augenhöhlen, die offenen Münder, die Bäuche, Gehörgänge und die flachen Senken, die an der Stelle der Pestbeulen geblieben waren. In immer dichteren Scharen rannten sie dahin und schlossen sich in den Höhlungen zusammen, verdichteten sich zu neuen, zuckenden Muskeln, zu Augen, Zungen und Herzen, ja formten, wo Glieder verwest waren und fehlten, Arme und Beine, wurden zu Armen und Beinen und formierten sich zuletzt auch zu Gesichtszügen, zum Ausdruck und Mienenspiel; aus ihren schon verschwindenden Mäulern spieen sie dann weißen Schleim, der auf den Skulpturen zu Menschenhaut erstarrte, und wurden so vollends zum neuen Geschlecht von Aegina, einem Volk, das im Zeichen der Ameisen stand: Es erhob sich schweigend, verließ die Hänge des Oros in Massen und bewegte sich auch in Zukunft nur in Massen fort; es war willig und ohne Fragen und folgte den neuen Herrschern, die von gleicher Herkunft waren, in die Triumphe wie in das Elend der Zeit, ohne Murren durch das Eis der Alpen, über die Meere und durch Wüsten, in Kriege, Eroberungszüge und selbst ins Feuer; es war ein genügsames, starkes Volk, das zu einem Heer von Arbeitern wurde, wo Gräben zu ziehen, Mauern zu schleifen und Brücken zu schlagen waren; in Zeiten des Kampfes wurde dieses Volk zu Kriegern, in denen der Niederlage zu Sklaven und im Sieg zu Herren und blieb durch alle Verwandlungen doch beherrschbar wie kein anderes Geschlecht.

Und was die Eiche der Ameisen für das Glück der Insel Aegina war, sagte Naso dann in den Strauß der Mikrophone und schloß seine Rede, das werde nun und in Zukunft dieses Bauwerk der Sümpfe, das Stadion Zu den Sieben Zufluchten, für das Glück Roms sein – ein Ort der Verwandlungen und Wiedergeburt, ein steinerner Kessel, in dem aus Hunderttausenden Ausgelieferten, Untertanen und Hilflosen ein Volk gekocht werde, so wandelbar und zäh wie das neue Geschlecht von Aegina, so unbesiegbar. Und schwieg.

Christoph Ransmayer, Die letzte Welt, Kapitel 3, S. 61-64.

(…)

Het slot van het boek:

Was nun geschah, war nur die Erfüllung dessen, was längst auf den Fetzen und Wimpeln von Trachila geschrieben stand.

Der Gesang verstummte. Tereus hob die Axt, um zu tun, was ihm Trauer und Haß befahlen. Sprang seine Opfer an. Aber nicht zwei Frauen hoben abwehrend die Arme, sondern zwei aufgeschreckte Vögel breiteten die Flügel aus; ihre Namen waren im Archiv von Trachila verzeichnet: Schwalbe und Nachtigall. Mit rasenden Flügelschlägen durchmaßen sie die Seilerei, schnellten durch das zerbrochene Fenster ins Freie und verloren sich im nachtblauen Himmel, noch ehe aus dem krummen Stiel der Axt ein weiterer Schnabel, aus Tereus Armen Schwingen und seine Haare zu braunen und schwarzen Federn geworden waren. Ein Wiedehopf folgte den beiden Geretteten in einem geschwungenen, wellenförmigen Flug, als gleite er auf dem Nachhall von Procnes Stimme dahin.

An diesem Morgen stieg die Sonne aus einem gleißenden Meer und tauchte ein fremdes, verwandeltes Küstengebirge in klares Licht. Befreit von allen Nebeln und Wolkenfronten der

Regenzeit und umringt von geborstenen Graten, den Schuttbarrieren der Steinlawinen und verworfenen Steilhängen, ragte ein neuer Berg in den Himmel; der Faltenwurf seiner Flanken war bis hoch über die Baumgrenze mit wucherndem Grün bedeckt und der Kranz seiner Gipfel mit Firn.

Von einer großen Beharrlichkeit aus der Tiefe der Erde den Sternen entgegengestemmt, erhob sich dieses Massiv über die subtropische Wildnis der Küste bis in die toten, tiefblauen Regionen der Eiswolken. Aller Lärm der Verwerfungen, das Donnern der Geröllströme und noch das sanfte Rieseln des Sandes war nun verstummt. Eine erschöpfte Stille lag über den Schluchten und Halden.

Unsinnig heiter wie ein Kind saß Cotta allein in der Seilerei inmitten seines zerrissenen Himmels, wühlte in den Fetzen des Baldachins, löste beschriftete Fähnchen aus den Blütenranken und Blättern der Winde und las manche Inschriften laut in den leeren Raum wie einer, der Gerumpel sortiert und die Namen der Dinge noch einmal ausspricht, bevor er sich für immer von ihnen trennt und sie fortwirft.

Daß Tereus der Wiedehopf war und Procne die Nachtigall, stand auf diesen Fetzen, Echo der Widerhall und Lycaon ein Wolf … Nicht nur die vergangenen, auch die zukünftigen Schicksale der eisernen Stadt flatterten an den Steinmalen von Trachila im Wind oder glitten nun enträtselt durch Cottas Hände. Auch der Name jenes von Schnee gekrönten Massivs, dessen Glanz er durch die geborstenen Fenster schimmern sah, war auf den Lumpen verzeichnet – Olymp.

Mächtiger als alles, was sich jemals über den Spiegel des Schwarzen Meeres erhoben hatte, warf dieser Berg seinen Schatten auf die Küste der eisernen Stadt.

Es war später Vormittag, als Tomi zögernd aus diesem Schatten trat und Cotta das Seilerhaus verließ. Als ein weißglühendes Bild allen Feuers stieg die Sonne in den Zenit. Phineus, der Holzasche auf ein Rübenbeet streute, tippte sich an die Stirn, als er den Römer durch die Gassen gehen sah: Der war verrückt; der mußte verrückt geworden sein; in ein murmelndes Selbstgespräch versunken schritt er dahin; um den Hals trug er ein Geflecht aus Ranken, Fetzen und Schnüren und schleifte Lumpengirlanden wie papierene Drachenschwänze hinter sich her.

Cotta hörte die Worte nicht, die man ihm zurief, und bemerkte auch keine Hand, die ihm winkte; hörte wohl das Gezeter der Lachmöwen, die Brandung, auch Vogelsang und das Rascheln von Palmfächern im Wind – aber keine menschliche Stimme mehr; hatte allein die Bilder vor Augen, die ihm die Inschriften auf seinen Lumpen verhießen: Das Schlachthaus war nur noch ein bemooster Felsen, an dem eine Schar Nebelkrähen ihre Schnäbel schärfte; die Gassen waren Hohlwege durch dorniges, blühendes Dickicht und ihre Bewohner in Steine verwandelt oder in Vögel, in Wölfe und leeren Hall. Über Arachnes Klippe rauschte ein ungeheurer Möwenschwarm auf; befreit aus den Kettfäden verschimmelter Webbilder stürzten die Vögel in einen Himmel, dessen Blau wolkenlos war.

Erfüllt von einer Heiterkeit, die mit jedem Schritt wuchs und manchmal kichernd aus ihm hervorbrach, stieg Cotta durch wüstes Geröll den Halden von Trachila entgegen, dem neuen Berg. Hier war Naso gegangen; dies war Nasos Weg. Aus Rom verbannt, aus dem Reich der Notwendigkeit und der Vernunft, hatte der Dichter die Metamorphoses am Schwarzen Meer zu Ende erzählt, hatte eine kahle Steilküste, an der er Heimweh litt und fror, zu seiner Küste gemacht und zu seinen Gestalten jene Barbaren, die ihn bedrängten und in die Verlassenheit von Trachila vertrieben. Und Naso hatte schließlich seine Welt von den Menschen und ihren Ordnungen befreit, indem er jede Geschichte bis an ihr Ende erzählte. Dann war er wohl auch selbst eingetreten in das menschenleere Bild, kollerte als unverwundbarer Kiesel die Halden hinab, strich als Kormoran über die Schaumkronen der Brandung oder hockte als triumphierendes Purpurmoos auf dem letzten, verschwindenden Mauerrest einer Stadt.

Daß ein griechischer Knecht seine Erzählungen aufgezeichnet und um jedes seiner Worte ein Denkmal errichtet hatte, war nun ohne Bedeutung und bestenfalls ein Spiel für Verrückte: Bücher verschimmelten, verbrannten, zerfielen zu Asche und Staub; Steinmale kippten als formloser Schutt in die Halden zurück, und selbst in Basalt gemeißelte Zeichen verschwanden unter der Geduld von Schnecken. Die Erfindung der Wirklichkeit bedurfte keiner Aufzeichnungen mehr.

Christof Ransmayer, Die letzte Welt, Kapitel 5, S. 284-287

 

 

Das Literarische Quartett über Die letzte Welt (vanaf 50′; 1988). Zeer goede uitzending met de legendarische literatuur-criticus Reich-Ranicki.

 

 

Doorlaatbaarheid van systemen

 

Dichten in de Grauzone

 

Van Gogh an der Mauer

Drummer und Gitarist

 

Ondanks het bestaan van de muur beïnvloeden kunst en cultuur in Oost en West elkaar in de jaren tachtig voortdurend. Met Van Gogh an der Mauer wil Rainer Fetting laten zien dat er nieuwe tijden aanbreken.

Vergelijk bijvoorbeeld zijn Drummer und Gitarrist (1979) met Tänzer (afb. re.; 1991) van de Oost-Duitse kunstenaar Trak Wendisch. De uitbundigheid, dynamiek en wilde ontlading van vitaliteit komen in beide werken op vergelijkbare wijze tot uitdrukking.

Een zekere mate van ingetogenheid of voorzichtigheid kan Tänzer echter niet ontzegd worden. Er is een verschil in stijl en uitbundigheid. Hetzelfde geldt voor de literatuur in dit decennium.

Er is sprake van wederzijdse beïnvloeding en van een naar elkaar toe groeien. Maar accentverschillen blijven duidelijk aanwezig.

 

Het einde van de grote verhalen – Ondergang van de Titanic

 

H. M. Enzensberger

In de jaren tachtig maakt de populaire dichtkunst – de aandacht voor het alledaagse, zoals onder anderen bij Rolf Dieter Brinkmann – plaats voor meer klassieke vormen van lyriek. In plaats van pop-art komen introspectie en meditatie meer op de voorgrond te staan. Voorbeelden hiervan zijn o.a. Handke, Strauß en Ransmayr.

Der Untergang der Titanic; einde van geloof in ‘de grote verhalen’.

Kenmerkend voor deze nieuwe trend is Hans Magnus Enzensbergers gedicht Der Untergang der Titanic. Komödie (1978). Dit gedicht verwijst wat vorm en inhoud betreft naar Dantes Goddelijke komedie. In 33 gezangen wijst het lyrische ik op misstanden in de maatschappij. Maar anders dan in de jaren zeventig is van engagement en hoop op verandering nauwelijks meer sprake. In dit epos rekent Enzensberger definitief af met optimisme en geloof in de vooruitgang. Net teruggekeerd van een reis naar het veelbelovende Cuba, als land van de revolutie, steekt hij zijn teleurstelling niet onder stoelen of banken.

De generatie dichters uit de tijd van de studentenrevolte neemt hiermee definitief afscheid van het geloof in de grote verhalen, van alle ideologieën die een vooruitgang in de geschiedenis verkondigen.

Symbool voor het mislukken van dit project – het kritiekloze geloof in de techniek en het menselijk kunnen – is de ondergang van het schip de Titanic.

 

Der Untergang der Titanic – Zwölfter Gesang

Von diesem Augenblick an verläuft alles planmäßig.
Der stählerne Rumpf vibriert nicht mehr, still
liegen die Maschinen, längst sind die Feuer gelöscht.
Was ist los? Warum machen wir keine Fahrt? Man lauscht.
Draußen im Korridor werden Rosenkränze gemurmelt.
Die See ist glatt, schwarz, glasig. Mondlos die Nacht.
Oh, es ist nichts! Es ist nichts zerbrochen an Bord,
keine Vase und kein Champagnerglas. Man wartet
in kleinen Gruppen, wortlos, geht auf und ab,
im Pelz, im Schlafrock, im Overall, man gehorcht.
Jetzt werden Taue aufgerollt, Planen fortgezogen
von den Booten, Davits ausgeschwenkt. Es ist,
als hätten die Passagiere Tabletten geschluckt. Dieser Mann z. B.,
der sein Cello hinter sich herzieht über das endlose Deck,

man hört, wie der Sporn an den Planken kratzt,
immerzu kratzt, kratzt und man fragt sich: Wie
ist das nur möglich? – Ah! schau! eine Notrakete! –
Aber es ist nur ein schwaches Zischen, schon verpufft
am Himmel, im Widerschein die Gesichter bläulich und leer.
Still stehen Liftboys, Masseusen und Bäcker Spalier.
Auf der California, einem alten Kahn, zwölf Meilen weiter,
dreht sich in seinem Bett der Funker um und schläft ein.
Achtung Achtung! Frauen und Kinder zuerst! – Wieso eigentlich?
Antwort: We are prepared to go down like gentlemen. –
Auch gut. – Sechzehnhundert bleiben zurück. Die Ruhe an Bord
ist unvorstellbar. – Hier spricht der Kapitän. Es ist genau
zwei Uhr, und ich befehle: Rette sich wer kann! – Musik!
Zur letzten Nummer erhebt der Kapellmeister seinen Stock.Beluister de twaalfde zang.

 

 

Het gedicht als moment van vrijheid

 

Uitzonderingen op dit pessimisme vind je bij de oudere dichters zoals Hilde Domin (1909 – 2006) en Sarah Kirsch (1935 – 2013). Het gedicht moet een moment van vrijheid zijn, schrijft Hilde Domin.

Sarah Kirsch, in 1977 uit de DDR naar West-Duitsland ‘ausgebürgert’, neemt eveneens een aparte plaats in met haar gedicht Bäume (1984).

De klagende ernst die bij veel dichters uit de jaren tachtig in het Westen vaak aanwezig is, ontbreekt bij deze Oostduitse schrijfsters door de licht ironische toon in hun werk.

 

 

 

Sarah Kirsch

Natuur, liefde, vriendschap en de emancipatie van de vrouw zijn de thema’s in het dichtwerk van Sarah Kirsch.

In haar eerste gedichtenbundel Landaufenthalt (1967) thematiseert ze het evenwicht tussen mens en natuur. Zaubersprüche uit 1973 wordt gezien als de in seksueel en erotisch opzicht meest vrijgevochten dichtbundel uit de Duitstalige vrouwenlyriek.

Drie jaar later verscheen de dichtbundel Rückenwind waarin ze haar ervaringen met de West-Berlijnse dichter Christoph Meckel beschrijft die door de Muur gescheiden van haar leeft.

Omdat ze de protestverklaring tegen de Ausbürgerung van Wolf Biermann ondertekende (zie het hoofdstuk over DDR-literatuur), werd ze uit de SED en het Schriftstellerverband gestoten. In 1977 vertrok ze naar West-Duitsland.

 

 

Sarah Kirsch – Bäume

Früher sollen sie

Wälder gebildet haben und Vögel

Auch Libellen genannt kleine

Huhnähnliche Wesen die zu

Singen vermochten schauten herab.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Meer gedichten van Sarah Kirsch.

Hilde Domin – Ziehende Landschaft

Man muss weggehen können
und doch sein wie ein Baum:
als bliebe die Wurzel im Boden,
als zöge die Landschaft und wir ständen fest.
Man muss den Atem anhalten,
bis der Wind nachlässt
und die fremde Luft um uns zu kreisen beginnt,
bis das Spiel von Licht und Schatten,
von Grün und Blau,
die alten Muster zeigt
und wir zuhause sind,
wo es auch sei,
und niedersitzen können und uns anlehnen,
als sei es an das Grab
unserer Mütter.

Beluister het gedicht.

Hilde Domin – Nur eine Rose als Stütze

Ich richte mir ein Zimmer ein in der Luft
unter den Akrobaten und Vögeln:
mein Bett auf dem Trapez des Gefühls
wie ein Nest im Wind
auf der äußersten Spitze des Zweigs.

Ich kaufe mir eine Decke aus der zartesten Wolle
der sanftgescheitelten Schafe die
im Mondlicht
wie schimmernde Wolken
über die feste Erde ziehen.

Ich schließe die Augen und hülle mich ein
in das Vlies der verläßlichen Tiere.
Ich will den Sand unter den kleinen Hufen spüren
und das Klicken des Riegels hören,
der die Stalltür am Abend schließt.

Aber ich liege in Vogelfedern, hoch ins Leere gewiegt.
Mir schwindelt. Ich schlafe nicht ein.
Meine Hand
greift nach einem Halt und findet
nur eine Rose als Stütze.

Beluister het gedicht.

Schöner

Schöner sind die Gedichte des Glücks.

Wie die Blüte schöner ist als der Stengel
der sie doch treibt
sind schöner die Gedichte des Glücks.

Wie der Vogel schöner ist als das Ei
wie es schön ist wenn Licht wird
ist schöner das Glück.

Und sind schöner die Gedichte
die ich nicht schreiben werde.

Beluister het gedicht.

Muzikaal theaterprogramma op teksten van Sarah Kirsch

 

Prenzlauer Berg Connection  –  Uwe Kolbe en Durs Grünbein

 

Een bijzondere plaats in de jaren tachtig nam een jonge generatie dichters in Oost-Berlijn in. Zij worden wel de Prenzlauer Berg Connection genoemd (naar de wijk in Ost-Berlin). Anders dan de ouderen gingen zij de discussie met de machthebbers geheel uit de weg. Deze jonge dichters kozen ook niet de misstanden in de maatschappij als thema voor hun gedichten. Zij leefden en werkten in een soort subcultuur waar het regime in de jaren tachtig totaal geen greep meer op had.

Bert Papenfuss blikt terug op de tijd van voor de muur (4′)

De oppositie steekt de draak met het officiële congres van DDR-schrijvers.

Ook al was de staat, naar later bleek via Informelle Mitarbeiter (informanten van de staatsveiligheidsdienst) volledig van hun activiteiten op de hoogte, de dichters van de Prenzlauer Berg konden tamelijk zelfstandig hun gang gaan. Voor publicatie maakten zij zich niet afhankelijk van de partij. Zij hadden voor hun optredens en publicaties allang eigen fora, zoals cafés en tijdschriften gevonden. Velen hielden, weliswaar enigszins in het geheim, contacten met collega’s in het Westen. De muur was al niet meer zo hermetisch gesloten.

De dichter Bert Papenfuss over de Prenzlauer Berg Connection (9′).

 

Uwe Kolbe

Uwe Kolbe

De dichter Uwe Kolbe (1957) sloeg een geheel andere toon aan dan zijn voorgangers in de DDR, zoals Bertolt Brecht, Volker Braun en Heiner Müller nog deden. Voor de jonge generatie was er feitelijk geen ruimte meer om daadwerkelijk in te grijpen in het historische proces waarin Oost-Europa zich bevond. Deze generatie voelde zich in naam van een ideologie allang geheel buitengesloten en herkende zich niet meer in de belofte van de komende nieuwe (communistische) heilsstaat. Op indringende wijze legt Uwe Kolbe hiervan getuigenis af in zijn gedicht Ich bin erzogen im Namen einer Weltanschauung (1980).

 

In dit gedicht staat het lyrische ik alleen en is op zichzelf teruggeworpen, voor hem valt er niets te beslissen voor of tegen een bepaalde wereldbeschouwing. Zijn enige zekerheid is der mit der Sense, de man met de zeis. Hij ziet in een terugblik in hoe blind hij was, willoos onderworpen en gevangen in de fraseologie van de heersende macht.

Maar hij stelt zich niet alleen te weer tegen het socialisme als een wereldbeschouwing uit een tijd die vrijwel voorbij is. Hij ziet in (verstehe) dat hij vanaf heden tegen elke ideologie een strijd moet voeren, om zijn individualiteit te beschermen. Hier volgen twee gedichten door Kolbe gelezen. Ze zijn niet te moeilijk, als je zijn DDR-achtergrond niet vergeet.

Lees gedichten vooral ook altijd hardop.

 

 

Ich bin erzogen im Namen einer Weltanschauung (1980)

Mit verklebten Augen blieb ich ein Gläubiger,
Ich kannte keine andere Philosophie denn die herr-
schende, ich dachte nie, dass es so viele herr-
schende Philosophien gibt, verstand diesen Krieg nicht.
Jetzt seh ich die Zahl der Köpfe:
verstehe, [Let op de opmaak, is juist zo]
dass Krieg unvermeidlich, spiele ebenfalls
Papiertiger, Sandlöwe, Tropfenpanzer, lächle
mündungsschwarz und bluthundsüß. Ich grüße
den Weltfriedenskongreß, irgendeinen, meine Eltern,
den Wimpel mit Lenins Bildnis auf der Venus,
den Staub, aus dem mein Kosmos geformt sei.
Ich sehe keine Chance, den Kopf zu retten
aus dem Krieg um den Frieden, dem Krieg
zwischen Mann und Frau, aus dem der Darmwand
und des Bluts mit Speiseresten, aus dem osmotischen
Weltkrieg, dem weltpolitischen Knopfdruckkrieg.
Vom Schachbrett weg, aus den Zwickmühlen zieht
mich nur der mit der Sense, einer der Freunde,
auf die Verlaß ist, einer der größten Spieler,
der gefürchteten Banksprenger, einer der Gewinner.

 

Vater und Sohn

Ein einziges Abstandhalten
und Beieinanderstehn
mit schlenkernden Armen.
Der Vater die Uniform,
der Sohn mit den Rastazöpfen.
Der Vater im Rucksack Preußen,
der Sohn auf dem Surfbrett
zur Mündung der Flüsse hinaus.
Der Vater auf Reisen,
der Sohn die innere Emigration.
Der Vater die Briefe,
der Sohn schweigt.
Vater, ders locker nimmt,
Sohn zu dem Herzen.
Einander Kampf ohne Regel,
ernster als auf dem Spielplatz je,
länger als lebenslang.
Nie sterben die Väter,
hört man, seit Ohren sind,
und selten leben die Söhne.

Beluister het gedicht.

 

 

Uwe Kolbe leest uit zijn nieuwste bundel Imago (2020).

Meer gedichten van Uwe Kolbe (door hemzelf voorgelezen.)

 

 

Durs Grünbein

Durs Grünbein

Durs Grünbein werd in 1962 in Dresden geboren. Zijn studie theaterwetenschap aan de Humboldt-Universität in Berlijn brak hij in 1987 af. Sindsdien is hij als zelfstandig schrijver werkzaam. Grünbein heeft inmiddels meer dan dertig dichtbundels op zijn naam staan. Hij ontving vele literatuurprijzen, waaronder de gerenommeerde Büchner- en Hölderlinprijs. Hij wordt als één van de grootste Duitse dichters van dit moment beschouwd.

Over het gedicht zegt Grünbein:

 

Omdat ik het gedicht als hulp bij herinneren beschouw, een soort partituur voor het hervinden van een verlorengegane en geleefde tijd, kan ik daaraan ook slechts een geheel eigen ervaring ten grondslag leggen.

Ideaal gesproken is het gedicht precies deze persoonlijke ervaring met tijd, met vergeten, verdwijnen en hervinden van dingen, personen en gedachtes… (vert. JK)

Durs Grünbein beantwoordt vragen over ‘Was ist Lyrik?’ (5′):

 

In Tag X (1991), een gedicht dat na de val van de muur ontstaan is, kiest Grünbein de klassieke vorm van een elegie om kritisch terug te kijken op het systeem, waarin hij opgroeide. Oppervlakkig beschouwd heeft de pioniersgroet die kinderen brengen, iets ontwapenends.

Maar achter dit schijnbaar onschuldige gebaar gingen dreiging, bevel en dictaat schuil. In de DDR hing alles wie nach Plan zusammen. Van waarheid en vrijheid geen enkel spoor!

 

Durs Grünbein – Tag X

(Für Ilya Kabakov)

immer bereit

Wohin die Morgen als ein Pioniergruß zart
Die Welt in zwei erstarrte Hälften teilte
Antagonistisch und entlang der Schädelnaht?
Als den Legenden noch die Drohung folgte
Es ginge eins im andern auf und sei bestimmt.
Vom Husten bis zum Abschlußzeugnis, von der Milch
In der noch Wahrheit schwamm bis zum verheilten Selbst
Hing alles wie nach Plan zusammen. Streng vertraut
War noch der Zwang, das Salz im Alltag, liebenswert.
Durch jedes Fenster flog ein Raumschiff aus Papier
An Bord den Neuen menschen im Versuchslabor.
Und jeder Ist-Satz, vom Diktat der Einfachheit
Befriedigt gab sich selbst den Punkt. Wie beim Appell
Das helle „Seid bereit!’ für den Tag X.

 

Afbeelding uit The 10 Characters van Ilya Kabokov

Dit gedicht heeft Grünbein, zoals men met elegieën gewoonlijk doet, aan zijn vriend Ilya Kabakov opgedragen. Kabakov is een beroemde avantgardistische kunstenaar uit de Oekraïne, die tegenwoordig in New York woont. Voor hem heeft Grünbein teksten voor catalogi geschreven. Kabakov staat bekend om zijn bijzondere kunstobjecten en installaties.

Hij verkondigt in zijn werk het einde van de Sovjet-Unie. Na de val van de muur in 1989 is hij beroemd geworden met zijn album The 10 Characters, waarin hij uitlegt hoe de mens zich het beste ten opzichte van de (sovjet-) maatschappij kan gedragen. In dit werk is Nietzsches visie op de drijfveer van de mens, de wil tot macht, het hoofdthema.

Meer over leven en werk van Ilya en Emilia Kabokov.

Kenmerkend voor Grünbein is, dat hij in de eerste plaats koel en zakelijk registreert. Anders dan vroeger bij dichters als Gottfried Benn, met wie je hem enigszins zou kunnen vergelijken, is hier elke vorm van weemoed afwezig.

De tijd van de ‘grote verhalen’ in welke vorm dan ook, de richtingwijzende ideologieën in de geest van de Verlichting, is voor deze generatie dichters definitief voorbij. In die zin is Grünbein een echte postmoderne dichter.

In Schädelbasis I uit de bundel Schädelbasislektion dicht hij:

Was du bist steht am Rand / Anatomischer Tafeln.

Lichaam en ziel zijn ingebed in een skelet en puur biologisch bepaald. Wat overblijft van de mens is zijn Scheiß. Sterblichkeit is ontbinding en stof. Dit motief van conditionering en sterfelijkheid verbindt Grünbein met het thema van de status van de kunstenaar in het Oostblok. Hij voelt zich er als een gemuilkorfde jonge grenshond in een niemandsland: wunschlos und stumm. De enige hoop die blijft, is een bevrijding uit de Grauzone, die de DDR in feite is.

De muur is in de jaren tachtig niet in de laatste plaats onder invloed van de progressieve politiek, de Perestrojka van president Gorbatsjov, tot een anachronisme aan het verworden en langzaam begonnen af te brokkelen. Niet alleen de politiek, maar ook de snelle opmars van de media hebben de muur doorlaatbaar gemaakt. Toch had niemand – denk aan de dogmatische halsstarrigheid van Honecker en de gehele partijleiding in de DDR – gedacht dat de muur in 1989 van de ene op de andere dag zou vallen.

Grünbein dicht naar aanleiding van de val van de muur het gedicht 12/11/89.

 

Durs Grünbein – 12/11/89

Komm zu dir Gedicht, Berlins Mauer ist offen jetzt.

Wehleid des Wartens, Langweile in Hegels Schmalland

Vorbei wie das stählerne Schweigen… Heil Stalin.

Letzter Monstranzen Glanz, hinter Panzern verschanzt.

Langsam kommen die Uhren auf Touren, jede geht anders.

Pech für die Kopffüßler, im Brackwasser abgesackt.

Revolutionsschrott en masse, die Massen genasführt.

Im Trott von bankrotten Rotten, was bleibt ein Gebet:

Heiliger Kim Il Sung, Phönix Pjönjangs, bitt für uns.

 

 

Gedichten van en door Grünbein.

Grünbeins gedichten zijn niet altijd even toegankelijk. Maar wie de moeite van het oplossen van de puzzels neemt, wordt rijkelijk beloond. Grünbein heeft mooie gedichten geschreven over zijn geboortestad Dresden en over de stad Berlijn in de tijd direct na de val van de muur. Zijn Wende-Lyrik en zijn gedichten over steden zijn behoorlijk goed te begrijpen en doorgaans erg toegankelijk.

Met zijn gedicht over de Potsdamerplatz staat hij in de traditie van Erich Kästner, Besuch vom Lande (1930) en Sarah Kirsch, Naturschutzgebiet (1982). Met de Grauzone die Berlijn ooit was, wordt in zijn gedichten (en met de val van de muur) definitief afgerekend.

Tot slot volgen hier ter vergelijking de drie Berlijn-gedichten, je ziet de bewogen geschiedenis van de Potsdamerplatz hierin terug.

 

Potsdamerplatz 1989

Potsdamerplatz 1999

Durs Grünbein – Potsdamer Platz

Uit: Berliner Runde, IV Potsdamerplatz

Um und um wird die Erde gewühlt für die Hauptstadt in spe.
Der nächtlichen Menschenleere gehn Raupen vorweg.
Germania im Bunker, auf preußischem Kanapee
Von Baggern im Schlaf gestört, wälzt die Hüften im Dreck.

Downtown Berlin hilft der Diva den Gürtel zu lösen.
Und schmachtend macht sie, Walküre, die Schenkel breit.
Das Gehirn, in den hellsten Momenten, den bitterbösen,
Wittert etwas, das nach Zerstörung schreit.

Erich Kästner – Besuch vom Lande (1930)

Sie stehen verstört am Potsdamer Platz.
Und finden Berlin zu laut.
Die Nacht glüht auf in Kilowatts.
Ein Fräulein sagt heiser: “Komm mit, mein Schatz!”
Und zeigt entsetzlich viel Haut.

Sie wissen vor Staunen nicht aus und nicht ein.
Sie stehen und wundern sich bloß.
Die Bahnen rasseln. Die Autos schrein.
Sie möchten am liebsten zu Hause sein.
Und finden Berlin zu groß.

Es klingt, als ob die Großstadt stöhnt,
weil irgendwer sie schilt.
Die Häuser funkeln. Die U-Bahn dröhnt.
Sie sind alles so gar nicht gewöhnt.
Und finden Berlin zu wild.

Sie machen vor Angst die Beine krumm.
Sie machen alles verkehrt.
Sie lächeln bestürzt. Und sie warten dumm.
Und stehn auf dem Potsdamer Platz herum,
bis man sie überfährt.

 

Sarah Kirsch: Naturschutzgebiet (1982)

Die weltstädtischen Kaninchen
Hüpfen sich aus auf dem Potsdamer Platz
Wie soll ich angesichts dieser Wiesen
Glauben was mir mein Großvater sagte
Hier war der Nabel der Welt
Als er in jungen Jahren mit seinem Adler
Ein schönes Mädchen chauffierte.

Durch das verschwundene Hotel
Fliegen die Mauersegler
Die Nebel steigen
Aus wunderbaren Wiesen und Sträuchern
Kaum sperrt man den Menschen den Zugang
Tut die Natur das ihre durchwächst
Noch das Pflaster die Straßenbahnschienen.

Potsdamerplatz 1930

 

Potsdamerplatz 1989

 

Interview met Durs Grünbein over poëzie en filosofie.

 

 

Ga naar de volgende periode:

Op de periode Duitse literatuur in beide Duitslanden (1968 – 1990) volgt

Literatuur in het verenigde Duitsland (1990 – 2015)